Kind van de hel

Frank Mulder ,

'Vlucht uit Kamp 14' is het verbijsterende verhaal van een jongen die wist te ontsnappen uit een Noord-Koreaans strafkamp. Maar hoe het kamp uit hem moet komen, weet Shin Dong-Hyuk nog niet.

Eerlijk gezegd voel ik me nogal schuldig op dit moment. Ik zit hier tegenover Shin Dong-Hyuk, een dertigjarige Noord-Koreaan die acht jaar geleden ontsnapte uit het strengste strafkamp in zijn land en nu de hoofdpersoon is van een vreselijk indrukwekkend boek, geschreven door de Amerikaanse journalist Blaine Harden. Voor de promotie daarvan heeft Shin al dagen achtereen hordes journalisten voorzien van smeuïge ellende. Journalisten die alles wilden weten over zijn jeugd, de arbeid, de beulen, de trauma’s en hoe dat nou voelt, die nachtmerries. Hij kan niet meer, en volgens Harden staat hij op instorten. En nu moet hij mij te woord staan.
Zijn antwoorden zijn kort en mat. Na een kwartier rond ik af, want ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om hem nog langer lastig te vallen. Zoveel quotes heb ik niet nodig ook, in het boek staat alles al.
Shin is geboren als slaaf, letterlijk, in het jaar 1982. Maar in tegenstelling tot mensen die lijden onder het verlies van familie en vrijheid als ze worden opgesloten, wist Shin niet beter. Hij was er geboren, in de hel, in een wereld waar je moeder je grootste concurrent is op voedselgebied, waar kinderen elkaar moeten slaan als de leraar dat vraagt en waar je leert je vriendjes te verklikken als ze maïskorrels stelen. Shins ouders mochten een paar keer per jaar bij elkaar zijn. Gezinsleven kende hij niet, liefde evenmin. Zijn moeder sloeg hem met een schoffel, hij pikte haar eten. Hij had een oudere broer, maar ook die zag hij weinig. Het enige wat ertoe deed, was eten zoeken, want hij had permanent honger. ‘Alle dagen zagen er hetzelfde uit,’ zegt Shin, ‘vroeg opstaan, de hele dag werken, totdat de bewakers me vertelden dat ik moest slapen.’ Op school kreeg hij taal en een klein beetje rekenen, maar verder moest hij alleen werken. Altijd doorwerken, zonder klagen, of er nu eten was of niet.

Sociale versplintering
Kamp 14 is de beruchtste van de zes strafkampen, vertelt Blaine Harden, verslaggever voor Frontline en voormalig Aziëcorrespondent. ‘Het dient maar één doel,’ zegt hij, ‘en dat is terreur zaaien. De economie van het land is in elkaar gestort en de controle op informatie ook. De enige fundamenten van het regime zijn sociale versplintering en angst. Mensen weten dat je naar de kampen wordt gestuurd, samen met je familie, als je kritisch bent.’ Harden sprak in de afgelopen jaren vaak met Shin, maar ook met andere gevluchte gevangenen en bewakers. Er zijn er in de vrije wereld 26 bekend. Volgens hun gegevens en volgens satellietbeelden beslaat Kamp 14 tachtig vierkante kilometer. Er werken naar schatting 50.000 ‘onverbeterlijken’ in mijnen, in fabrieken en op boerderijen, tot ze er dood bij neervallen. In het boek geeft Shin talloze voorbeelden van hoe dat gaat, en hoe mensen die lastig zijn of fouten maken – zoals zwanger worden van een bewaker – zonder pardon worden doodgeschoten.
Over de wereld buiten het kamp wist Shin niets. Van Pyongyang had hij nooit gehoord, zelfs niet over de Grote Leider. ‘Daar worden Noord-Koreanen mee gehersenspoeld,’ zegt Shin. ‘Wij werden ook gehersenspoeld, maar dan met andere informatie. Ik werd vanaf mijn zesde gehersenspoeld met de kampregels.’
Eén van die regels is dat je wordt doodgeschoten als je probeert te ontsnappen. Dus toen Shin hoorde dat zijn moeder daar met zijn broer een plan voor aan het maken was, gaf hij ze aan. Hij was dertien. ‘Ik voelde niets voor haar,’ zegt hij. ‘Het hele concept zei me niets.’ Voor zijn ogen werd ze opgehangen en zijn broer werd gefusilleerd. ‘Ik vond het niet leuk dat er mensen werden gedood, maar verder voelde ik niets.’
Nu wel, nu hij vrij is en een beetje mens is geworden. Hij wordt verteerd door schuldgevoel, iedere dag. ‘Het is volledig mijn schuld wat er is gebeurd. Alles wat ik doe, doe ik om goed te maken wat ik heb gedaan.’

Mijn lichaam is uit het kamp, maar mijn geest is er nog. Ik ben heel langzaam op weg van een dierlijk leven naar een menselijk leven.

Shin Dong-Hyuk

Reizen en eten
Tot zijn schok werd hij niet bedankt voor zijn verraad, maar werd hij ondervraagd, gemarteld boven een vuur en acht maanden vastgehouden. Het was vreselijk, maar gek genoeg was het de cel waar zijn menselijkheid ontkiemde. Een medegevangene verzorgde die maanden zijn wonden en deelde zijn eten, en leerde Shin daarmee dat er iets bestaat als genegenheid. Hij vertelde hem over landen waar zoveel eten was dat je nooit honger hoefde te hebben. Dat had Shin nog nooit gehoord.
De man verdween uit zijn leven toen Shin weer naar school werd gestuurd. Maar vele jaren later, toen hij 22 was, kwam deze herinnering weer boven, toen hij in een naaifabriek een collega kreeg die hem opnieuw meesleepte met verhalen over reizen en over eten. In Shins voorstellingswereld was vrijheid gewoon een ander woord voor geroosterd vlees, schrijft Harden. De gedachte daaraan deed hem uiteindelijk besluiten te vluchten. Shins ontsnappingsverhaal is te wonderlijk om hier even samen te vatten. Het komt erop neer dat hij op de koude winteravond van 2 januari 2005 aan de buitenkant van het elektrische hek stond. In de ‘vrije wereld’ – maar wel midden in Noord-Korea, zonder kaart of plan. Met rondtrekkende werkzoekers wist hij bij de Chinese grens te komen. Een jaar later bereikte hij Zuid-Korea en van daaruit ging hij naar de Verenigde Staten.

Actie ondernemen
Het leven in de vrije wereld is heel moeilijk voor Shin. Hoe moet je met mensen omgaan? Waarom lachen mensen? Wat is vriendschap? Hij vond een warm thuis bij een christelijk Koreaans gezin in Californië. Daar bestudeerde hij wat ouders zoal doen, hoe vrienden praten en hoe je samenleeft. Hij sloot zich aan bij Koreanen die campagne voerden voor mensenrechten, en bij de kerk. ‘Het geloof helpt me om mijn verleden onder ogen te zien en de goede kant op te gaan.’ Al is het idee van een vergevende God voor hem nog net zo lastig als aardige mensen. ‘Ik begrijp het wel, maar ik vind het heel moeilijk. Ik weet nog steeds niet goed wat liefde is. Mijn lichaam is uit het kamp, maar mijn geest is er nog. Ik vertel de wereld over mijn herinneringen, maar daar krijg ik wel nachtmerries van. Ik ben heel langzaam op weg van een dierlijk leven naar een menselijk leven.’
Shin woont tegenwoordig in Zuid-Korea. Van daaruit vertelt hij de wereld dat de kampen, waar nog steeds 150.000 tot 200.000 mensen leven, een rol moeten spelen in de internationale onderhandelingen. Als ik hem vraag wat ik moet doen om goed te maken dat ik hem interview terwijl hij bijna omvalt, zegt hij: ‘Zorg dat mensen ontdekken dat de kampen bestaan. En dat ze niet alleen hun nieuwsgierigheid bevredigen, maar ook echt actie gaan ondernemen.’

Blaine Harden: Vlucht uit Kamp 14 (oorspr. Escape From Camp 14, vertaling Gerrit Jan Zwier, uitgeverij Balans)