Esther David

Lees hier het korte verhaal van de Indiase schrijfster Esther David, De volle maan, over een vriendschap tussen twee meisjes. 'Ze was twee jaar geleden gestorven, maar mijn ouders zeiden dat haar ontevreden ziel in mijn lichaam zat.'

Esther David - De volle maan

Volgens mijn ouders moest ik, als ik een nieuw leven wilde, het oude dat niet bij me hoorde eerst afschudden. En dus werd mijn hoofd in het water geduwd. Het water drong in mijn ogen en neus. Het voelde alsof ik verdronk en dicht bij de dood was. Grote, sterke handen die naar tabak roken bleven me terug in het water duwen. Ik was hulpeloos. Toen ik weer onder werd gedompeld raakte mijn hoofd een steen. Eenmaal boven voelde ik hoe het bloed langs mijn hoofd sijpelde.
 
Ik was er zeker van dat ze me dood zouden maken. Waren het moordenaars? Als dat zo was, waarom keken de politie-agenten dan rustig toe terwijl ze wat hete jalebees aten?
 
Voor even werd mijn hoofd weer boven water getild. Ik zag een oranje volle maan in de cirkel van vier hoofden om me heen. Samen leken ze op een vierkoppig, demonisch masker. Ik kan me nog steeds elk detail herinneren van de hoofden toen ze over me heen bogen. Ik was verbaasd dat ik de kamelen kon ruiken die dichtbij stonden.
 
De gezichten van de mannen waren allemaal verschillend, maar ze leken op elkaar in hun gretigheid. De dunne had hoge jukbeenderen, hazetanden, geolied haar en een klein dun snorretje, alsof iemand een lijntje over zijn tanden had getrokken. De oudere had een lange grijze baard, zoals een heilige man, en lippen die rood gekleurd waren door het paansap. De kleine was kaal. Hij had dikke lippen en ogen zo gitzwart dat ze er uitzagen als twee gaten in zijn hoofd. De dikke had een vierkant plat hoofd met vriendelijke ogen, haar dat uit zijn oren groeide en twee enorme tanden die over zijn lip heen schoven. Kwijl gleed langs zijn kin, maar voordat het op mij terecht kon komen werd mijn hoofd alweer teruggeduwd in het water.
 
Vol razernij schreeuwde ik ‘Laat me gaan!’ Meteen daarna staakten ze de marteling. Ze dachten dat Mina tegen ze had gesproken die terugging naar haar eigen wereld.
 
Mina was mijn beste vriendin geweest. We waren samen opgegroeid. Ze was twee jaar geleden gestorven, maar mijn ouders zeiden dat haar ontevreden ziel in mijn lichaam zat.
 
Als een natte doek werd ik neergesmeten op de cementen vloer rondom de vijver. Half verdoofd hoorde ik gegil om me heen. Nog meer mensen zoals ik werden in het water geduwd. Meer vrouwen dan mannen, merkte ik.
 
Ik kon niet ademhalen en wilde dat ze me met rust zouden laten. Maar ze waren nog niet met me klaar. Ze trokken aan mijn kleren en aan mijn juwelen. Het was een ritueel dat op het verdrinken volgde. Ik kon niets doen. Mijn moeder verborg haar gezicht in het uiteinde van haar sari, zag ik. Toen voelde ik hoe een van de mannen probeerde mijn teenring te bemachtigen, eentje in de vorm van een schorpioen die ik van Mina had gekregen. De ring leek de man te steken, maar hij zei niets. Even was ik doodsbang dat hij mijn teen er af zou snijden om de ring te kunnen bemachtigen.
 
Na het ceremoniële beroven lieten ze mijn sari, halsketting, ringen en enkelbanden achter. De witharige heilige had heel voorzichtig mijn gouden neusring losgeschroefd en meegenomen. Het voelde alsof ik moest overgeven toen hij in mijn gezicht ademde. Ik had graag gezien dat Mina haar nagels in zijn gezicht had gezet, maar ze hadden haar verdreven. Mijn moeder veegde me schoon met het uiteinde van haar sari en dankte godin Ganga dat ze me verlost had van Mina’s geest.
 
Moeder droeg een wit met rood gebatikte sari. De rode plekken deden me denken aan het bloed op Mina’s dode lichaam toen ze haar terugbrachten naar haar moeders huis.
 
Ik wilde omkijken naar de vijver vol gillende mensen, maar mijn moeder hield mijn armen vast en mijn vader mijn nek. Ze zeiden dat als ik om zou kijken, Mina me weer zou volgen.
 
Op het busstation kwam ik bij met een kopje thee. Mijn ogen brandden toen ik opkeek naar de volle oranje maan. Het was dezelfde maan die had geschenen op Mina’s trouwdag. Maar de nacht dat ze haar lichaam thuis hadden gebracht was maanloos geweest. Een straaltje bloed had langs haar hoofd gestroomd, net als het bloed dat nu van het mijne druppelde. Ik voelde het op mijn handen en wilde schreeuwen op dezelfde manier als ik de afgelopen twee jaar had geschreeuwd. Tot ik de versteende gezichten van mijn ouders zag en besloot dat niet te doen. De beproeving was teveel geweest voor ze. Ik was bang om te schreeuwen, aangezien we nog steeds in Pushkar waren. Ze zouden denken dat de geest van Mina nog steeds niet was geweken en me opnieuw aan het verdrinkingsritueel onderwerpen.
 
Ik voelde een traan langs mijn gezicht glijden toen ik me bedacht dat ik Mina voor altijd kwijt was. Mijn moeder huilde in haar thee, terwijl ze Mina vervloekte omdat ze ons had geruïneerd. Daarna scheurde ze een stuk van haar sari af en verbond mijn voorhoofd ermee.
 
Het is niet makkelijk om Mina te vergeten. We leefden in dezelfde straat. We gingen naar dezelfde school in de buurt van Bhadra Fort. We leefden in een klein houten huis, allemaal opeengepakt, in een piepklein beschaduwd straatje. De straat was ons universum, met de koeien, de fietsers en de groepen oude vrouwtjes op weg naar de tempel. Soms speelden we binnenshuis en lazen we elkaar verhalen voor. Maar het leukst vonden we het om “huisje” te spelen met het kleine bronzen keukengerei. We kookten denkbeeldige maaltijden met groene mango’s en neem blaadjes. We speelden om de beurt man en vrouw, terwijl we moeders sari’s en vaders kurta’s droegen.
 
In zekere zin geloofden we ook echt dat we getrouwd waren met elkaar. We vierden zelfs onze trouwdag door bloemenkransen uit te wisselen die we zelf hadden gemaakt van jasmijnbloemen en met ons zakgeld kochten we een reep chocola. Onze gezichten zaten onder de gesmolten chocola, maar we weigerden onze moeders te vertellen dat we de reep zelf hadden gekocht om een speciale gelegenheid mee te vieren. Ondanks het pak slaag onthulden we ons geheim niet.
 
Onze levens waren een droom, tot we vijftien werden en onze moeders zeiden dat ze op zoek waren naar huwelijkskandidaten. Mina mocht van haar vader niet meer naar school. Al snel was ze verloofd met een jongen die ze maar een keer had gezien. Ik had meer geluk, aangezien ik donker was en niet zo mooi als Mina. Het was moeilijk een goede partij te vinden voor me. Volgens mijn vader kon ik beter mijn school afmaken, zodat ik met mijn goede opleiding een bruidegom aan zou trekken.
 
Toen ik voor mijn examens studeerde zat Mina naast me en las mijn studieboeken. Ze droeg een halve sari over een lange rok en zei dat ze liever mijn vrouw wilde zijn dan met een man trouwen die ze niet kende. Ze vond hem niet aardig en hij leek niet op haar favoriete filmster. 
 
Naarmate de trouwdag dichterbij kwam werd mij verteld dat ik Mina niet meer elke dag zou zien, aangezien het huis van haar verloofde aan de overkant van de rivier lag. Geleidelijk aan zag ik haar steeds minder. Haar moeder hield haar bezig met allerlei voorbereidingen voor het huwelijk.
 
Op een avond kwam ze me opzoeken. Ze fluisterde dat ze me een geheim wilde toevertrouwen, en dus gingen we op het muurtje bij mijn huis zitten, zoals we ook altijd hadden gedaan voordat ze verloofd was. Ze maakte een verstoorde indruk. Haar verloofde had haar meegenomen naar een film en toen het donker was had hij geprobeerd haar borsten aan te raken. Toen ze in mijn armen lag en huilde, maakte ik me zorgen om Mina. We waren nog tieners, ergens tussen kindertijd en volwassenheid in. Ik was bang voor die naderende volwassenheid.
 
De dag dat Mina trouwde was ik volkomen in de ban van het ritme van de drums en Mina’s tranen. Ik dacht dat ze nooit op zou houden met huilen. De vrouwen zeiden dat het heel natuurlijk was voor een meisje om op haar huwelijksdag te huilen.
 
Toen zag ik Mina een heel jaar niet. Mijn moeder vertelde dat ze af en toe weleens bij haar familie langs kwam als ik op school was, maar dat ze de meeste tijd doorbracht bij haar schoonzuster.
 
Een van haar visites viel in mijn vakantie en dus kwam Mina’s moeder vragen of ik haar niet even wilde zien. Mina zag er mager en treurig uit en lachte niet meer zoals vroeger. Ik dacht dat dat kwam omdat haar schoonzuster er bij was. Mina zat erbij als een gast in haar moeders huis. We konden niet met elkaar praten, maar toen ze wegging omhelsden we elkaar en stopte ze snel een briefje in mijn hand. Daar stond op dat ik tegen haar ouders moest zeggen dat als ze niet zo snel mogelijk de rest van de bruidsschat betaalden, haar schoonfamilie haar zou vermoorden.
 
Toen ik de boodschap overbracht aan haar moeder, bleek zij alles al te weten over Mina’s situatie. Ik was geschokt. Haar ouders waren hulpeloos in deze kwestie; ze konden helemaal niet tegemoet komen aan de eis van de schoonfamilie en konden haar ook niet weer in huis nemen, omdat het huis van haar man de enige juiste plek is voor een getrouwd meisje.
 
Zes maanden daarna kwam Mina’s dode lichaam terug in de straat waar we vroeger gespeeld hadden. Ze zeiden dat ze zelfmoord had gepleegd. Wij wisten dat ze vermoord was. Het briefje dat ze aan mij had geschreven was nutteloos. De vrouwen zeiden dat ze geluk had gehad dat ze als getrouwde vrouw was gestorven.
 
Als Mina niet was getrouwd, dan hadden we ons samen voorbereid op ons eindexamen, bleef ik maar denken. Toen we Mina voor de begrafenis haar bruiskleding aantrokken zag ik alleen maar de sari met bloedvlekken voor me en de tekenen van geweld op haar lichaam. Vanaf die dag zag ik mezelf ook vaak voor me op mijn begrafenis, gekleed als bruid. Ik zou schreeuwen en om Mina roepen.
 
Ik schreeuwde vaak om haar. Mina’s dode lichaam bleef in mijn geheugen, en soms voelde het alsof ik zelf Mina was. Vaak moesten ze me vastbinden aan mijn bed, want anders rende ik de straat op, in de veronderstelling dat ze ergens op me wachtte.
 
Geleidelijk aan raakten onze buren ervan overtuigd dat Mina’s gekwelde geest in mijn lichaam huisde. Intussen was ik gegrepen door een angst voor het huwelijk. Gelukkig wilde niemand een gekke schoondochter. Zo ontkwam ik aan Mina’s lot.
 
Mijn moeder probeerde alles om me te genezen - talismannen, heilig water, limoenen die op kruisingen werden gegooid. De familiedokter stelde voor me naar een psychiater te sturen, maar mijn vader weigerde. Volgens hem was ik niet gek en moesten ze op een of andere manier een methode vinden om mijn lichaam te bevrijden van Mina. Een vriend adviseerde mijn vader om me mee te nemen naar Pushkar in Rajasthan. Zo zijn we daar terecht gekomen.
 
Uit angst om weer verdronken te worden besloot ik het niet meer over Mina te hebben. Ik ging studeren voor onderwijzeres. Ik was moe van Mina en moe van mezelf.
 
Maar de vrede duurde niet lang. Op een avond was ik op het terras, keek naar de maan die opkwam vanachter het dak en dacht aan Mina. Mijn moeder kwam naar buiten en ging naast me zitten. Ze praatte over van alles en nog wat, nam toen mijn hand in de hare en vertelde me met een stem vol overtuiging dat ik een huwelijksaanzoek had gehad van de man van Mina. 
 
Ineens kon ik Mina binnenin me horen lachen. Ik voelde hoe ik weggleed van het terras en tegen de grond sloeg, op dezelfde plek waar we altijd hadden gespeeld. Om me heen was de vreemde geur van bloed, chocola en jasmijnbloemen.

Esther David groeide op in Ahmedabad in de joodse Bene Israël gemeenschap. Ze is als kunsthistorica verbonden aan diverse universiteiten en schrijft voor een aantal Indiase kranten. In haar boek By the Sabarmati, waaruit het verhaal De volle maan afkomstig is, beschrijft ze de lotgevallen van 22 vrouwen. David streeft ernaar de vrouwen die ze heeft gesproken zoveel mogelijk zelf aan het woord te laten. In 2003 verscheen Book of Esther, een joods-Indiase familiegeschiedenis.