Julius’ wandelingen

Dirk-Jan Arensman ,

'Open stad' is de stream-of-consciousness-roman van de Nigeriaans-Amerikaanse auteur Teju Cole. De hoofdpersoon dwaalt door Manhattan. Cole: ‘Hij rouwt om de verwoestingen die de stad heeft moeten doorstaan. It’s a book of mourning.’

‘Twee keer eerder…’ aarzelt hij, ‘kan dat kloppen?’ Teju Cole (1975) is zelf ook verbaasd dat dit pas zijn derde bezoek aan Amsterdam is. Want ooit was Nigeriaans-Amerikaanse auteur toch hard op weg een kenner van de Hollandse meesters te worden, met een proefschrift over Pieter Breughel in de maak?
‘Dat plan raakte nogal op een zijspoor door die romanschrijverij,’ zegt hij lachend. ‘Maar dat ik kunstgeschiedenis heb gestudeerd beïnvloedt nog steeds alles wat ik zie en schrijf. Kunsthistorici zijn waarschijnlijk de enige mensen die naar een stilstaand beeld kijken en er vervolgens tien pagina’s over vol pennen. Die geconcentreerde aandacht heb ik van hen geleerd. Bovendien trekt de Vlaamse en Nederlandse schilderkunst een bepaald type aan: mensen die niet worden verleid door de makkelijke charme van de Italiaanse Renaissance, maar door werken die vragen om interpretatie.’ Eerder symbolisch geladen vignetten dan gestolde verhaaltjes. ‘En wat totaal verschillende schilders als Van Eyck, Breughel en Rubens verbindt, is hun liefde voor de textuur van de werkelijkheid. Van Eyck legde de zichtbare wereld zo intens vast, dat het een daad van heilige getuigenis werd.’ Neem die kenmerken samen, en je hebt een aardig beeld van de schrijver en zijn briljante romandebuut.

Episodisch
Open stad heet het stream-of-consciousnessrelaas van Julius, een jonge psychiater van Nigeriaanse afkomst. ‘Een ietwat melancholiek iemand die, om redenen die hij niet kan of wil geven, door Manhattan dwaalt en rouwt om de verwoestingen die de stad heeft moeten doorstaan. It’s a book of mourning. Een indirecte reactie op de aanslagen van 11 september ook.’ Wat je leest zijn verslagen van Julius’ wandelingen, beschrijvingen van ontmoetingen en plekken. En terwijl je hem leert kennen als een eenzame, erudiete jongen met een voorliefde voor klassieke muziek en Franse filosofen, overdenkt hij de verborgen verledens van de stad en hemzelf (zijn jeugd in Lagos, vooral), die duistere kanten blijken te hebben.
Een episodisch boek is het, dat meer drijft op observaties, associaties en ideeën dan op een dwingende plot. Vernieuwend vonden Amerikaanse recensenten dat, tot Coles verbazing. ‘Dat komt denk ik doordat de Amerikaanse roman iets prachtigs is, maar wel rond 1880 is blijven stilstaan. Ze grijpen terug op Dickens of Austen, draaien om een verhaal vertellen, losse eindjes aan elkaar knopen en “personages scheppen”. Alsof het Europese modernisme nooit heeft bestaan!
Ik heb niet eens geprobéérd zo experimenteel te zijn als Virginia Woolf of James Joyce. Dan had geen sterveling me uitgegeven. Toevallig luisterde ik van de week naar een kwartet van Beethoven, Opus 131. Dat stuk klinkt nog steeds zo vreemd! Als je het op een muziekzender draaide, zouden de ouwe dametjes geschrokken hun radio uitzetten. Bijna 200 jaar later, en nog zijn onze oren er niet klaar voor. Zo gaat dat: een handjevol mensen doet een sprong voorwaarts, en vervolgens zijn wij een paar eeuwen bezig om hen in te halen.’

Palimpsest
Als je Cole hoort praten, is de gelijkenis met zijn verteller treffend. Zijn bedachtzame antwoorden zijn even doorspekt met verwijzingen naar, pakweg, J.M. Coetzee, Ingmar Bergman of Herman Melville. En Julius’ liefde voor Gustav Mahler heeft hij ook van geen vreemde. ‘Als student zat ik in een onlinegroepje van Mahler-fanaten,’ grinnikt hij. ‘Ons grootste levensdoel was drie goede opnames bezitten van al zijn symfonieën: een in mono, een in stereo en een in extreem high fidelity.’ Maar hij had de componist niet zo’n nadrukkelijke rol gegeven als hij en zijn muziek niet zo goed in het boek pasten. ‘Zijn symfonieën zijn allemaal doortrokken van het besef van zijn sterfelijkheid, composities als een langgerekt afscheid. Er is de link met New York, waar Mahler zijn carrière eindigde. En hij kwam erheen vanwege het antisemitisme in Europa, wat weer aansluit bij het onderliggende thema van vervolging dat in de hele roman doorklinkt.’
Dat laatste is ook een technische overeenkomst: ‘Ik wilde mijn roman opbouwen als een muzikale compositie, met thema’s en motieven die steeds terugkomen: vogels, vervolging of het idee dat New York stilletjes “bezet” is, op verschillende manieren wordt belaagd. Door zoiets triviaals als bedbugs of iets veelomvattends als het verleden dat altijd op de loer ligt.’
De stad als palimpsest, met laag na laag aan geschiedenis, Cole noemt het een van zijn obsessies. ‘New York doet altijd alsof het gloednieuw is en zogenaamd alles vergeten. Maar als je als het ware kunt “afstemmen” op bepaalde plekken, merk je dat historische gebeurtenissen er nog steeds aanwezig zijn. Een psychisch gewicht hebben dat op je neerdrukt.’
Een goed voorbeeld is dat gedenksteentje waar Julius op stuit. ‘Dat staat in een schijnbaar voltrekt neutrale omgeving, tussen hypermoderne kantoorflats. Maar ooit was dat hele gebied één groot kerkhof, waar de lichamen van 20.000 zwarte slaven begraven liggen.’ Sporen van ‘voorbije’ gruwelijkheden dus, die tegen het eind van het boek een persoonlijke spiegeling krijgen als Julius wordt geconfronteerd met een schokkend beschuldiging van een Nigeriaans meisje uit zijn geboortestad.

Kranten van 1912
Een ander terugkerend element: de vele gesprekken met wat je de ‘onzichtbaren’ kunt noemen, van een Haïtiaanse schoenpoetser tot die semiradicale Arabische intellectueel in een Brusselse belwinkel. ‘Als je naar een televisieserie als Friends kijkt, is iedereen jong en blank; gezond, aantrekkelijk en nog betrekkelijk gelukkig ook. Als ik dat zie, denk ik: welk New York is dit? Niet het New York dat ik ken in elk geval! Daar kun je in de bus naast twee oude vrouwtjes zitten die Jiddisch praten. Er komt iemand binnen in een rolstoel, geholpen door een homostelletje. Mensen dragen een tulband of een nikab... En al die mensen, die je meestal zo voorbijloopt, hebben hun eigen complexe achtergrond en verhaal.’
Tot slot hebben we het over Coles Twitterproject Simple Fates, waarvoor hij bijna dagelijks de New Yorkse kranten van 1912 doorspit op kleine berichtjes over alledaagse rampspoed, die hij vervolgens samenvat. Zo lees je @tejucole: ‘Terwijl mevrouw Adams uit Greenville probeerde haar twee jongens te redden, die beide een fatale slangenbeet opliepen, viel hun zus in een wastobbe en verdronk.’ Of: ‘Tijdens de wake voor zijn overleden vrouw en kind aan West 49th Street vatte Warners huis vlam. Hij ontsnapte. Zij werden gecremeerd.’
In de kern zijn die zwartkomische tweets volgens Cole onderdeel van hetzelfde project als Open stad. ‘Deep down ben ik een historicus. Daar ligt mijn preoccupatie: bij het wonder dat al die individuen hebben bestaan. Complete “kleine” levens, universums van sensaties, dromen en verlangens die allemaal verdwenen. De ultieme Small Fate zou ook luiden: “Alle overlevenden zijn nu dood.” Dat is de zoem op de achtergrond. Als iemand in zo’n berichtje wordt gered uit een brandend gebouw, is dat fijn. But… he’s dead nów! Net als de brandweermannen, de omstanders en de journalist die het verslagje tikte... Uiteindelijk schijf ik ze daarom: om het mysterie van leven en dood te begrijpen.’