Herta versus Mo

Jeroen van Kan ,

‘Een klap in het gezicht voor iedereen die zich inzet voor de democratie en de mensenrechten.’ Dat zegt Herta Müller (Nobelprijs 2009) over Mo Yan (Nobelprijs 2012). Zij kwalificeert de keus voor Yan als ‘een catastrofe’.

Aan de basis van haar kritiek ligt de trouw die Mo Yan in zijn werk zou betuigen aan het regime in China. Ook kunsteraar Ai Weiwei liet zich in oktober al kritisch uit over Yan: ‘Hij volgt overduidelijk de partijlijn en toont weinig respect voor de onafhankelijkheid van intellectuelen.’
 
Müller deed haar uitspraken in de Zweedse krant Dagens Nyheter, afgelopen weekend. Of ze nu gelijk heeft of niet, haar felle oordeel wordt haar ongetwijfeld ingegeven door haar achtergrond: Müller groeide op in Roemenië. Ze werd met de dood bedreigd door veiligheidsdienst Securitate, haar boeken werden gecensureerd en ze vluchtte uiteindelijk naar het westen.
 
Onderstaand interview met Herta Müller had ik in 2010 met haar, toen het internationele vliegverkeer werd geteisterd door een IJslandse aswolk. Haar essaybundel De koning buigt, de koning moordt was toen net in Nederlandse vertaling verschenen.
 
Helemaal onderaan: een radiogesprek met haar.

Zwijgen of schrijven, in gesprek met Herta Müller

Woorden worden alleen dan gebruikt als het echt noodzakelijk is, als het werk dat gedaan moet worden coördinatie vereist. Ook dan wordt alleen het hoognodige gesproken, worden woorden zo spaarzaam gekozen dat het lijkt of de voorraad plotseling op kan raken, alsof het rantsoen niet onuitputtelijk is. Soms, als de gezamenlijke arbeid geen coördinatie vereist, dan kunnen twintig, dertig mensen uren achtereen zwijgen. Zo is het dus als mensen het spreken verleren, denkt Herta Müller als ze kijkt naar hoe de mannen zwoegen. Als ze klaar zijn, dan zijn ze al hun woorden voorgoed kwijt geraakt.
 
‘Als je het echt niet meer uithoudt, ruim dan de kast op,’ zegt Herta’s oma tegen haar moeder. Zoek geen woorden voor je gevoelens, maar bezweer ze met nutteloze handelingen. Haal alle kleren uit de kast en vouw ze één voor één weer op.
 
‘Wat je doet, moet niet met woorden verdubbeld worden,’ schrijft Müller in haar essaybundel Der König verneigt sich und tötet, die in vertaling is verschenen bij De Geus onder de titel De koning buigt, de koning moordt. ‘Woorden staan het lichaam in de weg.’ Bij Müller werkt de bezwering niet. Het lukt haar niet zich zodanig te verliezen in de handelingen dat de woorden in haar hoofd luwen. Dat wat je nu denkt, mag je niet denken, kun je aan niemand toevertrouwen, spookt door haar hoofd. Ze is bang. Redeloze angst vooralsnog. Want waar zou ze bang voor moeten zijn? Haar moeder zingt een liedje voor het slapen gaan, de lakens knisperen als ze haar bed in kruipt en de warmte van de kachel is behaaglijk. 
 
De lobby van het hotel is vol toeristen en zakenmensen die vanwege de IJslandse aswolk het land niet kunnen verlaten, maar ook hun hotelkamers niet meer in kunnen. Ze wachten. Hoeden hun koffers als een kudde, zetten ze steeds weer anders neer om zo min mogelijk beslag op de ruimte te hoeven leggen.
 
In een klein kamertje naast de lobby zit ik tegenover Herta Müller (Roemenië 1953). De kleine tournee door Nederland heeft haar zichtbaar uitgeput. Als haar gezicht af en toe openbreekt in een lach, dan oogt ze meteen tien jaar jonger, maar zodra die verdwijnt ziet ze er afgetobd uit.
 
'Ja, die angst. Ik groeide op in een omgeving die me vijandig gezind was. Zo voelde ik dat. Als kind was ik voortdurend alleen. Ik had de hele dag niets anders te doen dan op de koeien passen. Een verantwoordelijkheid die veel te groot was voor mijn leeftijd, want als de koeien naar het weiland zouden lopen dat eigendom was van de staat, dan zou ik ze niet tegen kunnen houden. Tegelijkertijd wist ik dat dat mijn ouders zou ruïneren. Als de koeien op dat veld zouden grazen, dan zouden m’n ouders voor straf zoveel geld moeten betalen dat ze meteen bankroet zouden zijn. Ik voelde me verloren. Bang. Het interesseerde m’n omgeving niets hoe ik me voelde. Ik sprak met planten. Als ik dat deed, me terugtrok in een fantasiewereld, voelde ik me pas geborgen.’
 
De herkomst van al die onbenoemde angsten ontdekt ze pas later. Veel later. Als ze nog een kind is, ligt de hele familiegeschiedenis nog veilig opgeborgen in het grote zwijgen. Later kiest ze anders dan haar ouders voor het spreken, voor het vinden van woorden, beschrijft ze de tragedie die achter het zwijgen verborgen werd gehouden.
 
Müller komt uit de Banaat, een kleine Duitse enclave in Roemenië, voornamelijk bestaande uit boeren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heerst Antonescu. Roemenië is een fascistische staat. Dan komen de Russen. Van de ene op de andere dag zijn de Duitsers van de Banaat misdadigers, met terugwerkende kracht verantwoordelijk voor de schade die de USSR in de oorlog heeft opgelopen. Alle Duitse families krijgen een oproep. Iedereen die in staat is te werken moet zich melden. Onder erbarmelijke omstandigheden worden ze te werk gesteld in kampen in de Sovjet Unie. Sommigen keren jaren later terug, sommigen overleven het niet.
 
In het nieuwe communistische Roemenië vormen de Duitsers een gehate minderheid. Ze kunnen alleen overleven als ze zich gedeisd houden. Werken op het land en zwijgen.
 
Ze blijft niet lang in het dorp. Op haar vijftiende vertrekt ze naar de grote stad, om daar het gymnasium te bezoeken. Dan pas maakt ze zich het Roemeens echt goed eigen. Na haar opleiding gaat ze werken in een fabriek, leert nieuwe mensen kennen, trouwt met de man op wie ze verliefd wordt. Ver verwijderd van haar familie, durft ze de woorden voor het eerst op te schrijven. ‘Misschien begon ik daar juist mee vanwege de zwijgzaamheid waar m’n ouders me altijd mee hadden omringd, juist omdat alles ongezegd moest blijven. Maar die zwijgzaamheid hing ook samen met het milieu. Daar waar zware lichamelijke arbeid verricht wordt, is er geen behoefte aan veel woorden. Het lichaam dient het werk, niet de taal. Je zoekt geen woorden voor wat je meemaakt.’ Ze stopt even om een Amerikaanse voorbij te laten die een koffer ter grootte van een bescheiden vakantiebungalow achter zich aan zeult. ‘Eigenlijk weet ik niet wat beter is, zwijgen of spreken. Verwoorden of ongezegd laten. Kijk, het verwoorden maakt ook zichtbaar, heeft de kracht het verleden manifest te maken. Ineens is het verleden onontkoombaar. Je ziet het ook bij veel overlevenden van concentratiekampen, dat ze bewust kiezen voor het zwijgen omdat spreken te pijnlijk is. Verwoorden betekent ook dat je het opnieuw moet doormaken. Veel overlevenden voelen dat ze die dijk niet moeten doorbreken, dat het beter is het stuwmeer intact te laten. Alleen dan kunnen ze verder met hun leven.
 
‘Ik heb nooit bewust gekozen voor het schrijverschap. Toen in eenmaal in de stad woonde begon ik boeken te lezen. Ik leerde mensen kennen die schreven. Toen ik zelf ook ging schrijven, deed ik dat in eerste instantie alleen voor mezelf. Mijn leven was in alle richtingen uitzichtloos. De securitate bedreigde me voortdurend met de dood, vrienden van me werden vermoord, werden in hun eigen huizen opgehangen zodat op de overlijdensaktes kon worden ingevuld dat ze zelfmoord hadden gepleegd, m’n vader stierf, m’n huwelijk mislukte, ik vroeg me steeds af of ik de volgende dag nog zou leven… Uiteindelijk begon ik met schrijven om te overleven. Over het dorp. Over m’n ouders. Waar kom ik vandaan? Wat is er eigenlijk gebeurd? Wat is mijn plaats in dit alles? Ik was onzeker, zowel in het dorp als in de stad. Ik hoorde niet in het dorp, maar ook niet in de stad. Om alle angsten en onzekerheden te bezweren begon ik dingen toe te vertrouwen aan het papier. Schrijven stelt je in staat met jezelf in het reine te komen. Maar het meest tragische is dat die particuliere functie ervan alleen in de handeling kan bestaan. Schrijven helpt alleen terwijl je het doet. Het is de toestand die heilzaam is, niet het resultaat. Na afloop is er niks veranderd. Werk waarmee je je identificeert geeft houvast, zolang je je er aan overgeeft, maar daarna sta je weer met lege handen.’ 
 
Zwijgen of spreken. ‘Met woorden in de mond vertrappen we net zoveel als met voeten in het gras. Maar dat geldt ook voor het zwijgen.’ Zo vat ze de paradox van haar schrijverschap samen in Der König verneigt sich und tötet, essays die allemaal rond hetzelfde grondthema cirkelen: hoe kan ik me nog normaal verhouden tot de wereld, als ik die wereld alleen kan bezien vanuit het gedeformeerde perspectief van iemand die onder een repressief regime heeft geleefd?
 
‘Literatuur komt altijd te laat. Het boek verandert niets. Zo de literatuur iets vermag, dan is het met terugwerkende kracht. Je kunt werkelijkheden zo verbeelden dat ze in retrospectief betekenis krijgen voor het heden. Je kunt mensen een verhaal voorhouden dat ze iets zegt over hun eigen leven, ze misschien zelfs dwingen tot nadenken, maar het verloop van die onverbeelde werkelijkheid laat zich niet beïnvloeden met fictie.’
 
Hoewel vrijwel al haar boeken gaan over de slachtoffers van het regime van Caeucescu, over de absurditeiten die een totalitaire staat nodig heeft om te functioneren, over hoe die absurditeiten ook de hoofden van de mensen binnen sijpelen, ook het leven blijven kleuren als ze die totalitaire staat inmiddels hebben verlaten, gaat het haar niet om het zo nauwkeurig mogelijk vastleggen van wat er is gebeurd. ‘Mijn romans en verhalen zijn geen getuigenissen. Natuurlijk put ik veel uit mijn persoonlijke ervaringen, maar het gaat altijd om een verbeelding van de werkelijkheid. Om een roman te kunnen schrijven moet ik de werkelijkheid van het boek geloofwaardig verzinnen. Literatuur is vanuit de aard van de zaak kunstmatig, en moet dus met kunstmatige middelen de werkelijkheid zien te benaderen. Elke realiteit, of die nu uit de eigen ervaring ontspruit of die van anderen, of uit een combinatie van die twee, moet uit elkaar worden gehaald en opnieuw weer opgebouwd worden binnen het domein van de fictie. De verzonnen waarheid, zoals schrijver Georges-Arthur Goldsmidt dat noemt. Ook als je je aan de werkelijkheid houdt bestaat een literair boek uit verzonnen waarheid. In mijn laatste roman Ademschommel, die voor een groot deel is gebaseerd op de kampervaringen van de dichter Oscar Pastior, is de verhouding tussen verzinsel en waarheid net zo groot als in de romans die meer aan mijn eigen geschiedenis zijn ontleend. In dat opzicht was het schrijven van Ademschommel niet anders dan het schrijven van m’n andere boeken. Van veel personages kende ik alleen een naam. Sommige gebeurtenissen had Pastior mij tot in detail verteld, maar de context kende ik niet. Toen hij dan ook plotseling overleed, zat ik met een hele verzameling aantekeningen die bij lange na nog geen roman vormden. Ik heb verhalen gecombineerd, bestaande personen en fictieve karakters zo met elkaar vermengd dat ze authentiek lijken, maar ze zijn verzinsels. Geloofwaardige verzinsels, hoop ik. Een ander procedé is er niet. Ik benader de werkelijkheid als literair auteur, niet als historicus of schrijver van getuigenissen.’
 
In Der König verneigt sich und tötet preciseert ze haar positie alsvolgt: ‘Ik zie het schrijven als iets dat plaatsvindt op de grens van prijsgeven en geheimhouden. Maar ze verschuiven onderling, in het prijsgeven wordt de werkelijkheid omgebogen tot fictie, en in het verzonnene sijpelt de werkelijkheid door, juist omdat het niet onder woorden is gebracht. De helft van wat een zin bij de lezer teweeg brengt, is niet geformuleerd.’ De open plekken in haar werk bevatten het onvertelde.
 
Er komt nog meer afstand. Sinds 1987 is het niet meer de stad die haar een ander uitzicht biedt op het dorp waar ze vandaan komt, maar is het een ander land dat haar naar Roemenië laat kijken alsof het in een vitrine staat. Met veel moeite weet ze Roemenië te ontvluchten. Ze vestigt zich in Berlijn. Daar ziet ze overal ongerijmdheden. Er zijn voortdurend spraakverwarringen. Als ze door vrienden wordt uitgenodigd en ze over Roemenië vertelt, zegt iemand in het gezelschap tegen haar: “Das ist ja komisch.” Hoezo grappig, antwoordt zij, het is helemaal niet grappig, het is tragisch. Ze ziet een stopwoordje aan voor een echte mededeling. Je spreekt of je zwijgt, maar als je spreekt, spreek je ook echt. Het spreken zonder iets te zeggen kent ze niet en dus neemt ze elke mededeling letterlijk, vermoedt overal een betekenis die er niet is. Uit een woordarme wereld is ze in een wereld terecht gekomen waar je ook zomaar iets kunt zeggen, zonder iets te bedoelen.
 
Net als haar verhuizing naar de stad het haar voor het eerst mogelijk maakte woorden te vinden voor haar ervaringen, zo schept Berlijn de juiste afstand tot het land dat ze is ontvlucht. ‘De gebeurtenissen hadden, toen ze zich voltrokken, de woorden niet kunnen verdragen waarmee ik ze later beschreef,’ schrijft ze in haar essaybundel. In Berlijn verdragen haar ervaringen nog meer woorden dan in de Roemeense stad, zij het dat al het schrijven voor haar een voortdurende confrontatie blijft, een emotionele uitputtingsslag.
 
Taal is thuis. Sprache ist Heimat. In je taal kun je wonen. Het is voor Müller een opvatting die ze niet kan begrijpen. ‘Ik vertrouw taal helemaal niet,’ zegt ze als ik haar herinner aan de uitspraak van Jorge Semprun die ze in Der König verneigt sich und tötet aanhaalt: “Niet de taal, maar dat wat er in gezegd wordt is Heimat.” ‘Ik sprak thuis het Duitse dialect van het dorp, op school het Hoogduits, in de stad Roemeens, en binnen dat Roemeens waren er weer verschillende soorten Roemeens. Het blikken staatsroemeens waarin alleen werd gehuicheld en gelogen, het Roemeens van het volk, het Roemeens dat ik met m’n vrienden sprak. Dat waren verschillende talen, zo verschillend zelfs dat de securitate de grootste moeite had te ontcijferen wat we zeiden als we werden afgeluisterd.
 
‘Ik schakelde tussen zoveel verschillende talen dat ik daar in zekere zin helderhorend van geworden ben. Het heeft m’n oor gescherpt voor hoe taal gebruikt en misbruikt kan worden. De twee talen die ik sprak waren allebei dubbel vervuild. Die van Roemenië door de communisten en daarvoor door het fascistische bewind van Antonescu, en het Duits door de nazi’s en door de DDR. Ik kon me alleen bedienen van bevuilde talen. Dat realiseerde ik me terdege. Daarom ontstond ook die particuliere variant van het Roemeens in mijn vriendenkring. Als je de machthebbers haat, mag je je ook niet van hun taal bedienen.’
 
Hoezeer de taal werd geïnstrumentaliseerd in de communistische heilstaten van Oost-Europa blijkt wel uit de voorbeelden die Müller aanreikt in haar essays. Toen haar eerste boek gepubliceerd zou worden in Roemenië, schrapte de censuur het woord koffer. Dat woord stond voor ontvluchten, voor het verlaten van het communistische paradijs. In het paradijs heeft niemand een koffer nodig. Een koffer was een subversief artikel in het Roemenië van Ceaucescu.
 
Een ander voorbeeld dat ze aanhaalt komt uit de DDR. Daar moest de dood getaboeïseerd worden. Een doodskist heette daar voortaan aardemeubel.
 
‘Hoe repressiever het regime, hoe banger het is voor de taal. De eerste werknemer die een dictatuur in dienst neemt is de taal. Die wordt gebruikt om een kunstmatige wereld in te construeren, om de werkelijkheid zo in te modelleren dat die geen onwelgevallige elementen meer kan bevatten. Anders dan in de literatuur levert dat procedé natuurlijk geen levensvatbare weergave van de werkelijkheid op. Die staatstaal blijft een absurditeit, een anomalie. Niemand gelooft in de wereld die er in wordt vervat, maar tegelijk dringt de absurditeit ervan door tot in alle hoofden. Ook de kunst nam deel aan dat vormgeven van die absurde wereld. Ook schrijvers werden tot personeel. Er werden romans geschreven die zich van het idioom van de machthebbers bedienden, met personages die symbool stonden voor de verworvenheden van de arbeider onder het regime van Ceaucescu. Iedereen wist dat die verzinsels geen enkel verband hielden met de werkelijkheid. Het was angst die die leugen in stand hield. Het regime functioneerde alleen vanwege die angst. Onder Stalin en onder Hitler werd nog echt geloofd in de staatsideologie. In Roemenië geloofde niemand met overtuiging in het communisme, althans niet in de moordzuchtige variant van Ceaucescu. De angst was het enige wapen.
 
‘Ondanks alles ontdekte ik in het Roemeens, het onbezoedelde Roemeens, ook veel schoonheid. Het is een heel zinnelijke taal, heel anders dan het Duits. In het Roemeens klinkt altijd al het bijgeloof mee dat in het volk verankerd is. En soms zijn de woorden van een ongekende schoonheid. Het woord voor zwaluw in het Roemeens betekent naast-elkaar-zittertje, bijvoorbeeld. Prachtig. Vaak voel ik me psychisch veel meer verwant aan het Roemeens. Die taal schrijft ook altijd mee als ik aan een boek werk, kijkt over mijn schouder mee. Ook al heb ik nooit in het Roemeens geschreven, de taal zit wel degelijk in al m’n boeken. Ik heb voor alles twee beelden, het Roemeense en het Duitse. Dat zie ik als een geschenk, een verrijking.’
 
Als voor de zoveelste keer een gestrande reiziger met een koffer passeert, kijkt ze me opgelucht aan. ‘Ik ben zo blij dat ik altijd met de trein reis.’ Die middag zal ze weer terug gaan naar Berlijn. Breekt thuis weer schrijftijd aan, wil ik weten. ‘Nee, zeker niet. Na elk boek ben ik leeg, duurt het twee jaar voor er weer iets komt. Elke keer denk ik: nu komt er niks meer, het is klaar. Ik kan niet altijd schrijven, dat hou ik niet uit. Te confronterend. Ik wil nu leven. In de tussentijd maak ik collages. Dat is een volkomen andere bezigheid dan het schrijven. In het maken van collages kan ik mezelf verliezen. Schrijven is voor mij precies het omgekeerde van mezelf verliezen.’