Te ver vooruit

Jeroen van Kan ,

Het was gisteren precies zeventig jaar geleden dat de Poolse schrijver Bruno Schulz werd doodgeschoten. In de serie ‘Roos en graven’ van website Tzum bezoekt Roos Custers zijn graf in Drohobycz.

Roos Custers schrijft: ‘De fotograaf en ik móésten hier dus wel naartoe, maar naar Drohobycz willen is één ding, er geraken een tweede. Goddank beschikt de fotograaf over een degelijke auto en voldoende rijervaring om de Oekraïnse wegen vol gaten te trotseren. En met slechts een kapotte voorruit bereikten we na een lange tocht dan ook het verre oord.

 

En daar sta je dan, op het marktplein, omringd door welwillende Oekraïners maar niet in staat een paar woorden met hen te wisselen. De naam Bruno Schulz bleken ze allemaal te kennen (dat viel uit hun lichaamstaal op te maken) maar wat er vervolgens over hem werd gezegd, wáár onze speurtocht naar de schrijver moest beginnen, bleef in mistige klanken gehuld. In de lokale boekhandel hadden we meer geluk: er was nog 1 exemplaar van een zwaar door vocht beschadigd boekje te koop over Schulz in Drohobycz.’

 

Schulz werd in 1942 doodgeschoten door een Gestapo-agent, vijftig jaar oud. Hij liet een oeuvre na dat geldt als een geheimtipp en in Nederland werd vertaald door Gerard Rasch en werd uitgegeven door Meulenhoff.

 

In 1993 maakte Michaël Zeeman dezelfde reis naar Drohobycz, waarvan een verslag te lezen valt in Aan mijn voormalig vaderland, een keuze uit de kritieken en essays die hij schreef voor de Volkskrant. Later schrijft hij over het werk van Schulz:

 

‘De Pools-joodse schrijver Bruno Schulz is zo’n schrijver die vanaf zijn eerste gepubliceerde verhaal, en vermoedelijk zelfs nog eerder, toen hij er alleen nog maar over praatte, de belangstelling trok van andere schrijvers: a writers’ writer, iemand die respect afdwingt bij zijn vakgenoten. Dat hij een groot en oorspronkelijk talent had, dat je zijn verhalen niet of slechts op een vrijblijvende maniere kon vergelijken met het werk van andere, bekendere schrijvers, was meteen duidelijk toen hij in het begin van de jaren dertig zijn eerste verhalenbundel publiceerde, De kaneelwinkels. Zo schreef iemand: het was alsof er een nieuw element aan het periodiek systeem van de literatuur moest worden toegevoegd.’

 

Zeeman merkt vervolgens op dat over dergelijke schrijvers doorgaans wordt opgemerkt dat ze ‘hun tijd ver vooruit zijn’. Dat is wellicht na zeventig jaar wat moeilijk vol te houden, tenzij hij zijn tijd dermate ver vooruit was dat hernieuwde aandacht vroeg of laat moet komen. Ik betwijfel het, eerlijk gezegd. Schulz zal een writers’ writer blijven. De ideale geheimtipp.

 

Lees het volledige verslag van Roos Custers op de website van Tzum.