'Zonder de taal zou ik geheel ontredderd zijn'

Atze de Vrieze ,

Onder de titel 'Drs. P Compilé Complé' is het verzameld liedwerk van Heinz Polzer (92) verschenen in een prachtige uitgave met acht cd’s, waarop bijna 200 door hemzelf gezongen liedjes. ‘Ik voel me gevleid door al die aandacht en ruchtbaarheid.’

Snel en soepel gaat het dan misschien niet meer, nog altijd maakt Drs. P geen zin af zonder dat deze correct is. 92 is hij, Heinz Polzer. Geboren Zwitser, maar op jonge leeftijd met zijn Nederlandse moeder hierheen verhuisd. Een heer op leeftijd is hij al zolang als hij bekend is, maar nu beginnen de jaren toch echt te tellen. Deze maand verschijnt zijn volledige liedjesoeuvre op acht cd’s. Bekende songs als ‘De veerpont’ (‘heen en weer’), ‘Dodenrit’ (‘trojka hier, trojka daar’) en ‘De commensaal’ (‘er ligt alweer een juffrouw in het trapportaal’), maar ook minder bekend werk: een complete serie over groente en fruit, werk dat hij maakte met het Resistentie Orkest, en zelfs een aantal jingles. Polzer is te vroeg voor onze afspraak. Hij zit op het bankje voor het statige Pulitzer hotel aan de Prinsengracht in Amsterdam, onder zijn donkere overjas een keurig pak met stropdas. Het Pulitzer is zo’n hotel waar altijd een man met een pet voor de deur staat, ook als het regent, zoals nu. Ze kennen hem hier. Polzer wordt onthaald als de belangrijkste gast van het hotel.
‘Uw naam intrigeert me,’ zegt Polzer. ‘Atze, is dat Fries? Het spijt me dat ik u geen mooier weer aan kan bieden. We zullen het ermee moeten doen. Het allerliefst zit ik in de tuin.’

U komt hier graag?
‘Ja werkelijk, het is een lustoord bij het passende weer, dat helaas in Nederland zelden optreedt. ’s Zomers voel je je hier zo behaaglijk. Ik was nimmer hotelgast. Wij – mijn vrouw en ik – wonen op de Keizersgracht. In een drukke stad is het niet makkelijk plekken te vinden waar je je senang voelt. Kent u het woord senang? Maleis is het.’

U hebt in een ver verleden uw hart verpand aan Rotterdam, maar u woont alweer jaren in Amsterdam.
‘Ik blijf gehecht aan Rotterdam. Toen het moment kwam dat ik zou gaan studeren, koos ik voor Rotterdam. Niet vanwege het vak, economie liet mij zeer onverschillig. Ik heb mijn leven lang de pest aan boekhouden gehouden. Rotterdam sprak mij sterk aan vanuit de literatuur. Je had bijvoorbeeld de boekenserie Merijntje Gijzens jeugd. Het vierde deel daarvan speelt in Rotterdam. En het geruchtmakende boek Naakte waarheid van Alie Smeding, dat was voor de oorlog een gedurfde roman. Het hele begrip wereldhaven vond ik enerzijds indrukwekkend, anderzijds ook romantisch. Rotterdam bezielde mij werkelijk.’

Amsterdam noemde u in het lied ‘Strammer, dames’ een ‘bananenrepubliek’. Bent u daarop teruggekomen of is het niet zo’n belediging als het lijkt?

‘Wel, het was nogal beledigend bedoeld. Misschien iets te kritisch, ofschoon ik Amsterdam altijd min of meer louche heb gevonden. Ik beschouw mezelf niet als een gluiperige, geldbeluste inwoner van Amsterdam. Maar louche kan ook duiden op een zekere zwier, die ontbreekt in Haarlem of Utrecht.’

Uw verzameld werk wordt uitgegeven in samenwerking met TopNotch, een platenmaatschappij gespecialiseerd in hiphop en rap. In de eerste single op dat label, ‘Spraakwater’ van de rapper Extince, valt uw naam: ‘Machtige, prachtige, Drs. P-achtige rijmen die je bijblijven tot je tachtigste verjaardag.’

‘Extince, die naam is mij onder ogen gekomen. Ik zou van de week een interview hebben met iemand die Extince meebrengt. Het is goed bedoeld en bijzonder loffelijk. Mij is jaren geleden al verzekerd dat ik bij rappers bijzonder gunstig bekend sta. Daar was ik stomverbaasd door, want mijn schrijfstijl is heel strikt. Ik zou denken dat het die rappers erg tegenstaat en buitengewoon gewild aandoet dat ik altijd zo strikt metrisch en correct rijmend schrijf.’

Wat zegt het u dat al uw liedjes verzameld uitgebracht worden?
‘Ik voel me gevleid door al die aandacht en ruchtbaarheid. Ik zal ook zeker 23 april ten tonele verschijnen bij de presentatie, maar niet van ganser harte. Ik ben een beetje beducht voor het tumult en voor de opdringerigheid. Mensen met wie ik omga gedragen zich keurig en bedaard, maar mensen die mij niet kennen hebben soms de neiging mij te knuffelen. Om het tamelijk bruut te omschrijven: fans zijn kannibalen. Fans willen bezit van je nemen. Ze willen je aanraken, ze willen je bij de voornaam noemen. Ze scheppen op tegen vrienden: ja, Drs. P, die ken ik wel. Ze schrijven brieven naar je, wat alleen maar tijdverlies is. Ze denken dat ze over je beschikken. Daartegenover stel ik met nadruk dat ik vrijwel altijd op een prettige en discrete manier word herkend. Mensen houden me staande en vertellen hoe ze genieten van mijn teksten, maar maken daar geen vertoning van. Nu ga ik een sigaar roken. Tenslotte, die asbak is hier niet voor niets. Ik hoop dat het u niet stoort.’

Geenszins. U hebt gezegd dat uw gouden jaren plaatsvonden voor het verschijnen van uw debuut- lp. U was toen copywriter in Indonesië. Beschouwt u dat als hetzelfde vak als het schrijven van liedjes?
‘De copywriter stelt zich bewust in dienst van een artikel. Ik schrijf in dienst van mijzelf. Ik schrijf uit liefde voor en vervuldheid van een mooie taal als het Nederlands, want die heb ik buitengewoon hoog zitten. Die taal is sterk in verval, maar het Nederlands is een luisterrijke taal. Het klinkt niet mooi, zoals Italiaans mooi kan klinken voor sentimentele zielen, maar het is van constructie en veelzijdigheid ongeëvenaard. Je kunt er zo enorm veel mee doen. Volledig sentimenteel, volledig stompzinnig, volledig intelligent, volledig ironisch. De taal doet alles voor je.’

Waarom waren het gouden jaren voor u in Indonesië?

‘Wel, om zeer banaal te beginnen: het land is overstelpend mooi. Ik ken niet heel Indonesië, vooral Java, waar ik woonde, en een paar buitengewesten die ik kort heb bezocht.’

Dat moet een vreemde tijd geweest zijn om als op zijn minst halve Nederlander in Indonesië te wonen, rond 1950.

‘Gelukkig ben ik Zwitser. Wel, ik heb zelden, bijna nooit, vijandschap ervaren. Dat kwam waarschijnlijk door het feit dat ik met de bevolking op goede voet verkeerde. Ik vond hun levensstijl en hun stemming sympathiek en ik kon er onbevangen mee praten in mijn ietwat aanvechtbare versie van het Bahasa Indonesia. Het hele tempo van het leven daar lag mij. Kalm, maar niet slaperig. Ik zal zo zelfgenoegzaam zijn een tekst van mezelf te citeren. Geen lied, maar een geschreven tekst. Maak u niet ongerust, het duurt niet lang. Het is een tekst die ik met grote oprechtheid heb geschreven. Nu komt het: “De nagloed van de zon, de adem van het duister, en boven mij sereen het Zuiderkruis. Ik zit op mijn balkon, ik ben alleen en luister naar dromen om mij heen. Hier ben ik thuis. Ik kwam uit Nederland en woon daar later weer. Vertrouwd gebied, maar die volmaakte band, die godenpracht, die sfeer, daar zijn ze niet.” Ik genoot met volle teugen van het klimaat, van het landschap, van allerlei aspecten van het land. Ik liet het tot mij komen zoals je smaakvol vogelgefluit tot je laat komen, zonder dat je het analyseert.’

U hebt de taal regelmatig omschreven als een korset. U bedoelde dat positief, omdat u juist in de beperking creativiteit vond. Keek u ook zo naar de maatschappij in Nederland, waarin men massaal het korset uit deed na de oorlog?

‘Dat is ongetwijfeld waar. Het Nederland na de oorlog – en de oorlog is daar natuurlijk debet aan – werd onverschilliger en minder consciëntieus. Wat betreft spreekstijl en wat betreft gedrag in het algemeen.’

In aardig wat van uw liedjes komt het fenomeen moord voor. In ‘De zusters Karamazov’, in ‘De commensaal’ (‘Trapportaal’), later ook in ‘Dodenrit’. U koppelde het vaak aan onverschilligheid. Of erger: zelfzuchtigheid.
‘Ik ging er niet voor op de vlucht, want het begrip moord fascineert me. Ik houd van griezelverhalen en ik schuw geweld in mijn teksten niet, maar moord, misdaad en geweld zijn toch vooral gereedschappen voor de humor. Velen gebruiken het geslachtsverkeer als gereedschap om leuk te zijn. Ik vind het leuk om schertsend en met een zekere ironie moord en lijfelijk geweld te hanteren.’

Die elementen staan in dienst van de humor en niet andersom. Humor kan en mag een doel op zich zijn?
‘Zo is het, ja.’

Hoe verhield u zich destijds tot de Nederlandse liedcultuur? In de jaren vijftig, zestig waren mensen als Willy Alberti en Johnny Jordaan populair.

‘Ik ben blij dat u dit aansnijdt. Het geeft me gelegenheid te vertellen dat ik in Rotterdam dikwijls naar een markt ging. Daar was ook een afdeling waar je oude platen kon vinden, helemaal grijsgedraaid. Het was in feite het klassieke levenslied, zoals je dat op straat hoort.’ (schraapt zijn keel en zet zijn lied ‘Goud… goud!’ in:) “Eens was ’k een werkman, vlijtig en tevreden. Ik had een vrouw, mijn allerliefsten schat. Maar toen berichten plots de ronde deden, dat men in het westen goud gevonden had, toen liet ik mij door het avontuur verlokken, omdat mijn hart begerig was en boud. Ik ben met haar terstond daarheen getrokken. Fortuna wenkte, goud, goud!” Enfin, ik doe het nogal pathetisch, want zo droeg ik het altijd voor, als de volkszanger, met veel gebaren en uitdrukking. Ik kocht zulke platen op basis van hun titel, draaide ze thuis op mijn tamelijk ouderwetse apparatuur en genoot met volle teugen van het pathos, de goedkope tragiek. Ik kon me ook heel goed voorstellen hoe het volk dat opzoog. Die stijl hanteerde ik zelf ook in een aantal nummers. “Het hart eener deerne” bijvoorbeeld. Later ging ik over tot meer hedendaags en sophisticated spul. Die levensliederen heb ik met intens plezier geschreven, juist omdat het een stijl was die volkomen buiten mij lag.’
 

U had er dan ook plezier in om op zeker moment, temidden van al het pathos, plotseling als schrijver op te duiken. In ‘Harde smart’ bijvoorbeeld verbreekt u de magie plotseling aan het slot.
‘Ja, hoe gaat dat ook alweer. “Ach, hoe blij werken wij aan de bijdragerij tot de rijmelarij.” Nee: “volkspoëzei”. Het is leuk dat u dat vermeldt, ik was het volkomen kwijt.’

Hoe hebt u de doorbraak van de rock-’n-roll ervaren? Die vond plaats tegelijk met uw debuut.
‘Ik heb er nooit met aandacht – laat staan met voldoening – naar geluisterd. Ik vernam het natuurlijk wel, het was niet te stuiten, maar het beviel mij volstrekt niet. Ik vond het industrieel en stomvervelend. De banaliteit van de melodieën, die dwangmatige maat, dat bom bom bom, dat volstrekt op effect gebaseerde gestamp. Ik vind het nog altijd stomvervelend, of het nu een wereldberoemd ensemble is of niet, het blijft armzalig, totaal onbeschaafd.’

Onbeschaafdheid trok u op een bepaalde manier aan. U schrijft veel over lichtekooien, dames van plezier. Ik heb begrepen dat u in uw studententijd regelmatig tijd in bars doorbracht met prostituees.

‘Die juffrouwen zaten in het café op uitkijk naar klanten. Natuurlijk wist je van het bestaan van zulke prostituees. Als student, zeker als corpslid, ging je nooit met zo’n dame het ledikant in, daar stond je boven. Anderzijds: wij gingen als student natuurlijk van kroeg naar kroeg. Je had de Schiedamse dijk, je had Katendrecht. Je had vele straten waar de prostitutie bloeide en in de cafés heerste een levenslustige stemming. Die prostituees waren naar mijn stellige opvatting dankbaar dat er nu eens een student langskwam die gewoon iets aanbood, een babbeltje maakte, zonder dat er absoluut geslachtsverkeer aan te pas moest komen. Ik wilde het zo normaal, zo onbeduidend mogelijk maken. Gewoon zoals je in de trein naast een passagier zit en praat over willekeurige, volstrekt beuzelachtige dingen.’

U hebt er verschillende liedjes over geschreven. Meest bekend ‘Quartier Putain’, over de rosse buurt in Amsterdam.
‘En “Ik heb m’n hart op Katendrecht verloren”: “’t Was in een woning in de Delistraat. Daar liet ik mij door vleierij bekoren, nu weet ik beter, maar het is te laat. Had ik maar nooit die dame aangekeken, was ik maar nooit die woning ingegaan. Helaas helaas, ik ben voor haar bezweken, en heb daartoe heel slecht gedaan.” Ik ben uitgegaan van het avontuur van iemand die op Katendrecht terecht komt, door een prostituee wordt binnengelokt en daar doet wat men in het algemeen doet met prostituees. Maar ik heb het – dat verzeker ik u plechtig – nooit op mijzelf betrokken.’

U voelde zich niet erg verbonden met dichters uit uw tijd, die naar uw smaak veel te veel het vrije vers hanteerden. Hoe zag u cabaretiers?
‘Ik voelde mezelf niet zozeer een conferencier, maar iemand als Wim Kan mocht ik graag gadeslaan. Sonneveld ook, tot op zekere hoogte. Hij was meer komiek dan Wim Kan. Wim Kan was spreker. Iemand die in de klas een verhaal vertelt, met kunde en een kwinkslag. Ik hield niet van conferenciers die grimassen maakten. Zo’n Toon Hermans, die vond ik goed genoeg voor zijn publiek. Ik heb eens met Wim Kan op een terrasje gezeten, zeer tot mijn genoegen. Het was een ongedwongen maar levendig gesprek. Hij stelde zich absoluut niet aan als ster, terwijl Hermans dat nauwelijks kon laten.’

De beschouwingen en observaties uit uw vroege liedjes maakten plaats voor meer absurde vertellingen als ‘Dodenrit’. Later zelfs voor liederen over groente en fruit. Zocht u de uitdaging meer in het rijmen zelf?
‘Wel, wat groente en fruit betreft: er was een radioprogramma dat probeerde groenten en fruit zoveel mogelijk aan het publiek op te dringen. Men wilde graag dat ik nummers schreef voor dat programma. Dat voorstel lachte mij tamelijk oorverdovend toe, want ik had tot dan absoluut geen boodschap gehad aan groente en vruchten. Ik dacht: verdomd, dat is een heel nieuw gebied, daar kan ik me op uitleven. Via andijvie of kropsla kun je allerlei humoristische mededelingen doen.’

Zijn die liedjes u dierbaar? ‘Cocosnoot’, ‘Ananas’, ‘Koolraap en lof, schorseneren en prei’?
‘Ananas was in feite een romantisch lied. (zingt) “Het was avond in Vera Cruz, en de stad was tot rust gekomen.” Enfin, nogal gevoelig. (zingt verder) “Ik voelde het verlangen dat ik in haar ogen las. Mocht u zich nog afvragen wat dat precies voor verlangen was.” (hij onderbreekt zijn lied:) Mijn belcanto is nogal versleten in de loop der jaren. “Dan kan ik u één ding vertellen, het was niet naar ananas.” En ananas sprak ik dan net zo pathetisch uit als in veel liederen de naam Amsterdam klinkt.’

Bent u als observator de mensheid beter gaan begrijpen of juist minder?

‘Ik geloof haast dat ik moet antwoorden: steeds minder. De mens – een tamelijk vaag en ruim begrip – is moeilijk te doorgronden. Je hebt talloze mensen die zich simpel laten omschrijven. Die zijn stom of boers of kwaadaardig. Maar er zijn veel kanten aan het menszijn die verrassen, onthutsen, of in ieder geval tot nadenken stemmen. Ik zie af van de Bijbel, die vertelt dat de wereld werd geschapen met alle lommer en bergachtigheid en windrichtingen, en dat God hem schonk aan Adam en Eva. Dat is een grotesk verhaal. Mij blijft wel bezighouden de vraag: zou het werkelijk waar zijn dat deze bol, die in het wereldruim gezien verdomd bijkomstig is, de enige woning is van redelijk denkende wezens? Waar is dan al dat vertoon van kometen en sterren voor nodig?’
Geeft u daarmee dat groteske verhaal toch een kans?
‘Dat geef ik geen kans, nee. Er was een stamhoofd, en dat heette Mozes. Hij wou zichzelf wat profileren en verklaarde dat zijn stam het uitverkoren volk was. Wie had het uitverkoren? God natuurlijk. Hij stelde priesters aan, en die schreven de Bijbel om het allemaal een beetje interessant en geloofwaardig te maken. De priesters waren in feite lid van een firma. Een godsdienst, zeker een monotheïstische godsdienst, is een bedrijf. Kijk maar naar het Vaticaan.’

Wat dat betreft is het woord een machtig wapen.
‘Ja, een heel machtig wapen.’

U bent gezegend met het feit dat de taal u nog altijd bijgebleven is.
‘Zonder de taal zou ik geheel ontredderd zijn. De geestvermogens gaan achteruit, onverbiddelijk, maar ik ben blij dat ik me nog samenhangend kan uitdrukken. Als ik dat kwijtraak, wat heb ik dan nog? Niets.’

Uw laatste zin moet een volzin zijn.
‘Ja. Ik geloof dat het tijd wordt. Hoe laat is het? Ja. Tien voor half vijf. Ik vrees dat ik langzamerhand toch afscheid zal moeten nemen.’