Aftelkroniek #27

Jeroen van Kan ,

Precies honderdzestig jaar geleden zat Gustave Flaubert als een bezetene te schrijven aan zijn 'Madame Bovary'. ‘Ik ben van tafel opgestaan en heb het raam opengezet om weer kalm te worden,’ schrijft hij 23 december aan Louise Colet.

‘Vanaf twee uur vanmiddag (met uitzondering van ongeveer vijfentwintig minuten voor het avondeten) schrijf ik aan la Bovary, ik zit precies midden in hun naaipartij; ze zweten en het hart klopt hun in de keel. Dit was een van de weinige dagen in mijn leven die ik volledig en van begin tot eind in zinsbegoocheling heb doorgebracht. Toen ik daarnet om zes uur het woord “zenuwaanval” neerschreef, was ik zo opgewonden, brulde ik zo hard en voelde ik zo intens wat mijn arme dametje doormaakte, dat ik bang was er zelf een te krijgen. Ik ben van tafel opgestaan en heb het raam opengezet om weer kalm te worden.’ Aldus Gustave Flaubert in de brief die hij op 23 december 1853 verstuurt aan de dichteres Louise Colet, met wie hij een stormachtige affaire heeft. Hij schrijft verder dat de schrijfkoorts hem weliswaar heeft bevangen, maar dat hij bang is voor de ochtend, ‘de ontgoocheling van de weer overgeschreven bladzijden. Hoe dan ook, goed of slecht, het is iets heerlijks, schrijven, niet meer jezelf zijn, maar rondwandelen in de hele schepping waarover je spreekt.’

 

Een paar jaar later, nadat het eerst als feuilleton is verschenen, is er het boek. Het is dan 1856. Een jaar later komt het tot een proces, vanwege de scandaleuze inhoud van de roman. Dat proces doet vervolgens wonderen voor de bekendheid van het boek.

 

Als boerendochter Emma Rouault trouwt met de nogal sullige plattelandsarts Charles Bovary denkt ze dat haar nu eindelijk het leven vol passie en avontuur wacht waar ze altijd zo vurig naar heeft verlangd. Alleen valt dat nogal tegen zodra dat nieuwe leven is begonnen. Al na een paar weken is haar verlangen naar verlossing uit haar verstikkende en bekrompen leventje weer even groot als toen ze nog een meisje was en goedkope liefdesromannetjes las.

 

Omdat Charles wel door heeft dat Emma niet gelukkig is besluit hij te verhuizen naar Yonville, een stadje waar zijn vrouw zich misschien beter thuis zal voelen. Voor even lijkt die verhuizing inderdaad te helpen, maar al snel raakt Emma ook daar zwaarmoedig en verveeld.

 

Uiteindelijk wordt de grote stad niet Emma’s redding maar haar ondergang. Ze houdt er niet alleen twee minnaars op na, maar geeft ook nog eens veel te veel geld uit. Dat laatste wordt haar ondergang. Er wordt beslag gelegd op alle bezittingen van haar en haar man en als Emma haar beide minnaars om hulp vraagt weigeren ze dat. Daarop vergiftigt Emma zichzelf met arsenicum en sterft een pijnlijke dood. Haar man Charles overleeft haar niet lang.

 

Pieter Steinz omschreef Bovary in de NRC als een romantica. Dat is zo, maar het zijn wel de meest zelfzuchtige romantische gevoelens waar Emma door wordt overvallen. Ze kan ze niet in bedwang houden, en dat is nu juist wat Emma zo modern maakt. Maar die moderniteit is schijn; ze handelt niet zoals ze doet omdat ze een vrijgevochten vrouw is, die haar leven in eigen hand wenst te houden en zich niet wenst neer te leggen bij allerlei maatschappelijke conventies, nee ze handelt zoals ze doet omdat ze niet anders kan. Haar egoïsme vinden wij modern, maar is het niet. Er ligt geen strijdbaarheid aan ten grondslag, alleen maar het onvermogen tot het controleren van romantische gevoelens en het onvermogen tot opoffering.

 

De onvrede van Emma, het onvermogen tot verzoening met een eenvoudig en sober leven, wordt gevoed door een beslissende ervaring: het bal van de markies waar ze samen met haar man, de eenvoudige plattelandsarts Charles, voor wordt uitgenodigd. Het eenvoudige meisje komt in aanraking met een wereld die zo ver verwijderd is van de hare en tegelijkertijd zo vol begerenswaardigs (verhalen over vreemde streken, luxe zover de begeerte strekt, de persoonlijke vrijheid die geld nu eenmaal mogelijk maakt) dat de indrukken die ze daar opdoet haar pas echt voor het ongeluk voorbestemmen. Ze kan die wereld even betreden, maar zal er nooit deel van uitmaken. ‘Met haar hart was het precies zo gesteld: de rijkdom waarmee het in aanraking was gekomen, had er een indruk achtergelaten die zich niet meer liet uitwissen.’ Die indruk bevatte niet alleen bewondering, maar vooral ook onvrede. Over haar herinneringen aan het feest schrijft Flaubert: ‘een paar details ontschoten haar, maar het verlangen bleef.’ Het verlangen dat haar onvermijdelijk naar de ondergang dreef.

 

De beste Nederlandse vertaling van Madame Bovary is van Hans van Pinxteren.