Aftelkroniek #08

Jeroen van Kan ,

Zodra in krant, tijdschrift of boek wordt stilgestaan bij de veranderde status van het literaire boek, is een cultuurpessimistische opmerking over de staat van het onderwijs nooit ver weg. Vroeger, ja, toen, maar nu?

Of de vermeende teloorgang van het (literaire) lezen verband houdt met een verminderde kwaliteit van het onderwijs is een vraag die je onmiddellijk tegen de lichtbak van je eigen middelbare schooljaren houdt. Die waren in mijn geval zowel divers als omvangrijk. Ik heb vier middelbare scholen bezocht. Alleen al voor Nederlands heb ik vijf verschillende leraren gehad. Mijn middelbare schoolcarrière begon in 1982 en eindigde in 1990. 
 
Heeft het onderwijs mij voor het lezen gewonnen? Nee. Weliswaar ontdekte ik via de lagere school Wiplala van Annie M.G. Schmidt, Pjotr van Jan Terlouw en Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman, maar de echte zet werd gegeven door mijn lidmaatschap van de Openbare Bibliotheek, winkelcentrum Banne 1, Amsterdam Noord. Een idee van mijn oma. Het eerste boek dat ik leende beschreef de avonturen van een nijlpaard. Ik was acht. Je mocht maximaal drie boeken lenen en die moesten binnen twee weken terug. Dat dicteerde mijn leestempo.
 
In de eerste paar jaar van mijn lidmaatschap werkte ik de hele rij Astrid Lindgrens af. Els Pelgrom, Guus Kuijer en Roald Dahl volgden. Mijn lezen hield intussen weinig verband meer met school. Wel begon ik steeds vaker boeken te kopen, van het zakgeld dat ik van mijn ouders en mijn oma kreeg.
 
De overstap naar volwassenenliteratuur was moeizaam. In de kast van mijn ouders stond De muur van Sartre. Verhalen. Vond ik weinig aan. Ik voelde dat ik iets miste, iets niet begreep. Ik probeerde ook steeds weer te lezen in De mens in opstand van Albert Camus. Nooit kwam ik verder dan de tweede alinea. Het bevestigde me in het oordeel dat de hogere literatuur een hoogst gecompliceerde aangelegenheid was.
 
Dat oordeel werd gelogenstraft toen ik van mijn moeder De junival cadeau kreeg van Jan Wolkers. ‘Voor Jeroen’ stond erin. Een opdracht voor de zoon van Wolkers (van wie ik later nog kortstondig les zou krijgen op de middelbare school), maar ik beschouwde het boek als opgedragen aan mij. Het bleek een teleurstelling. Afwisselend beschreef Wolkers de dood van zijn moeder en de dood van zijn poes. Ik begreep het niet. Wat miste ik? Wat ontging me? Was dit zo geraffineerd complex dat ik alleen het oppervlak zag terwijl ik juist daaronder zou moeten kunnen kijken?
 
Mijn eerste lerares Nederlands op de middelbare school had geen uitgesproken literaire belangstelling, of voelde niet de behoefte die over te dragen. Ja, de passage waarin Harry Mulisch in De aanslag de vredesdemonstratie van 1981 beschreef vond ze treffend. ‘Het was echt of ik er weer liep.’ Ik had het boek ook gelezen. Kennelijk was de lerares ook niet verder dan het oppervlak gekomen. Of ze verzweeg ons de rijkdommen van de literaire diepzee die Mulisch voor haar had geopend.
 
De twee keer dat ik in de klas werd aangeraakt gebeurde dat niet op instigatie van de leraar. De eerste keer was ik veertien en kwam ik een lokaal binnen waarin net een examenklas les had gehad. Er slingerden nog wat fotokopieën rond met daarop een gedicht.
 
Er is een licht en een gerucht van leven
De straten langs der schemerende stad;
De lippen lachen en de monden beven
Van wat de dag te lang verzwegen had.
 
De eerste strofe van het gedicht Eenzaamheid. Ik vroeg de lerares in kwestie, dezelfde die Mulisch zo goed vond in het beschrijven van de werkelijkheid, van welke dichter dat gedicht was op dat blaadje. ‘Van J.C. Bloem. Maar daar zijn jullie voorlopig nog niet aan toe hoor, dat krijgen jullie pas in de zesde.’ Ik besloot tegen het advies in toch alvast aan Bloem te beginnen. Wat een ontdekking! Die man begreep hoe uitzichtsloos dit alles was (in mijn puberteit was ik even opstandig als somber).
De tweede keer betrof het een gedicht van Hermann Hesse, evenals dat gedicht van Bloem aangetroffen op een rondslingerend kopietje. Im Nebel. Met terugwerkende kracht maakt het aanmerkelijk minder indruk, maar op m’n zestiende trof het me als een blikseminslag. Dat ene gedicht bracht me heel ver. Het bracht me Hermann Hesse, Hermann Hesse bracht me de Duitse literatuur, de Duitse literatuur bracht me… Ook hier nauwelijks tot geen inmening van docenten.
 
Het enige waar ik de leraren achteraf dankbaar voor ben is het achteloos rondstrooien van kopietjes en hun pogingen mij te ontmoedigen. Dat ik Bloem meteen ging lezen kwam niet alleen door het gedicht, maar ook door die als geruststelling bedoelde toevoeging dat wij daar nog niet aan toe waren. Dat ik Dostojevski’s Crime and Punishment per se uit moest lezen in het Engels, kwam door de leraar. ‘Zet maar terug hoor, dat ga je toch niet lezen,’ zei hij toen ik het boek van de plank haalde. ‘Neem iets van Roald Dahl ofzo.’ Het heeft me weken zwoegen gekost, maar ik ben tot aan de laatste bladzijde gekomen.
 
Even dankbaar ben ik de verzuurde neerlandica die wegens een gebrek aan carrièreperspectieven binnen de academische wereld noodgedwongen Nederlands gaf op het Amsterdams Lyceum. Elk woord dat ze sprak en elke beweging die ze maakte getuigde van het onrecht dat haar was aangedaan... Ze kwam het lokaal binnen, duwde het boek dat ik las omhoog om te zien van wie het was en keek me toen misprijzend aan. ‘Je weet dat er ook hele goeie jeugdboeken bestaan hè?’ Ik las De uitvaart van Mama Grande, van Gabriel García Márquez. 
 

De beste manier om mij te motiveren is me kleineren.