Aftelkroniek #11

Jeroen van Kan ,

Ik was achttien en had een voor mijn jaren uitzonderlijke voorkeur voor archaïsch taalgebruik ontwikkeld. De lerares Nederlands vond mijn korte verhaaltje vreselijk. 'Je kunt altijd nog ambtenaar worden,' zei ze.

Verlossing
 
Als een constante dreiging hing de eeuwige martelaar aan zijn kruis, in zilver, aan zwart gelakt hout, recht boven de koperen kitsch van het bed, alwaar zich reeds meerdere malen het voortplantingsritueel, het nut van ons aardse zijn, had voltrokken.
 
Vader had van zijn plicht jegens de schepper een waar genoegen gemaakt. De productie van nieuwe zielen lag opzienbarend hoog. Maria, de Heilige Moeder, aanschouwde dit alles vanaf haar sokkel op de linnenkast, met een serene blik. In haar gelaat kon men een zekere blijdschap bespeuren, alsof zij zich gelukkig prees onbevlekt te zijn gebleven.  
 
Jaren van geslaagd kweken gleden voorbij, aan beider vruchtbaarheid scheen geen einde te komen. De eersten vermenigvuldigden zichzelf al, terwijl de laatsten zich nog bekwaamden in het lopen.  
 
Nog altijd zag vader zijn taak niet voldaan, met zijn zaadceldragende vloeistof verloste hij telkens weer onverdroten het afwachtende eitje uit haar passieve toestand, totdat de ongelukkige zomeravond zich aandiende waarop het geslacht van vader weigerde zich te verheffen. Moeder speelde haar teleurstelling overtuigend. Eindelijk had haar door menige zwangerschap uitgedijde vrouwenlichaam rust. Maria straalde van opluchting.  
 
Nachten achtereen deed vader verwoede pogingen moeder te penetreren. Zonder succes. Zijn mannelijkheid was verwelkt. In gebed smeekte hij de almachtige, doch het mocht niet baten, zijn onvermogen zijn vrouw te bevruchten was blijvend. Vanaf de egaal witte wand keek Jezus verwijtend op hem neer. Moeder genoot in stilte van haar verlossing, alhoewel de verzorging van de jarenlange oogst haar zwaar op de schouders drukte.
 
Meer en meer wendde vader zich tot de nimmer antwoordende Heere God, voordat hij in zijn dromen de geslachtsdaad met ongekende vitaliteit verrichte. Hij intensiveerde zijn kerkbezoek, kuste de voeten van de jong gestorven herder en verdubbelde zijn gift bij collecte. Dit alles zonder resultaat, zijn geslachtsdeel bleef weigeren.
 
In de nadagen van een strenge, ijzige winter deed moeder het huishouden, onder het aanhoudend geschreeuw van kinderen, verlegen om aandacht. Na het begeleiden van de stoeiende massa naar de voordeur, voorzien van appel en brood voor de middagpauze, was het traditie haar man te wekken, zodat ook hij zich naar de nimmer te verzuimen arbeid kon begeven.
 
Halverwege de trap klonk een luide vrouwenstem door het huis. Verlamd bleef moeder staan. Even later betrad ze toch behoedzaam de slaapkamer. In het bed lag haar echtgenoot, de ogen wijd open, het hoofd in een onnatuurlijke stand. Op het zilveren lichaam van de gekruisigde zat bloed, evenals op het voorhoofd van haar man. Uit moeders keel maakte zich een onbedwingbare lach los, die gestaag toenam in volume. De Heilige Maagd viel haar bij alsof ook zij bevrijd was.
 
(1987)