Aftelkroniek #01 (slot)

Jeroen van Kan ,

Al vanaf de allereerste hing het zwaard van de allerlaatste aflevering boven m’n hoofd. Waar deze afscheidstournee mee te eindigen? Tot een uur geleden wist ik het niet. Nu wel. Ik besloot tot hardcore. Lang leve de inhoud!

Het is me niet vergund te lezen als een ander. Elk boek zal het met mij moeten doen, binnen het bestek van ons samenzijn. De boeken zullen net zo wisselend oordelen over mijn talenten als ik over de hunne. Het landschap dat ik doorkruis kan alleen door mij gezien worden. De ornitoloog zal er de blauwe kiekendief opmerken die opvliegt uit een boom, de cardioloog zal het niet kunnen nalaten de druk op de borst waar personage X over klaagt van een mogelijke diagnose te voorzien en de vergelijkend literatuurwetenschapper zal een web van relaties ontwaren. ‘Wenn ein Buch und ein Kopf zusamenstoßen und es klingt hohl, ist das allemal im Buch?’ schreef aforist en essayist Georg Christoph Lichtenberg in zijn Sudelbücher. ‘Ein Buch ist ein Spiegel, wenn ein Affe hineinsieht, so kann kein Apostel heraus gucken.’ Soms ziet een apostel een lezende aap, soms ziet een aap een lezende apostel, soms een apostel een apostel en soms een aap een aap.

 

Dat inzicht leidt al onmiddellijk tot een relativering van het eigen oordeel. De ornitologische verdiensten van een boek ga ik aan voorbij, zoals ik evenmin kan lezen als de cardioloog. Al mijn talenten en al mijn tekortkomingen draag ik met me mee bij het doorkruisen van het landschap. Ik kan niet om mijn eigenaardigheden heen lezen. Daarmee ontzeg ik het boek niet de kracht mij op een andere manier te laten kijken, mij een wereld te tonen die ik voorheen niet kende of mij op een onverwachte manier te raken. Integendeel. Mijn lezen heeft een voortdurende verwijding van mijn blikveld tot gevolg. De verwijding treedt alleen niet op daar waar het mij aan ontvankelijkheid of talent ontbreekt.

 

Ik ben de lat waarlangs ik de wereld leg. Mijn oordeel, mijn smaak, mijn manier van lezen wil geen aanspraak op algemene geldigheid maken. Dat heeft niets te maken met vrijblijvendheid. Het zou van hovaardigheid getuigen als ik een ander uitgangspunt zou formuleren. Ik kan niet uw aap zijn, evenmin als uw apostel.

 

Elk literair oordeel geschiedt zonder wetboek. Natuurlijk kan ik regels opstellen waaraan literatuur voor mij moet voldoen, maar die nemen in mijn geval nooit de vorm aan van een grondwet van het lezen. Elk oordeel is houdbaar tot het volgende oordeel wordt geveld.

In haar befaamde werk Against Interpretation (1966) schrijft Susan Sontag: 'None of us can ever retrieve that innocence before all theory when art knew no need to justify itself, when one did not ask of a work of art what it said because one knew (or thought one knew) what it did.' De theorie heeft ons uit de arcadische wereld verdreven waarin de kale ervaring nog genoeg was, er nog geen behoefte was gerezen aan een onderbouwing van ons oordeel; elk theoretiseren werpt een barrière op tussen ons en het boek. Dat althans is de ultieme consequentie van wat ze schrijft. Ons beste oordeel vellen we in onbevangenheid, in onschuld, als we nog niet worden gehinderd door de vraag: maar waarom vind ik dit goed? Zodra we die vraag stellen, verdrijven we onszelf uit het paradijs. De theorie als zondeval.

 

Maar juist daar begint de kritiek pas, bij de vraag: maar waarom vind ik dit goed? Dat gevoel trachten om te zetten in argumenten is geen castratie van de leeservaring, maar een verdieping ervan. De Zwitserse germanist Emil Staiger vatte het treffend samen in de formule ‘begreifen, was einen ergreift’. Proberen te begrijpen wat je aangrijpt. Volgens Sontag moeten we louter voelen, maar voor mij begint het avontuur van het lezen daar pas, bij het stellen van vragen die zij zou hebben afgedaan als hopeloos theoretisch.