Boeken schudden

Jeroen van Kan ,

Tweedehands boeken hebben al een heel leven achter de rug. In de beste gevallen getuigen ze ook van dat oude leven. Briefjes, foto's, ansichtkaarten... Jeroen van Kan schudde een aantal van zijn oude boeken uit.

Hoewel er vele redenen aan te voeren zijn voor het verkiezen van antiquarische boeken boven nieuwe, is er toch eentje die speciale aandacht verdient. Het nieuwe boek heeft nog geen geschiedenis, begint zijn leven pas op het moment dat de koper het openslaat, het beduimelt, er een papiertje tussensteekt, er een staatslot in bewaart of een bankbiljet. Er zijn mensen voor wie de aantrekkingskracht van het nieuwe boek juist daarin bestaat, in het feit dat het pas begint te leven als het van jou is, als jouw handen op de rug een rimpel hebben veroorzaakt, jouw naam voorin is geschreven en die bruine vingerafdruk op bladzijde 352 voor altijd zal blijven getuigen van het eten van een stuk chocola op een voorjaarsmiddag in 1996. Jij vindt een weerslag in het boek. Het boek als recorder. Het beduimelen en anderszins van persoonlijke kenmerken voorzien van een nieuw boek is voor veel mensen een soort toeëigeningsritueel, een manier om het boek op te nemen in de eigen sfeer, te initiëren.

  

Heel anders is het gesteld met het antiquarische boek. Dat heeft immers al een heel leven achter de rug alvorens het in jouw handen terecht komt. Soms hebben twee opeenvolgende eigenaren er hun naam in geschreven. Soms vermeldt het plakkertje van de boekhandel waar het ooit gekocht is, valt een klein deel van de omzwervingen te reconstrueren die het boek heeft gemaakt voordat jij het in handen kreeg.

  

De nieuwe boekenkopers en de antiquarische boekenkopers zijn twee verschillende typen. Het antiquarische boek komt tegemoet aan hele andere persoonlijke behoeftes dan het nieuwe. Gebruikte boeken zijn juist zo aantrekkelijk omdat ze al een heel leven achter de rug hebben. In het beste geval getuigen ze ook van dat leven, geven ze iets prijs van het parcours dat ze hebben afgelegd. Dat kan zijn in de vorm van een naam, of een willekeurig papiertje dat is achtergebleven in een boek. In sommige gevallen is er meer, heeft een vorige eigenaar aantekeningen gemaakt, brieven bewaard in het boek, een foto tussen de bladzijden gestopt.

 

Een paar geïllustreerde voorbeelden: 

In mijn exemplaar van Der Tod in Venedig (uitgegeven in 1925) is een tramkaartje van het Rotterdamse openbaar vervoer blijven zitten, zo te zien eveneens afkomstig uit de jaren twintig. Je ziet de man zitten in de tram. Hij heeft net in de nog lang niet gebombardeerde binnenstad van Rotterdam een boek gekocht dat hij onderweg naar huis doorbladert. Hij heeft ook andere boeken van Thomas Mann gelezen en is nu erg nieuwsgierig. Vooral dat Venetië een voorname rol speelt in het boek boeit hem zeer. Dat lijkt hem de mooiste stad ter wereld, ook al is hij er nooit geweest. Ooit zou hij zijn vrouw nog eens mee willen nemen naar die stad, als zijn kantoor hem ooit eens genoeg tijd vrijaf zou geven en hij ooit over voldoende spaargeld zou beschikken om zo’n reis te kunnen bekostigen. Natuurlijk, hij weet ook wel dat er weldra kinderen zullen komen en dat de kans dat zijn Roosje en hij Venetië zullen zien daardoor flink zal afnemen, maar dagdromen zijn niet verboden.

 

Als de conducteur is langsgeweest en hij een kaartje heeft gekocht stopt hij het stukje papier tussen de bladzijden, slaat het boekje dicht en kijkt naar buiten. Nog twee haltes en hij is thuis. Hield het maar eens op met regenen. 

Mijn exemplaar van Eckermanns Gespräche mit Goethe was doorschoten met dunne velletjes papier waarop citaten uit het boek nauwkeurig waren overgetypt. De velletjes bevonden zich op de plaats waar de citaten waren aangetroffen.

 

Hoewel alle citaten bijelkaar (het zijn er naar schatting zo’n dertig) iets zeggen over degene die ze uit het boek lichtte, werd ik toch vooral getroffen door de nauwgezetheid waarmee de citaten aan het origineel waren onttrokken. De passages waren keurig uitgetypt op velletjes met speciale afmetingen en alle velletjes waren keurig voorzien van gegevens omtrent de herkomst van het citaat. En nergens was een typefout gemaakt, nergens een x’je door een verkeerd getikte zin geslagen. Zoveel nauwgezetheid is bijna ontroerend. 

De man heeft Punt in rust geschreven, dat is uitgegeven in België en dat samenhang vertoont met een passage uit Schopenhauers Parerga und Paralipomena (een werk dat bestaat uit vele losse onderdelen en dat werkelijk over alles gaat, van de onverkwikkelijkheid van vrouwen tot Griekse mythologie en van de terreur van lawaai tot de wijsgerige warhoofden Hegel, Fichte en Schelling). ‘Slaat precies op mijn opstel,’ schrijft de man, die zichzelf alleen kenbaar maakt in de initialen M.S. Nogal hooghartig om de woorden van Schopenhauer op zijn opstel te laten slaan, zou je zeggen. Het verscheen bijna honderd jaar na Schopenhauers dood, in 1971. Je zou er ook een filosofische vraag van kunnen maken: stel dat ik nooit kennis heb genomen van de Westerse beschaving, opgroei in een primitieve gemeenschap en op een dag de wetten van de zwaartekracht ontdek, ben ik dan net zo briljant als Newton? Nog briljanter omdat ik mijn ontdekking heb gedaan zonder ooit kennis te hebben genomen van wat door natuurkundigen voor mij is gedacht? Of is timing een integraal onderdeel van het geniale en heeft elke ontdekking een vaste plek op de tijdlijn?

Ik heb niet kunnen achterhalen wie de man is geweest die zijn sporen heeft nagelaten in mijn exemplaar van Schopenhauers boek. Ik heb alleen de collectie onderstreepte passages (bijna allemaal een verwording aan de kaak stellend, van de teloorgang van het correct spellen tot de verwildering der zeden) en het negatief van een foto. Geen idee in welk verband de foto en de man tot elkaar staan. Als er iemand is die weet wie Punt in rust heeft geschreven, een filosofisch werk uit 1971, en weet wie deze dankzij Photoshop nu ook in positief zichtbare mannen zijn, laat het me weten. 

Insel Verlag gaf in 1910 een selectie uit het werk van Goethe uit. De zes delen kwamen antiquarisch in mijn bezit en bleken eigendom geweest te zijn van Sam Goudsmit, schrijver van naturalistische romans en novellen over het joodse volksleven. In de boeken bleken zich gedroogde bloemen te bevinden. Ook dat vond ik ontroerend. Iemand heeft ze de moeite van het bewaren waard gevonden. De kinderen van Goudsmit? Zijn vrouw, aan wie hij de bloemen cadeau had gedaan op een zonnige middag?  Goudsmit zelf, na het plukken van bloemen in de tuin of langs de waterkant? Moesten ze de herinnering aan een mooi moment vasthouden, of ging het om de bloemen zelf? Waar zijn ze geplukt? Wie gaf ze aan wie? Zijn ze toevallig opgeborgen in het verzameld werk van Goethe of was daar een reden voor? Waarom tussen de bladzijden van Die Wahlverwandschaften? Dat kan toch haast geen toeval zijn, gezien de rol die de tuin en het tuinieren spelen in dat boek.

Hun recorderfunctie zijn de bloemen kwijt, maar ik zal ze altijd bewaren. Een soort klein eerbetoon, ook al kan het drogen van die bloemen ook best iets heel achteloos geweest zijn. Een kind dat ze in een boek stopt en er nooit meer naar omkijkt. Maar goed, je krijgt niet vaak de kans achteloosheid goed te maken, zeker niet die van een ander. 

Het is geschreven door de Gentse sociologe Marthe Versichelen, het heet Sociologie, studie van de maatschappelijke organisatie, is verschenen in 1975 en was eigendom van Marina Declercq. Ik trof het ooit aan in een kartonnen doos vol onverkoopbare boeken, achtergelaten na een Koninginnedag ergens midden jaren tachtig.

  

De reden dat ik het mee naar huis nam had niet zozeer met de inhoud te maken alswel met de manier waarop Marina met het boek was omgegaan. De tekst was integraal onderstreept, bijna van kaft tot kaft. Het voorwoord en het register waren gespaard gebleven, maar de rest van de tekst was vrijwel in z’n geheel onderstreept. Dat fascineerde me.

  

De methodiek van Marina valt niet meer te reconstrueren. Te zien is dat ze een liniaal gebruikte en dat ze gebruik maakte van de kleuren rood, blauw en groen. Je zou zeggen dat ze daarmee probeerde de informatie op een bepaalde manier te structureren, maar dat blijkt bij nadere bestudering toch niet het geval te zijn. Er is geen wezenlijk onderscheid tussen de groen, rood en blauw onderstreepte woorden en zinnen, niet in onderwerp, niet in woordsoort, niet in grammaticaal opzicht, enzovoort. De kleurkeuze lijkt kortom willekeurig. Een vreemde gril voor iemand die zo nauwkeurig te werk gaat. Misschien bediende ze zich van drie kleuren om esthetische redenen. Als je niet door kunt dringen tot de inhoud kan je een tekst nog altijd versieren.

  

Wie integraal onderstreept kan toch niet veel begrepen hebben van een tekst, zou je zeggen, maar misschien ben ik te streng voor Marina. Misschien was Marina heel bang een tentamen niet te halen en zorgde die angst er voor dat ze met bijna hysterische concentratie te werk ging, alles even zwaar wegend, alles zich eigen makend door gebruik te maken van het onderstrepingsritueel. Onderstreping als bewijs dat de tekst is geleerd en onthouden. Maar dat verklaart nog niet het gebruik van al die verschillende kleuren.

 

Ben benieuwd hoe Marina in haar verdere leven boeken heeft gelezen en of ze zich los heeft kunnen maken van het onderstrepen. Zoeken via een handvol search engines levert gegevens over twee Marina Declerqs op. De ene is een Franse dichteres, de andere werkt bij het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn in het Belgische Beerse.

Zelf ook iets aangetroffen in een boek? Een oud staatslot, een chocoladewikkel, een rekening, een briefje, een foto... Vertel het ons hieronder.