Worstelen met de nieuwe tijd

Tjitske Mussche ,

Tientallen kinderboeken, poëziebundels en romans schreef Joke van Leeuwen. Onlangs verscheen haar vierde roman voor volwassenen: een mozaïekvertelling gesitueerd tijdens de eerste jaren van de Franse revolutie.

Joke van Leeuwen opent de deur van haar huis in Antwerpen met natte haren. Ze heeft net gezwommen. ‘Moet voor de knieën,’ grinnikt ze. Bijna zestig is ze, en hele generaties zijn opgegroeid met haar springerige taal en fantasierijke illustraties in kinderboeken als Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden, Deesje en Iep!. Maar ze maakte ook cabaret, schreef dichtbundels en was stadsdichter van Antwerpen. En zojuist is haar vierde roman voor volwassenen verschenen, in totaal haar 38ste boek.
Deze roman, Feest van het begin, is een mozaïekvertelling die gesitueerd is in een stad tijdens de eerste jaren van de Franse revolutie. De lezer volgt vijf personages die elk proberen gelukkig te worden in ‘de nieuwe tijd’: Catho, een vondelinge zonder enige kennis van de wereld die uit een katholiek weeshuis ontsnapt en nog moet leren leven. Berthe, een non die – verstoten door haar rijke familie, en later ook door de kerk – probeert haar aristocratische achtergrond te verbergen tegenover de revolutionairen. Gustaphe, een schilder die niet meer weet wat hij moet schilderen, goedverkopende symbolische schilderijen of de ruwe werkelijkheid. Tobias, een pianobouwer die steeds meer moeite heeft om zijn hoofd boven water te houden nu de mensen geen geld meer hebben voor instrumenten en die bevriend raakt met een beul. Charles, de beul, die uit een familie van beulen komt en lijdt onder zijn vak. Elk personage heeft zijn eigen hoofdstukken, soms kruisen hun paden.

Omslagtijden
Alleen Charles is losjes gebaseerd op een bestaande figuur. De beul Charles- Henry Sanson (1739-1806) liet een dagboek na waarin hij niet alleen bijhield wie hij ter dood bracht, maar ook zijn gedachtes opschreef over zijn situatie als afstammeling van een familie van beulen. ‘Hij is zo tegengesteld aan het clichébeeld dat men zal hebben over iemand die dit doet, dat boeide mij.’ Precieze data en plaatsnamen ontbreken, de bestorming van de Bastille is in het boek de ‘bestorming van een fort’. Van Leeuwen: ‘Enerzijds wilde ik dat het historisch klopte en anderzijds dat het daar een beetje uitgetild werd. Daarom gebruik ik niet alle letterlijke woorden en namen. Iedereen heeft natuurlijk vroeger die woorden geleerd en gebruikt, maar het gaat in mijn boek over de veranderingen die de personages ondergaan, hoe ze worstelen met de nieuwe tijd.’
Het is niet de eerste keer dat Van Leeuwen schrijft over een nieuwe tijd. Haar vorige roman, Alles nieuw (2008), speelde zich af rond de millenniumwisseling. ‘Omslagtijden’ noemt ze het. ‘Zo’n tijd waarin men denkt: nu gaan de dingen anders worden. Die hoop en dat geloof in verandering, en dat het dan meestal niet lukt, dat vind ik interessant. In Feest van het begin zie je ook dat iedereen meegetrokken wordt in een soort idealisering van de toekomst, en dan gaat het mis. Alleen de vondelinge, Catho, ontkomt daar aan. Die heeft geen geschiedenis en leeft alleen maar in het nu.’

Eenlingen
De vondelinge is van het soort dwarse eenlingen die als een stoet door het werk van Joke van Leeuwen lopen. Ze heten Deesje, Iep of Dok, en in dit geval dus Catho. ‘Tja, er zitten inderdaad wel vaker dwarse vrouwfiguren of kinderen in mijn boeken. Dat zal wel iets mij mijzelf te maken hebben he?’ zucht ze. Catho is ‘anders’ dan de andere meisjes in het weeshuis. Ongevoelig voor de religieuze tucht en vooral goed in op haar hoofd staan. Eenmaal buiten het weeshuis sluit ze zich bij niemand aan. Van Leeuwen: ‘Het is een overlever, iemand aan wie veel gesleuteld wordt, maar die toch zo autonoom is dat ze erdoorheen glipt.’
Om Catho in toom te houden, werd ze in het weeshuis toevertrouwd aan non Berthe. Die leerde haar, in het geheim, lezen. Hoewel Van Leeuwen in dit boek over de hele linie duidelijk spaarzamer is met talige omkeringen en woordgrapjes dan in haar vorige boeken, beschrijft ze dit leerproces met een typische Van Leeuwen-blik. Zo lijkt de R ‘op een P die een steunbalk heeft gekregen omdat hij anders zou omvallen’ en is de B die in de ring van Berthe staat zo ‘uitbundig krullend’ dat het lijkt ‘alsof de graveur die ene letter wat weinig vond voor zijn ambities.’ Van Leeuwen: ‘Dat vanzelfsprekende weghalen, hoe was het ook alweer in het begin toen je leerde lezen en schrijven, dat vind ik spannend.’

Gezichtsuitdrukkingen
Later, wanneer Catho uit het weeshuis ontsnapt is, maakt ze een zelfde soort proces door als ze het boek Méthode pour apprendre à dessiner les passions van Charles le Brun onder ogen krijgt. Daarin staan heel gedetailleerd alle gezichtsuitdrukkingen van de mens getekend. Zoals Catho eerst het alfabet leert, zo leert ze in deze beelden ook iets van hoe men zegt dat je je moet gedragen. ‘Dit boek bestaat echt, het is een soort handboek voor emoties,’ vertelt Van Leeuwen. ‘Het geeft een beschrijving van wat de juiste manier is om die emotie te tekenen: hoe het eruit moet zien als je gelukkig bent, of verdrietig. Dat vind ik grappig, alsof het iets is wat je kan controleren, het loopt uiteindelijk toch altijd uit de hand.’
Als Catho uit het weeshuis ontsnapt, is Berthe al een tijd verdwenen. De nonnen vermoedden een lesbische relatie tussen het tweetal en hebben haar weggestuurd, maar dat weet Catho niet, die denkt dat ze is verlaten. Berthe zoekt haar weg in de nieuwe wereld. Ze is afkomstig van een rijke familie, waar ze geen contact meer mee heeft, maar ze voelt zich ook niet thuis bij de revolutionairen. Als die aan de deur komen om te vragen of ze ook komt helpen bij een manifestatie is haar reactie: ‘Is het eerste grote feest van de nieuwe vrijheid al zo beroerd georganiseerd dat iedereen moet komen helpen omdat het anders misgaat?’

Teruggedreven
Catho zwerft ondertussen door de stad en belandt bij de schilder Gustaphe, die geen zin meer heeft ‘om ijdeltuiten te vereeuwigen met een kapsel dat nog geen zuchtje wind kan verdragen’, maar zijn poging om het helse leven van de gevangenen in het fort te verbeelden lopen ook op niets uit. Gustaphe schildert uiteindelijk Catho, halfnaakt en met een doek om één borst. Ze moet de vrijheid symboliseren. Van Leeuwen: ‘Catho wordt symbool van de vrijheid, maar ze wordt tegelijkertijd lichamelijk misbruikt door mannen. Zo was het in werkelijkheid ook. Vrouwen zijn in die eerste jaren van de Franse revolutie enorm druk bezig geweest om hun eigen positie te verbeteren, maar in de tijd dat het symbool van de vrijheid een vrouw werd, Marianne, werd de vrouwen van vlees en bloed weer afgenomen waarvoor ze hadden gevochten. Ze werden weer teruggedreven in hun hok.’
Het is een onderwerp dat haar al fascineert sinds ze achttien was. ‘Ik was toen veel bezig met bijzondere vrouwen die je niet had geleerd in de geschiedenisboekjes, maar die er wel in hadden moeten staan. De Tweede Feministische Golf kwam op en ik herkende daar dingen in die ik vaak in mijn eentje had zitten denken over het vrouwzijn. Toen kwam ik onder andere Olympe De Gouges tegen, een vooruitstrevende toneelschrijfster en feministe uit de achttiende eeuw. Zij heeft onder meer de Rechten van de Vrouw opgesteld. Ze wordt niet met naam genoemd in mijn boek, maar ze komt wel als figurant voorbij. Vorig jaar kwam ik die aantekeningen van toen weer tegen, en toen ben ik aan dit boek begonnen.’