Zwaarmoedigheid in de letteren

Maurice Woestenburg ,

Literatuurwetenschapper Ton Anbeek vraagt zich af of de huidige westerse literatuur niet op een dood spoor is beland. Zwaarmoedige verhalen en romans, ooit waren die schokkend. Maar tegenwoordig? Een roman die goed afloopt, dat zou pas origineel zijn.

Afgelopen maandag was het Blue Monday. De derde maandag van januari schijnt de meest deprimerende dag van het jaar te zijn. Deze dag werd in 2005 door een Brits reclamebureau in het leven geroepen, om mensen een reis naar de zon te laten boeken, en sindsdien is Blue Monday voor vele media aanleiding om aan deze tragiek een luchtig bericht te koppelen. De Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) besloot het anders te doen en organiseerde een avond waarop de hedendaagse relevantie van zwaarmoedige literatuur werd onderzocht.

De SLAA poneerde de stelling dat zwaarmoedigheid onder hedendaagse jonge schrijvers haast geen rol meer lijkt te spelen. Ton Anbeek, schrijver en literatuurwetenschapper, en maandag een van de sprekers, bestrijdt dat. Volgens hem wordt de moderne literatuur beheerst door een aantal thema’s die steeds weer terugkomen: de onvolmaaktheid van het bestaan, de onmogelijkheid om elkaar (en de wereld) te begrijpen, de liefde als illusie, etc. Het zijn niet bepaald vrolijke thema's, sterker, het is ellende alom.

Tot een anderhalve eeuw geleden was dat fundamenteel anders. Toen was de literatuur juist optimistisch en opbeurend van aard. Volgens Anbeek vond de omslag plaats in 1857, het jaar dat Madame Bovary (Gustave Flaubert) en Les fleurs du mal (Charles Baudelaire) verschenen. Beide auteurs werden ogenblikkelijk veroordeeld, vanwege de ‘aantasting van de goede zeden’.

In Nederland regeert dan nog steeds het proza met de goede afloop. Het kantelpunt komt pas dertig jaar later, als drie afwijkende romans voor de nodige ophef zorgen. Dat begint met Een liefde, een roman uit 1887, waarin Lodewijk van Deyssel de geschiedenis van een slecht huwelijk beschrijft. De man troost zich met de dienstmeid, terwijl de vrouw zich met zelfbevrediging verzoent. Een taboe in die tijd. Met Couperus’ heldin in Eline Veere (1889) loopt het slechter af. Zij nam een overdosis morfine omdat ze naar de dood verlangde. De derde roman is Juffrouw Lina van Marcellus Emants, uit 1888, waarin een moeder en dochter zich allebei voor de trein gooien. Volgens Anbeek liggen deze boeken ten grondslag aan ‘de ontwikkeling van het Bijbelse geloof, hoop en liefde naar de variant die Gerard Reve daarvan maakte: seks, drank en dood’.

Waarom kent de meeste moderne literatuur geen goede afloop? Waarom draait het almaar om ellende en verderf? Is de literatuur soms op een dood spoor beland? Anbeek geeft de moed niet op: ‘Literatuur kan altijd veranderen. Honderdvijftig jaar geleden was het immers ook anders. In cultuur is altijd beweging. De literatuur verandert als het geen verrassingen meer biedt.’

Naast Anbeeks mini-college werden er op de avond bij SLAA zwaarmoedige verhalen en gedichten voorgedragen. Daan Heerma van Voss schreef speciaal voor deze avond Een larmoyante, droevige, treurigstemmende jammerklacht over een lelijk en clichématig iemand die onze aandacht niet verdiend. Het verhaal is hieronder te beluisteren.