Portier, drummer, popdichter, etc.

Tjitske Mussche ,

Ton Lebbink was een van de eerste Nederlandse dichters die begin jaren tachtig zijn gedichten op muziek bracht. Hiphop avant la lettre.

In het Amsterdamse Café Helmers zit een wat verlegen man in een strakke fietsbroek achter een krant verscholen, zijn racefiets in het zicht tegen het raam. Naast de krant een glas jus d’orange. Ton Lebbink maakte begin jaren tachtig naam toen hij als een van de eerste Nederlandse ‘popdichters’ zijn werk op muziek zette en optrad met lichteffecten en een rookmachine. Een fenomeen. Het nummer ‘Voetbalknieën’ werd in 1981 zelfs een hit, tot zijn eigen verbazing. ‘Ineens wilde iedereen me.’ Maar net zo plotseling als hij er was, verdween hij van het podium. In tegenstelling tot popdichters Diana Ozon, Bart Chabot en Jules Deelder, die inmiddels tot de gevestigde orde van de poëzie behoren.
Toch blijft zijn naam opduiken in de verhalen over de punkscene. Hier zit Ton Lebbink, 68 jaar oud. Dichter, fietser. Én fitnessleraar. ‘Dat was ik in 1978 ook al en ben ik altijd blijven doen.’ Nu geeft hij steps en spinning aan oudere mensen, op muziek die hij op een cassettebandje opneemt van Radio 538. Trancenummers.

Sex Pistols
Eind jaren zeventig werkte Lebbink als portier bij Paradiso in Amsterdam. Lebbink: ‘De muziek was dood in die tijd. Die eindeloze drum- en gitaarsolo’s, de drugs en de glitter. Rock-’n-roll was decadent geworden,’ zucht hij. ‘En toen traden in 1977 The Sex Pistols op in Paradiso. Er waren honderd mensen, fantastisch was het! Toen begon de punk.’ Toch noemt hij zichzelf geen oud-punker. ‘Ik hoor niet graag bij een groep. Ik had ook niet zo veel met die politieke kant. Bovendien, ik was al 34 toen het losbrak, de anderen waren zeventien of achttien.’
Twee jaar later werd hij drummer in de internationaal succesvolle band Mecano van kunstschilder Dirk Polak. In die tijd probeert Lebbink ook voor het eerst zijn teksten uit. ‘Ik draaide Johnny Rotten per ongeluk op het verkeerde toerental. Toen dacht ik: daar kan ik mijn gedichten op kwijt. Zo ben ik maar wat gaan doen. Beat erbij, en uit het hoofd.’ Het was hiphop avant la lettre, met teksten als ‘Het gewone gezin / de start van het begin / dag schat, ik heb ontslag gekregen / de wekker, de polo, de a9, a 1 0 / wie niet weg is gezien, ik kom / duikbotenlucht / geldlucht / luchtkastelen’. Die deden het goed op de maandelijkse ‘Latente Talenten’- avonden in Paradiso waar allerlei opmerkelijke acts te zien waren. Al snel meldde zich een platenmaatschappij. Tijdens het opnemen van een plaat met Mecano maakte Lebbink samen met bandgenoten Cor en Theo Bolten en Piet Kooyman ook het album Luchtkastelen, waarop Lebbink zijn teksten declameerde. Hilversum 3 draaide de plaat, radio- en televisieoptredens volgden. ‘Stond ik ineens zomaar in het voorprogramma van Grace Jones in Carré!

Plastic tulpen
Van zijn vader moest Ton Lebbink na de ulo bij een bank gaan werken. ‘Gelukkig kon ik op mijn negentiende het leger in, en dus het huis uit.’ Schrijven deed hij van jongs af aan. ‘Toen ik zestien was hield ik van Toon Hermans. Dat vond ik leuke gedichtjes, grappig ook. Komrij, Carmiggelt en Bomans las ik ook. Humor vind ik belangrijk.’ In 1969 zag hij een dichtersmanifestatie in het Concertgebouw. ‘Daar stonden Jules Deelder en Johnny The Selfkicker op het podium hun teksten uit te schreeuwen, als verzet tegen de heersende trend van moeilijk en murmelend. Fantastisch vond ik dat!’ Maar het was pas bij het horen van The Sex Pistols, acht jaar later, dat Lebbink zijn eigen vorm ontdekte, op muziek. ‘In de dichterswereld kon niet iedereen het waarderen, ze vonden het geen poëzie. Toen ik op de Nacht van de Poëzie mocht optreden, deelde ik een kleedkamer met Drs. P. Die praatte niet eens met me.’ Lebbink toerde het land door, langs jeugdhonken en kraakpanden. In 1982 verscheen de tweede plaat Hongerwinter, waar ook Thé Lau aan meewerkte.
Maar halverwege de jaren tachtig hield hij het voor gezien. ‘Ik had er genoeg van, ik ontwikkelde me niet meer. Wekelijks van Appelscha tot Dedemsvaart gedichten brallen, het werd een baan. Spijt heb ik nooit gehad. Die zenuwen steeds voor het optreden, vreselijk! Ik ben verlegen. Op het podium niet, en bij het lesgeven in de sportschool ook niet. Maar op feestjes sta ik altijd aan de kant een beetje te kijken. En vóór optredens was ik dus heel zenuwachtig. Telkens weer. Dan vraag je je af: waarom doe ik dit?’
Toen er een vriend kwam die in de tulpen ging en vroeg of hij meedeed, was de keuze snel gemaakt. ‘Van die tulpen met lichtjes er in. Edelkitsch, dat was een rage toen. De lichtjes importeerden we uit China, de plastic tulpen uit Frankrijk. En dan zetten we ze zelf in elkaar. Steeds verfijnder.’ Dan vertelt Lebbink dat hij, voor hij in Paradiso portier werd, ook nog een tijdje samen met een vriend olieverfschilderijen opkocht van broodschilders uit Oost-Duitsland. ‘Daar zetten we dan onze eigen naam op en die verkochten we voor 300 gulden en een fles whisky aan Amerikaanse officieren in Duitsland. Het liep goed, rammelend van de flessen kwamen we terug. Het grappige is, op een gegeven moment ga je er zelf nog in geloven ook.’

Miljonair
Nu leeft Lebbink rustig met zijn vrouw hier in Amsterdam Oud-West. Eind jaren negentig werd hij nog miljonair, dankzij een investering in een computerbedrijfje –‘iets met applicaties voor telefoons’ – dat later de beurs op ging. ‘Ik had het geluk dat ik een vriendin met een rijke oma had, daarvan leende ik het geld voor die investering. Ik heb sowieso geluk gehad dat alles wat ik deed lukte. Op de een of andere manier kom ik altijd op het juiste moment in de juiste omgeving, denk ik. En ik heb altijd gedaan wat ik leuk vond.’
Schrijven is hij blijven doen, aan de keukentafel. Er verschenen nog twee bundels in eigen beheer, de laatste, Lekker lezen in 2010. ‘Ik heb ook nog zo’n veertig lezers die ik af en toe een gedicht stuur via de email. Ik vind het heerlijk om te schrijven, ik moet er vooral zelf om kunnen lachen.’ Heel soms leest hij ze nog voor, in Café Helmers of De Kring, met muziek. Maar eigenlijk liever niet. ‘Die zenuwen van tevoren hè!’ Bij het afscheid zwaait Lebbink nog even, voorzichtig. Dan stapt de voormalig schilderijenvervalser, Paradisoportier, popdichter, drummer, lichttulpenfabrikant en internetinvesteerder op zijn fiets. Op naar de sportschool.