Rachel Cusk

Jeroen van Kan ,

'Ik denk dan ook dat een feministe maar beter niet kan trouwen (...) Misschien kan ze ook maar beter geen kinderen krijgen'. Lees hier een fragment uit het eerste hoofdstuk van Rachel Cusk's 'Nasleep'.

Nasleep (vertaling Marijke Versluys)

  

En dat noemt zich feministe, zegt mijn man. En misschien zal ik een dezer dagen tegen hem zeggen: ja, je hebt gelijk. Ik zou mezelf geen feministe moeten noemen. Je hebt gelijk. Ik heb er vreselijk spijt van. 
 
En in zekere zin zal ik dat nog menen ook. Wat is een feministe eigenlijk? Wat wil het zeggen als je je zo noemt? Er zijn mannen die zich feminist noemen. Er zijn vrouwen die antifeministisch zijn. Een feministische man is een beetje als een vegetariër: hij verdedigt het humanitaire beginsel, vermoed ik. Het feminisme lijkt soms gepaard te gaan met zo veel kritiek op vrouwelijke zijnswijzen, dat het je niet kwalijk te nemen is als je denkt dat een feministe een vrouw is die vrouwen haat, die hen haat omdat ze met zich laten sollen. Anderzijds wordt van de feministe verwacht dat ze mannen haat. Men zegt van haar dat ze de fysieke en emotionele onderworpenheid die mannen eisen verafschuwt. Klaarblijkelijk noemt ze hen ‘de vijand’.
 
Hoe dan ook, ze laat zich niet betrappen op de ‘plaats delict’, dat wil zeggen rondhangend in de keuken, op de kraamafdeling of bij het schoolplein. Ze weet dat haar vrouw-zijn bedrog is, door anderen bedacht uit eigenbelang; ze weet dat vrouwen niet worden geboren maar gemaakt. Ze houdt zich dan ook verre van de keuken, van de kraamafdeling, zoals een alcoholist zich verre houdt van de fles. Sommige alcoholisten fantaseren over bescheiden sociaal drinken: zij hebben nog niet genoeg vergeefse cirkelgangen doorlopen. De vrouw die denkt dat ze voor vrouwelijkheid kan kiezen, kan ermee spelen zoals de sociaal drinker met wijn speelt – goed, ze vraagt erom, ze vraagt erom te worden uitgewist, verslonden, ze vraagt erom zich haar leven lang aan nieuwe bedriegerij schuldig te maken en een nieuwe schijnidentiteit op te bouwen, maar ditmaal is haar gelijkheid schijn. Of ze doet tweemaal zo veel als ze vroeger deed, of ze offert haar gelijkheid op en doet minder dan ze zou moeten doen. Ze is twee vrouwen of ze is een halve vrouw. En omdat ze er zelf voor gekozen heeft, zal ze in beide gevallen moeten zeggen dat ze het prima naar haar zin heeft.
 
Ik denk dan ook dat een feministe maar beter niet kan trouwen. Ze kan maar beter geen gezamenlijke bankrekening hebben of een huis dat op beider naam staat. Misschien kan ze ook maar beter geen kinderen krijgen, meisjes met de achternaam niet van hun moeder maar van hun vader, zodat die, wanneer ze samen met hen naar het buitenland gaat, de man van de paspoortcontrole moeten bezweren dat ze écht hun moeder is. Nee, ik had mezelf geen feministe moeten noemen, want wat ik zei klopte niet met wat ik was: net als mijn moeder, maar dan andersom.
 
Wat ik als feminisme in praktijk bracht waren in feite de mannelijke waarden die mijn ouders, onder anderen, met de beste bedoelingen op me hadden overgedragen: de kledingwaarden van mijn vader en de vrouwonvriendelijke waarden van mijn moeder. Een feministe ben ik dus niet. Ik ben een van zelfhaat vervulde travestiet.
 
                                        —
 
Net als veel vrouwen die ik ken ben ik nooit financieel afhankelijk geweest van een man. Dat is anekdotische informatie – vrouwen hebben daar een zwak voor. En misschien is een feministe iemand met een bovengemiddelde neiging tot personaliseren: ze is autobiografe, kunstenares van het ik. Ze fungeert als raakvlak tussen privé en publiek, precies zoals vrouwen dat altijd al gedaan hebben, maar de feministe doet het omgekeerd. Ze verzoent niet: ze protesteert. Ze is een binnenstebuiten gekeerde vrouw.
 
Als je maar tijd van leven hebt gaat de anekdote trouwens over in de statistiek. Samen met je soortgenoten kom je uit de jungle van de middelbare leeftijd tevoorschijn, ieder met je eigen kennis van moed of lafheid, en je telt snel de neuzen, inventariseert of alles er nog op en aan zit. Ik ken vrouwen met vier kinderen en vrouwen zonder kinderen, gescheiden vrouwen en getrouwde vrouwen, in opspraak geraakte en geslaagde vrouwen, bescheiden, ambitieuze en tevreden vrouwen, vrouwen die onbevredigd of berustend zijn, onzelfzuchtige en gefrustreerde vrouwen. En sommigen van hen zijn inderdaad niet financieel afhankelijk van een man. Wat kan ik zeggen over degenen die dat wel zijn? Dat ze meestal fulltimemoeder zijn. En dat ze meer via hun kinderen leven. Zo komt het op mij over. Het kind gaat door de fulltimemoeder als verf door water: ze blijft nergens ongekleurd. De hoogte- en dieptepunten van het kind zijn haar hoogte- en dieptepunten. De schoonheid van het kind is haar schoonheid; wordt het kind afgewezen, dan geldt dat ook voor haar. En omdat het haar taak is alles voor het kind te regelen, regelt ze ook haar eigen wereld via het kind. Haar subjectiviteit heeft meerdere bronnen, maar slechts één uitlaatklep. Dit kan ertoe leiden dat ze alles uitermate goed doet; sommigen van mijn vriendinnen beweren dat ze zulke vrouwen als angstwekkend of bedreigend ervaren. Die vriendinnen houden over het algemeen vanuit één zelf verscheidene identiteiten in stand en zijn daarom misschien bang ervan te worden beticht dat ze het uitermate slecht doen. Hun macht is versnipperd en concentreert zich naar hun idee nooit in één punt, met als gevolg dat ze de omvang ervan niet kennen, niet weten of ze meer of minder macht hebben dan dat wezen met die wonderlijke naam, de thuisblijfmoeder, of meer of minder macht dan de mannelijke collega’s op hun werk, die volgens mij vast wel enigszins kunnen meevoelen met dat idee van versnippering.
 
Enkele van die werkende-moedervriendinnen hebben wel eens ouderschapsverlof opgenomen, meestal in de periode dat de kinderen nog heel klein waren. Als een gezochte misdadiger die eindelijk is opgespoord geven ze zich met de handen omhoog over: ja, het was allemaal te veel, ondoenlijk, het geren en gevlieg, de schuldgevoelens, de druk op het werk en thuis, de vraag waarom je eigenlijk – als je ze toch nooit zag – kinderen had genomen. En daarom besluiten ze een paar jaar thuis te blijven om alles weer een beetje in evenwicht te brengen, als een cakerecept waarin staat dat je het beslag over twee bakvormen moet verdelen, waarna de ene altijd voller lijkt dan de andere. Hun echtgenoot werkt ook, woont in hetzelfde huis en bevadert dezelfde kinderen, maar hij schijnt nooit zo’n last te hebben van strijdige belangen. Nee, soms lijkt hij werk en ouderschap beter te kunnen combineren dan een vrouw – onuitstaanbare mannelijke superioriteit!
 
Maar een man begaat geen doodzonde tegenover zijn sekse als hij een goede vader is, en voor een goede vader hoort werken er nu eenmaal bij. De werkende moeder daarentegen schendt elke dag weer haar rol in de oeroude mythen van de beschaving – geen wonder dat ze enigszins onder druk staat. Ze probeert haar diep ingewortelde relatie met de zwaartekracht te trotseren. Ik heb ergens gelezen dat een ruimtestation altijd langzaam terugvalt naar de aarde en dat er om de paar maanden een raket heen moet worden gestuurd om het weer de ruimte in te duwen. Ongeveer op diezelfde manier wordt er voortdurend aan een vrouw getrokken door een onwaarneembare kracht van biologisch conformisme: haar leven is een reeks eindeloze herhalingen, het vergt energie om haar in haar baan te houden. Jaar in, jaar uit vervult ze haar taak, maar als de raket een jaar verstek laat gaan, stort ze neer.
 
De thuisblijfmoeder zegt vaak van zichzelf dat ze maar boft: dat is haar geijkte verhaal, haar tekst voor wanneer iemand – een werkende moeder bijvoorbeeld – zich zou verwaardigen haar iets te vragen. We boffen maar dat James zo veel verdient dat ik niet hoef te werken, zegt ze dan, alsof ze hoog had ingezet op een bepaald paard dat de winnaar bleek. Je zult een man niet gauw horen zeggen dat hij boft dat hij elke dag naar kantoor kan gaan. Toch noemt de thuisblijfmoeder het vaak een voorrecht dat ze haar traditionele en volstrekt alledaagse huishoudelijke werk ‘mag’ doen. Dat zegt ze natuurlijk ter verdediging, want ze wil niet als lui of ambitieloos worden beschouwd, en zoals wel vaker bij defensief optreden zit er een (nauwverholen) kern van agressie in. Niettemin is ze waarschijnlijk heel trots als haar dochter de beste is in wiskunde, een studieplaats in Cambridge krijgt toegewezen of kernfysicus wordt. Wenst ze het haar dochter ook toe, dat voorrecht, dat eeuwenoude bestaan thuis met kinderen? Of ziet ze het als een raadsel dat iemand in de toekomst wel zal oplossen, zoals wetenschappers de remedie tegen kanker uitvinden?
 
Toen mijn kinderen werden geboren, toen ik ze voor het eerst in mijn armen had, ze voedde en tegen ze praatte, was ik me intens bewust van dat nieuwe, ongekende aspect van mezelf dat in me zat maar niet bij mij leek te horen. Het was alsof ik zomaar opeens Russisch kon spreken; wat ik kon – dit vrouwenwerk – had een heel eigen vorm, maar ik wist niet waar mijn kennis vandaan kwam. In zekere zin wilde ik die kennis inlijven alsof hij aangeboren was, maar daar kleefde iets vreemd oneerlijks aan, iets huichelachtigs. Maar hoe kon ik voorwenden te zijn wat ik al was? Ik had het idee dat er nog een tweede ik in me woonde, een tweelingzus die zich voor de grap – zoals dat bij tweelingen gaat – voor mij uitgaf en dingen deed die strijdig waren met mijn karakter. Toch was de tweelingzus niet aanwijsbaar kwaadwillig: ze vroeg alleen een zekere mate van vrijheid, een tijdelijke ontheffing van het strenge identiteitsprotocol. Ze wilde zich gedragen als vrouw, als doorsneevrouw, maar geen enkel karakter is doorsnee. Het is in alle opzichten volstrekt uniek. Om me als moeder te gedragen moest ik mijn karakter, dat zich op een dieet van mannelijke waarden had ontwikkeld, tijdelijk opschorten. Ook mijn habitat, mijn omgeving, had zich op die manier ontwikkeld. Aanpassingen waren geboden. Maar wie ging zich aanpassen? In het begin was ik me ervan bewust dat mijn gedrag vreemd overkwam op de mensen die me goed kenden. Het was alsof ik was gehersenspoeld, overgenomen door een cultus. Ik was vertrokken, op mijn gewone nummer was ik niet bereikbaar. En toch kon ik in die cultus, het moederschap, niet leven. Ik vond er geen enkele weerklank: de literatuur en de rituelen, de normen en waarden, de gedragscode en de esthetiek waren de mijne niet. Ook het moederschap was algemeen: net als bij elke cultus moest je je identiteit volledig opgeven om erbij te mogen horen. Een tijd lang hoorde ik dan ook nergens bij. Als moeder met jonge kinderen was ik thuisloos, zwierf ik als een nomade rond. In die jaren had ik ontoelaatbaar veel medelijden met mezelf en mijn dochters. De ontgoocheling over dit contact met het vrouw-zijn kwam me bijna rampzalig voor. Net als een adoptiekind dat eindelijk zijn ouders heeft opgespoord maar tot de ontdekking komt dat het liefdeloze vreemden zijn, was mijn onvermogen om als moeder een thuis te vinden in mijn ogen niet zozeer te wijten aan de wereld, als wel aan mijn ongewenstheid. Als vrouw leek ik overal buiten te staan.
 
Ik heb toen twee dingen gedaan: ik ben teruggevallen in mijn oude identiteit met mannelijke invalshoek, en ik heb mijn man ingeschakeld bij de zorg voor de kinderen. Hij moest de rol van die tweelingzus op zich nemen: de vrouwelijkheid. Hij moest haar een eigen lichaam bieden, een toevluchtsoord, want in mij kon ze kennelijk geen rust vinden. Mijn idee was dat we zouden samenleven als twee hybriden, ieder half man en half vrouw. Dat was immers gelijkheid? Hij gaf zijn baan als jurist op en ik de exclusiviteit van mijn primitieve moederlijke zeggenschap over de kinderen. Dat waren onze eerste offers aan de nieuwe goden, bij wie we in de toekomst bescherming hoopten te vinden. Mijn maternalisme kwam me tien jaar later, in een advocatenkantoor aan een rumoerige hoofdweg in Noord-Londen, inderdaad primitief voor, bijna barbaars. De kinderen horen bij mij – aan zulke ongenuanceerde formuleringen bezondigde ik me gewoonlijk niet. Niettemin was het mijn enige gedachte, daar in dat kantoor vol chroom en staal, tegenover de kleine, tengere advocate in stemmig zwart. Ik was mager en hologig van ellende, maar vergeleken met haar voelde ik me kolossaal, grof, een moederrots waarop zich een korst van eeuwenoude, akelige emoties had afgezet. Ze maakte me duidelijk dat ik geen enkel recht had. In deze gevallen functioneerde de wet niet op basis van rechten. Waar het om ging was het precedent, en het kon best zijn dat het precedent ongehoord was. Kennelijk bestond er dus geen primitieve werkelijkheid. Er bestond niet zoiets als een moeder, een vader. Er was alleen beschaving. Ze zei dat ik verplicht was mijn man financieel te onderhouden, wellicht voorgoed. Maar hij is jurist, zei ik. En ik ben maar schrijver. Wat ik bedoelde was: hij is een man. En ik ben maar een vrouw. De oude toverformule roerde nog steeds de trom, daar in het hart van huwelijkse duisternis. De advocaat trok haar dunne wenkbrauwen op, schonk me een bitter lachje. Dan wist hij dus precies wat hij deed, zei ze.