Onaf het mooist

Mischa Andriessen ,

Het 43ste Poetry International Festival voert als thema ‘Het Onvoltooide’. Denk daarbij aan alles wat niet poëtisch werd afgerond: gedichten, oeuvres of loopbanen. Festivaldirecteur Bas Kwakman en programmeurs Correen Dekker en Marc Kregting ontleenden het thema aan de muziek.

‘Ik ween om bloemen in de knop gebroken / En vóór den uchtend van haar bloei vergaan.’ Deze beroemde regels van Willem Kloos bewijzen dat een dichter, maar evengoed een lezer, veel waardevols kan ontdekken in wat niet tot wasdom heeft kunnen komen.
Het is niet moeilijk te begrijpen waarom. Wat voortijdig afgebroken wordt, blijft eeuwig een belofte. Die zal niet worden ingelost, nee, maar ook niet worden gecorrumpeerd door latere misstappen. Was Arthur Rimbaud een even mythisch dichter geworden als hij niet zo jong met schrijven was gestopt? Stel je voor, tot aan zijn tachtigste elke drie jaar keurig een bundel. Zou hij tot aan het bittere eind een groot dichter zijn gebleven? Misschien, maar geen mythe.
Poetry International voert dit jaar ‘Het Onvoltooide’ als thema. Onvoltooide schrijverscarrières, onaffe of onvolledig overgeleverde gedichten, dichters die er maar niet in slagen een gedicht te vervolmaken. Zoals Samuel Beckett, die zijn laatste gedicht ‘Comment dire’ na vele versies liet bestaan uit één lange, stotterende zin die slechts zijn eigen eindigheid echoot. Of zoals Tonnus Oosterhoff, die geen keuze kon maken tussen twee woorden waarmee hij een gedicht besluiten kon. Hij koos voor beide door in een digitale versie van het gedicht beide mogelijkheden elkaar in een oneindige loop te laten afwisselen. Want het onvoltooide is natuurlijk niet altijd een tragedie, soms is onaf gewoon het mooist.

Nodig
Desgevraagd vertellen festivaldirecteur Bas Kwakman en programmeur Correen Dekker dat het idee voor het thema vanuit de muziek kwam. Franz Schuberts Unvollendete, het nooit volbrachte Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart of de Tiende symfonie van Gustav Mahler. Werken die later meer dan eens zijn ‘afgemaakt’ door vakbekwame componisten die nauwgezet de aanwijzingen van bijvoorbeeld Mahler hadden opgevolgd. Kwakman: ‘Zelfs als ze het precies zo hebben gedaan als de bedoeling was, blijven veel mensen toch geloven dat het in handen van Mahler of Schubert nog net een fractie beter geworden zou zijn.’ Dat roept de vraag op van wie een symfonie of een gedicht eigenlijk is? Van de componist en de dichter, of van de luisteraar en de lezer? Die vraag wordt fraai verbeeld in de beroemde speelfilm Il Postino. De postbode van het eiland waar de vermaarde dichter Pablo Neruda in ballingschap verblijft, gebruikt Neruda’s gedichten om het hart van een barmeisje te veroveren. Als Neruda hem daarover ter verantwoording roept, riposteert de postbode: ‘maar het zijn mijn gedichten, want ik had ze nodig.’
Kwakman brengt een vergelijkbare anekdote te berde: ‘Een kunstenaar had een schilderij gemaakt bij een gedicht van Hans Faverey. Toen hij het trots aan de dichter liet zien en uitlegde hoe hij het gedicht tot beeld had omgewerkt, merkte Faverey voorzichtig op: “Heel mooi, maar daar gaat mijn gedicht helemaal niet over.” Dat viel de kunstenaar rauw op het dak. Hij antwoordde woedend: “Wil je wel van mijn gedicht afblijven!”’


Onvolledig
Faverey stierf tamelijk jong. Dichters als Rimbaud en de Vlaamse junkie Jotie T’Hooft overleden op nog jongere leefijd. Rimbaud was toen zoals gezegd al lang met dichten gestopt. Hun oeuvres zijn voltooid in die zin dat ze er zelf geen werk meer aan toe kunnen voegen. Toch zijn in de nieuwe versie van Favereys Verzamelde gedichten veel niet eerder gepubliceerde gedichten opgenomen. Van T’Hooft is inmiddels ongeveer elke snipper papier die werd gevonden ook geopenbaard.
Andere oeuvres zijn onvolledig overgeleverd. Zoals dat van Sappho. Van de gedichten van deze in de zevende eeuw voor Christus geboren dichteres zijn enkel fragmenten bewaard gebleven. Dat dit tot de verbeelding spreekt, blijkt uit het feit dat één enkel vers – drie regels lang – alleen al in het Nederlands zo’n twintig, aanzienlijk van elkaar verschillende, vertalingen kent. De fragmentarische vorm die Sappho’s poëzie door de tand des tijds heeft gekregen, is uiteindelijk hét voorbeeld geworden voor veel hedendaagse poëzie. Niet het afgeronde verhaal met strikt rijmschema en metrum van het epische gedicht, maar het bewust onaffe met weglatingen, veel wit en vooral de nadruk op wat níet wordt gezegd, bepaalt nu het voorkomen van de poëzie. Die laat de lezer bovendien meer vrijheid tot interpretatie.
Dit jaar zal tijdens verschillende programmaonderdelen van het Poetry International Festival gezocht worden naar het antwoord op de vraag waarom dat zo is. Wat is er zo intrigerend aan het onaffe? Waarom vinden wij het onvoltooide veel aanlokkelijker dan onze voorvaderen dat vonden? Kwakman en Dekker beamen overigens dat dit zoeken geheel in overeenstemming met het festivalthema niet gebeurt vanuit de gedachte een sluitend antwoord op die vraag te vinden.

Menselijke maat
Wat wel zonder veel twijfel kan worden vastgesteld, is dat het publiek nu iets anders van kunst verwacht dan het publiek driehonderd jaar geleden deed. Alessandro Baricco heeft in zijn veelbesproken boek De Barbaren haarfijn uitgelegd dat tijdgenoten van Bach diens muziek waardeerden vanwege het vakmanschap van de componist en niet om de emoties die hij bij hen wist los te maken. Bij tijdgenoten van Schubert was dat precies andersom en zo is het nog steeds.
Misschien ook valt de fascinatie voor het onvoltooide samen met een andere belangrijke verschuiving in mentaliteit. Niet de almacht van het goddelijke is nu de leidraad, maar haar tegendeel: de menselijke maat. En wat is menselijker dan niet kunnen afmaken wat je begonnen bent? Dan hogere idealen koesteren dan je kunt waarmaken? Waarom dicteerde de doodzieke Mozart nog de noten van zijn Requiem? en waarom vertaalde Beckett, oog in oog met zijn naderende dood, ‘Comment dire’ nog in ‘What is the word’, waarbij hij niet precies het origineel volgde maar erop varieerde?
Het voltooien is voor stervelingen toch überhaupt een onmogelijkheid. Waarom deden ze niet als Rimbaud en gaven er vroegtijdig de brui aan? Een stuk of wat gedichten als rechtvaardiging van een bestaan en dan de hort op, de wereld rond, op jacht naar vrouwen, geld. Rimbaud liet zijn oeuvre bewust onvoltooid, was zijn tijd wellicht ver vooruit door in te zien hoe mooi het onaffe kan zijn. Bekeek wat hij geschreven had en vond het mooi geweest. Ook Beckett lukte het om een wondermooi falend gedicht te schrijven van één lange gebutste zin.’