Een jeugd in voorwerpen

Jeroen van Kan ,

Voorwerpen worden zelden met zoveel tederheid benaderd als in de bundel 'Een huis verlaten' van Jos Versteegen. De schaal, de butsen in het oppervlak, hoe vaak hij in de afwas botste op servies en bestek, het kasboekje waarin telkens de butagasfles van 8 gulden 15 terugkeert, het flesje Lourdeswater uit de tas van zijn moeder...

Het zijn de voorwerpen die behoren tot zijn ouderlijk huis, dode getuigen van een jeugd die een stem krijgen in zijn poëzie. Zijn ouders waren boeren op het Limburgse platteland. Woorden zijn er nauwelijks overgeleverd, of het moeten die kleine aantekeningen zijn in het enige kasboek dat aan zijn vaders opruimdrift ontsnapte. Op een briefje dat in het boekje is gevouwen staan ook de kinderen ingeboekt: ‘Alsof het nog voorlopig was/boekte hij ons met potlood in./Daar sta je: "vier uur, zondagmiddag.’"

 
Versteegens gedichten omcirkelen elk voorwerp zo nauwgezet dat zijn ouders er uit ontstaan, zijn jeugd voor even terug lijkt binnen het domein van zijn poëzie. ‘Ik kan zodadelijk doodgaan, er kan zich een ramp voltrekken, maar die jeugd is af, die valt niet meer te veranderen, kan niet worden aangetast. Ik herschep in die gedichten een plek waar ik me geborgen weet,’ vertelde Versteegen in een interview in De Avonden.
 
De middelen die hij inzet zijn even spaarzaam als effectief. Neem dit gedicht:
 
Afwashandschoenen
 
Zij borstelt en het schuim staat hoog.
Terwijl de televisie spreekt,
Een hond zich voor de kachel legt
En rode bladeren loswaaien,
Zet zij de borden in het rek.
 
Een teiltje en een afwasborstel,
Een groene fles, een pannenspons,
Twee roze handschoenen, druipend,
Die zij, als was het huid, afstroopt.
 
Zij frommelt aan het plastic, zet
Een handschoen aan haar lippen, blaast.
Haar kleine feestballon, tweemaal,
Met duim en vingers, in de keuken.
Haar adem, warm nog, is een hand.
 
De gedichten bestaan vrijwel uitsluitend uit nauwgezette waarneming. Heel af en toe bedient hij zich van een beeld (‘Zijn leunstoel, in de rug gebeten/en van de stoep getild, stond op/een wagen, voetenbank omhoog,/of hij daar sliep.’), maar vaker nog blijven de gedichten onopgesmukt. Het maakt ze des te krachtiger. Die eenvoud past naadloos bij de levens die Versteegen tot leven wekt, teder en helder.
 
Luister hier naar het gesprek met Versteegen uit De Avonden: