Aan alles komt een eind

Maarten Westerveen ,

De Britse historicus Norman Davies haalt in zijn boek 'Vergeten koninkrijken' vijftien verdwenen landen onder het stof van de geschiedenis vandaan. ‘Ik heb een groot zwak voor de underdogs van ons geheugen.’

Thuis staat een Bosatlas uit 1902, misschien wel mijn favoriete boek in de kast. Alles is herkenbaar en alles is anders. Een blik op de kaart van Europa toont een cast van keizer- en koninkrijken met aan de oostelijke randen een Tsarendom en een Sultanaat om het spannend te houden. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de atlas onder elkaar verdelen is indrukwekkend. Oostenrijk- Hongarije ligt er zo comfortabel bij, Ierland lijkt bijzonder tevreden in Britse handen en wat Polen is, lijkt men al te zijn vergeten. Waren er in 1902 ook jongens die een oude atlas opensloegen en zich afvroegen waarom Duitsland en Italië nog niet opgemerkt waren of waarom Bulgarije nog van de Turken was? Historicus Norman Davies heeft zich die vraag ook gesteld. Zijn boek Vergeten koninkrijken behandelt vijftien Europese landen die ooit met hetzelfde aplomb als het Duitse Keizerrijk hun plek in de geschiedenisboeken hebben opgeëist om vervolgens als voetnoten te eindigen.
Davies stelt zichzelf de taak deze rijken niet als een opstapje naar het volgende te zien, maar als de ambitieuze ondernemingen die het ooit waren: veroveraars en heersers.
Geboren voor de Tweede Wereldoorlog zag de jonge Davies zijn landkaarten met elke nieuwe uitgave minder Britsrood kleuren tot het punt dat er straks wellicht van het Verenigd Koninkrijk slechts nog Engeland over zal blijven. Wat er van al die verdwenen staten later nog onthouden wordt, is wat Davies het meest interesseert.
Zo wordt Vergeten Koninkrijken een studie naar vergankelijkheid en vitaliteit. De Engelse titel luidt Vanishing Kingdoms en Davies legt uit dat het woord ‘verdwenen’ eigenlijk beter past. Veel van de landen die voorbij komen, raken nooit helemaal vergeten. Dit wordt poëtisch verbeeld in zijn beschrijving van de begrafenis van Alaric, koning der Visigothen. Alaric heeft net als eerste in bijna 800 jaar Rome veroverd, als hij geveld wordt door koorts. Zijn onderdanen leggen een rivier om en graven in de bedding een graf voor de grootste aller Visigothen. Eenmaal begraven wordt de rivier weer teruggelegd en verdwijnt Alaric als lichaam compleet maar blijft daardoor in geest bijna onsterfelijk. Zo zal het in het boek vaker gaan.

Waterloo
Ik spreek Norman Davies in Brussel, de ideale locatie. Weinig plekken in West- Europa weten de kwetsbaarheid van naties zo te verbeelden als deze stad.
Davies zelf lijkt er ook tevreden mee. ‘Ik noem een aantal potentiële dodo’s in dit boek, en België gooit hoge ogen. Maar het zou me niet verbazen als het Verenigd Koninkrijk België voorgaat. De Schotten gaan in 2014 naar de stembus om over onafhankelijkheid te stemmen en als zij gaan, konden Wales en Noord- Ierland wel eens snel volgen. Maar hoewel het einde voor ons allen komt, en dus ook voor staten, is het exacte eind niet te voorspellen. Vaak komt er geen enkele waarschuwing. Kijk naar de Sovjet- Unie, het grootste land op aarde en militair volkomen onbedreigd in zijn soevereiniteit. Maar het kon zichzelf niet redden.’
De tijdelijkheid van alles wat de mens opbouwt, is de rode lijn door het boek. En daarmee stelt de schrijver zich impliciet op tegen veel van zijn Engelse collega’s die het Verenigd Koninkrijk graag als de logische eindconclusie van de geschiedenis zien. ‘Ik ben allergisch voor triomfantelijke geschiedschrijving en het toeval wil dat Engelsen daar bijzonder bekwaam in zijn. Veel van mijn collega’s mogen graag denken dat het vanzelfsprekend was dat Engeland bij Waterloo won, en vergeten dat de meeste soldaten daar Iers en Schots waren! Dat er tegen die tijd überhaupt geen Engeland als onafhankelijke natie meer bestond, wordt al helemaal niet meer erkend. Ik ben me van die neigingen bewust en zet me er graag tegen af.’
Hij heeft duidelijk sympathie voor de underdogs van de geschiedenis. Met name voor de rijken die de pech hadden onder de voet te worden gelopen door andere, hongerige staten. Davies scherpt de term underdog aan: ‘Sommige van deze landen bestonden eeuwen, een enkele zelfs meer dan een millennium. Dat is een prima score, dunkt me. Maar ik heb inderdaad een groot zwak voor de underdogs van ons geheugen. De mensen wier grootste successen en hoogtepunten vergeten zijn. En ik beleef er groot plezier aan deze geschiedenissen als een soort scheepsberger weer boven water weten te halen.’

Strandjutter
Heeft dit alles iets met Davies’ eigen Welshe wortels te maken? In het boek vertelt hij wat hij voelde toen hij achter de betekenis van het Welshe woord voor Engeland kwam. In Wales wordt de oosterbuur Lloeger genoemd, ‘het verloren land’ dat de Kelten voor eeuwig aan de Angelsaksen hebben moeten laten. Een diepe sympathie voor de overwonnenen was geboren. ‘Zeker, maar voor een deel komt dat voort uit pure wedijver met mijn vader. Hij moest van zijn vader Welshe liedjes zingen voor hij mocht eten en werd zodoende fel anti-Welsh. Ik bleek precies als mijn vader en zette mij weer vrolijk tegen hem af.’ Het resultaat is een boek dat zijn verschillende onderwerpen in hun waarde laat. Er wordt niet geprobeerd om een al te strak keurslijf te vinden waarin in de vergeten rijken moeten passen.
Davies noemt zichzelf een strandjutter. Zijn boek is ‘een bergplaats van overblijfselen van gezonken schepen van staat en het nodigt de lezer uit om, al is het maar in gedachten, met plezier toe te kijken hoe de gezonken galjoenen hun geknakte mast weer oprichten, hun anker ophalen, hun zeilen ophalen en hun reis over de golven van de oceaan vervolgen.’

Op 26 februari was er in De Avonden een interview met Norman Davies te horen. U kunt het fragment hier terugluisteren: