'Het land waar ik het meest nooit ben geweest'

Tjitske Mussche ,

Adriaan van Dis, kind van een Brabantse boerendochter en een Nederlands-Indische vader, maakte na lang aarzelen een televisieserie over het land dat zo’n grote rol speelt in zijn leven. ‘In Nederland was ik nooit bruin genoeg, maar daar hoorde ik er ineens bij.’

Adriaan van Dis is terug op televisie. Voor de achtdelige vpro-televisieserie Van Dis in Indonesië reisde hij samen met regisseur Hans Pool, met wie hij ook de serie Van Dis in Afrika (2008) maakte, naar het land dat zo’n grote rol speelt in zijn leven. De serie laat zien wat de erfenis is van de vroegere Nederlandse aanwezigheid in het hedendaagse Indonesië. In taal (de meer dan 7000 Nederlandse woorden die in het Bahasa Indonesia zijn overgenomen), in godsdienst (de spanning tussen christenen en moslims) en in politiek (het geestelijk erfgoed van de eerste president Soekarno). De betekenis van de kruidnagel na de monopolies van de Verenigde Oost-Indische compagnie, en de gevolgen van het wegtrekken van Nederlandse bedrijven voor de economie. Maar ook de door de Nederlanders ingezette ontbossing van Sumatra. Met als sluitstuk Bali en de gevolgen van de globalisering.

Maar tijdens de reis leerde Van Dis ook zijn familiegeschiedenis beter te begrijpen.
De schrijver van onder meer Nathan Sid, Indische duinen en Familieziek werd in 1946 in Nederland geboren als het ‘varkensroze’ kind van een Brabantse boerendochter en een Nederlands- Indische vader. Hij groeide op met drie bruine halfzusjes uit het eerste huwelijk van zijn moeder met een Indonesische man. Zij hadden jarenlang in Indonesië gewoond en de oorlog in kampen doorgebracht. Zijn moeders eerste echtgenote werd in 1944 door de Japanners onthoofd. Later ontmoette zij een voormalige Knil-militair die krijgsgevangene was geweest in een interneringskamp. Samen kwamen ze naar Nederland en kregen ze een kind, Adriaan. Zijn vader overleed toen Adriaan tien jaar oud was.
De Indië-boeken van Van Dis gaan onder meer over het opgroeien in een gezin dat getekend werd door trauma’s van een oorlog die hij als enige niet had meegemaakt. Het is de eerste keer dat hij Indonesië zo intensief heeft bereisd.

Aanvankelijk verzette u zich tegen het idee om een serie over Indonesië te maken. Waarom?
‘Omdat mijn moeder nog leefde. Ik heb haar altijd erg gespaard in mijn verhalen. Ik zeg altijd maar: Freud schreef ook pas over vrouwen toen zijn moeder dood was. Ze is in 2010 overleden. Maar mijn aarzeling kwam ook doordat ik de taal niet sprak. Ik vreesde niet zomaar een gesprekje op straat te kunnen voeren, van “hoe gaat het en wie bent u”, en dat vind ik juist belangrijk voor zo’n serie.’

U heeft uiteindelijk les genomen in het Bahasa, de officiële taal van Indonesië. Kon u zich daarmee redden?
‘Dankzij mijn taallerares kon ik voor vertrek honderd zinnen zeggen. “Fijn dat u ons wil ontvangen” en nog meer van dat soort prachtige binnenkomers. Eenmaal ter plaatse kon ik zo’n veertig procent verstaan. Er lag gek genoeg al wel een soort fundament, ik kende nog woordjes van thuis, uit het Maleis. Mijn ouders spraken dat vloeiend. Het was ook de rijstafeltaal in het repatriantenhuis in Bergen aan Zee, waar ik opgroeide. De taal van gezelligheid en van grapjes. Toen ik pas in Indonesië was, begon ik zelfs met een Indische klemtoon te praten. Ik deed mijn vader na met de klemtóón op de motór. Dat kroop onbewust in mijn tong. Ik merkte het gelukkig snel, maar ik schaamde me rot. Alsof ik een soort Tante Lienshow deed.’

Het Bahassa-Indonesia werd eind jaren twintig uitgeroepen als officiële taal van het toekomstig onafhankelijke Indonesië. Maar tot het zo ver was, in 1945, werd er vooral Maleis gesproken. Het land was weliswaar sinds 1814 officieel een kolonie van Nederland, Nederlands-Indië, maar het Nederlands is nooit de taal van de Indonesische bevolking geworden.

Waarom eigenlijk niet?
‘De kolonisten lieten alleen de mensen die ze nodig hadden tot hun taal toe, voor het handhaven van het gezag of om de blanke bovenlaag te dienen. Niet het gewone volk. We kwamen met de Bijbel en het kasboek in de hand, het uitdragen van cultuur heeft ons nooit geinteresseerd. Dat zijn dingen die ik nooit zo beseft heb. De gevolgen daarvan zijn nog goed zichtbaar, daarover gaat ook een hele aflevering. Er zijn bijvoorbeeld veel Nederlandstalige archieven in Indonesië, met documenten over de eerste aanwezigheid van de voc, de politionele acties en de civiele administratie van na de oorlog. Maar die kan bijna niemand lezen.’

In de serie noemt u Indonesië het land waar u ‘het meest nooit bent geweest’.
‘Ik ken het van de verhalen thuis, maar dat is Nederlands-Indië, niet het Indonesië van nu. Ik was er drie keer kort geweest, een keer voor een lezing en twee keer voor schrijversfestivals. Die keren tellen eigenlijk niet. Voor deze serie verbleef ik er in totaal drie maanden en in die tijd heb ik een ingewikkeld soort verliefdheid ontwikkeld. Het land ligt dichtbij, zowel in aangenaamheid als in onaangenaamheid.’

Waarin school het onaangename?
‘In Zuid-Afrika was het heel duidelijk. Ik ben niet zwart en ik heb geen beladen band met het continent, maar ik ben altijd geïnteresseerd geweest in daar waar culturen zich mengen, omdat ik uit een mengcultuur voortkom. In Indonesië was er minder afstand, ik maakte zelf deel uit van die mengcultuur. In Afrika was de omgang met mensen ook makkelijker. Als je daar een microfoon neerzet, loopt het hele dorp uit met een verhaal, het liefst een dat niet waar is. In Indonesië lijkt het wel of iedereen naar binnengaat, de deur op slot doet en last heeft van ernstige verlegenheid. Mensen zijn moeilijk te verleiden tot een verhaal en niemand zegt waar het op staat. Daar heb ik soms ontzettend de pest over in gehad.’

En het aangename?
‘Ik heb daar ook rondgelopen en gedacht: ik heb iets met die mensen, want ze lijken op mijn familie. Ik heb voor eenzestiende hun bloed. Niet dat je dat kan zien, maar je merkt het toch. Ik liet iemand foto’s zien van mijn drie bruine zusjes met daar tussenin mij als bol bleek ventje. Toen zei een meneer: maar je bent een Indische jongen! Gek genoeg deed me dat heel veel. In Nederland was ik nooit bruin genoeg, maar daar hoorde ik er ineens bij.’

Het was geen ongevaarlijke reis. Na de uitbarstingen van geweld tussen moslims en christenen vorig jaar zijn er nog steeds veel spanningen in Indonesië. In de eerste aflevering van Van Dis in Indonesië is te zien hoe Van Dis een bootreis maakt langs diverse eilanden, dezelfde die zijn moeder in 1933 maakte met haar eerste man. In Ambon mocht de crew niet van boord. Achteraf bleek er een bom van een fanatieke moslimgroepering aan boord te zijn.

Wat heeft u nog meer van die spanningen gemerkt?

‘Van tevoren was ons bijvoorbeeld al duidelijk gemaakt dat we niet naar Papoea mochten en liever ook niet naar Atjeh. We hadden op een gedeelte van de reis ook een soort spionne mee, van het ministerie voor Media en Filmzaken. Die komt je zogenaamd terzijde staan, maar rapporteert ook aan het ministerie als je stoute dingen doet. Normaal koop je zo iemand af, corruptie is daar heel normaal. Maar deze dame ging ook na betaling niet weg.’

Wat voor ‘stoute’ dingen zouden jullie kunnen doen?
‘Met Indonesiërs praten over gevoelige onderwerpen. Bijvoorbeeld over 1965, toen Soekarno aan de kant werd gezet, Soeharto aan de macht kwam en er zo’n half miljoen communisten of meer werd vermoord. Daarover wordt nauwelijks gepraat. En over de gevoeligheden tussen christenen en moslims natuurlijk. We merkten ook dat mensen met wie wij hadden afgesproken op het laatste moment afzegden. Een Indonesische researcher van ons team werd geïntimideerd. Indonesië is een broze democratie, je ziet goed wat de Soeharto-dictatuur de mensen aangedaan heeft. Ze weten ook weinig van hun eigen recente geschiedenis omdat het onder zijn bewind op school nauwelijks behandeld werd.

Is uw beeld van het land veranderd, gedurende de reis?
‘Ik ben geschrokken van het enorme verschil tussen arm en rijk. Er zijn daar mensen die de bumper van hun Mercedes laten vergulden. Maar ik kwam ook bij een 83-jarige oud-medewerker van het ministerie van Justitie die zijn huis met één gloeilamp moest verlichten. Het gaat economisch goed met Indonesië met een groei van zes procent, maar de kloof tussen rijk en arm neemt ook toe; ook in Indonesië zie je net als elders in de wereld een sociale apartheid ontstaan. Opmerkelijk was ook dat veel jonge mensen totaal niet weten dat er Nederlanders zijn geweest. Voor zover ze bezig zijn met de geschiedenis is het altijd het trauma van 1965. Maar wat misschien het meest is veranderd, is mijn kijk op het verleden. Ik ben bijvoorbeeld opgevoed met het idee dat Soekarno een duivel was, een veelwijver. Bordeelschrik aller continenten met als nevenberoep staatspresident.’

En daar denkt u nu anders over?
‘Het was vast een schobbejak, ongetwijfeld corrupt en beslist een veelwijver, maar hij heeft Indonesië wel naar vrijheid en onafhankelijkheid geleid. Soekarno’s staatsideologie, de Pancasila, is erg belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het land. Daarin werd voor het eerst de scheiding tussen kerk en staat, en de democratie vastgelegd. Zijn gedachtengoed is overigens ontwikkeld door het lezen van Nederlandse boeken. Die heb ik allemaal in de boekenkast van dat paleis zien staan.’


U heeft ook de Pakanbaroe-spoorlijn bezocht, waar uw vader als 27-jarige dwangarbeider aan heeft gewerkt.

‘Ja, negen uur rijden om bij een stuk ijzer uit te komen. IJzer dat mijn vader vermoedelijk heeft aangeraakt. Wat hem echt kapot heeft gemaakt, ligt op de bodem van de zee: het door de Britten lek geschoten troepenschip de Junyo Maru. Meer dan 6000 opvarenden, slechts 400 overlevenden. Vooral dat overleven heeft mijn vader op zijn zachtst gezegd merkwaardig gemaakt. Wat doe je als jonge drenkeling die een van de weinige reddingsplankje te pakken krijgt? Dan trap je iedereen van je plankje af. Ik ben opgevoed met een vader die ’s avonds in het donker lag te tellen, die gek was. Maar die spoorlijn, tja. Er stonden nog een oude locomotief stil in de rimboe te roesten. Toen ik die aanraakte, was ik kalm en rustig. Ik had het al als verhaal opgeschreven in Indische duinen. Ik denk dat alles draaglijk is in het leven als je er een verhaal van kunt maken. Letterlijk draaglijk, je kunt het meenemen.’

Maar u heeft nooit over het kamp van uw moeder geschreven.
‘Het komt wel terloops ter sprake in mijn boeken, maar het bezoek aan kamp Bankinan op Sumatra was emotioneel. Daar heeft mijn moeder met drie jonge dochters lange tijd in onzekerheid geleefd over het lot van haar eerste man. Op die plek is nu een school en ik vroeg aan de kinderen of ze wisten wat daar gebeurd was. “Ja,” zei een jongetje van zeven. “Hier hebben de Indonesiërs de Hollanders gevangen gehouden.” Dat was een beetje bezijden de waarheid, maar toen moest ik echt wegkijken. Ik houd niet van snikkende camera’s. Al die verhalen kwamen naar boven, al die kampliedjes die ik thuis hard meezong. Als jongetje wilde ik maar wat graag bij die oorlog horen. Nu ik daar stond, begreep ik de dingen plotseling ook beter. Ik heb vroeger geleerd dat je nagels een wit randje moesten hebben als je aan tafel ging, want “zij die zich verwaarlozen, gingen er het eerste aan.” Alles wat met properheid te maken had, werd altijd aan de oorlog en het kamp verbonden. Ordening, zelfdiscipline, jezelf niet verwaarlozen; juist onder barre omstandigheden moest je karakter tonen. Met die onzin ben ik opgevoed en dat kwam heel sterk terug.’

Vindt u het niet jammer dat u deze ervaringen niet meer met uw moeder kan delen?
‘Jawel, maar dan had ik me ook belemmerd gevoeld. Nu kan ik veilig over haar praten, over haar verscheurdheid. Mijn moeder was over de kleurlijn getrouwd, als 22-jarig meisje is ze verliefd geworden op een jongen die aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda studeerde en die zeer donker was. Toen ze het trappetje van het stadhuis afkwamen, liep half Breda uit. Het was in die tijd heel bijzonder dat een Hollands meisje zo’n donkere man trouwde. En toen ze in Indonesië kwam, bleek ze het leven van een soldatenvrouw te moeten leven, niet het koloniale leven van thee bij de gouverneur en een prachtige rijsttafel met keurige dames. Ze zat ver weg in de rimboe en als ze blanken tegenkwam keken die haar vaak met de nek aan. Dat een blanke man een bijvrouw heeft met een kleur was sociaal geaccepteerd, andersom niet.’

Bent u door deze reis anders gaan denken over uw ouders?

‘Het is heel gek wat afstand doet. Letterlijk, we zaten uren op een half lekke boot, hobbelden dagen over zeer slechte wegen, in die ongelooflijk kleffe hitte van 35 graden. Ik moest vier keer per dag een schoon overhemd aan. In die hitte hebben mijn ouders gewerkt, in een kamp gezeten. Ik ben er anders over gaan denken, de boosheid is voorbij. Maar dat heeft ook met het ouder worden te maken. Je maakt toch een verhaal waarin je ze kunt begrijpen. Mijn vader is niet meer alleen die wrede man, ik zie hem nu meer als een migrant in Nederland die zijn status had verloren en wanhopig vasthield aan iets wat er niet meer was. Die alles deed om bij Nederlanders in aanzien te komen door zich perfect te kleden, met twee centimeter manchet en de beste dassen. Maar niemand zag hem staan. Ik heb hem kleiner gemaakt, en daardoor kan ik nu van hem houden. Mijn moeder zag nooit iets als mijn vader gek werd, dan stond ze stevig de afwas te doen. Ik heb haar nu moediger gemaakt, omdat ik het toch bijzonder vind dat ze als 22-jarig meisje de keuze heeft gemaakt om naar Indonesië te gaan. Ik heb nooit beseft wat dat betekende.’

Is uw eigen Indië-proces met deze reis afgesloten?
‘Nee. Alhoewel ik na elk boek dat ik er over geschreven heb, dacht dat ik er wel klaar mee was. Er moet nog een groot boek over mijn moeder komen. Daar ga ik de komende vier jaar aan werken. Ik heb haar op haar tachtigste nog geïnterviewd en dat wil ik gebruiken. Na haar dood kwamen er allerlei boeken en foto-albums boven water die ik nooit gezien had. Die had ze verzwegen; mijn moeder was erg goed in dingen onder het tapijt vegen. Het boek zal gaan over de invloeden die zij moet hebben ondergaan in Indonesië, en wat ze daarmee gedaan heeft. Ach, Willem Frederik Hermans heeft eens gezegd dat een goed schrijver in wezen altijd het zelfde boek schrijft. Daar troost ik me dan maar mee.’