Schrijvers op reis #2

Maurice Woestenburg ,

Binnenkort verschijnt de bundel 'Schrijvers op reis', waarin ruim twintig schrijvers de eerste, mooiste en ergste verblijven in het buitenland memoreren. Aan de vooravond van die verschijning publiceren wij drie verhalen voor. Vandaag de tweede: 'Speedwell Cavern. Reisadvies: negatief' van schrijver en essayist Atte Jongstra.

SPEEDWELL CAVERN (Reisadvies: negatief.) Op reis moet je ver gaan, een toerist wil iets beleven. Diep gaan is niet altijd ideaal. Tip: vermijd Speedwell Cavern in het Peak District nabij Manchester (Engeland). Het begint met een afdaling van 105 traptreden, beneden ligt een boot klaar van één meter breed. Volgt een tocht door een loodmijntunnel uit 1771. Men vaart een heuvel in van tweemaal honderd meter hoog. Bootje wiebelt, angst slaat toe: stel het kiepert, zwemruimte afwezig. Eerste zweetuitbraak, hartslag verhoogd, trilling onder het rechteroog. De boot wordt met de hand aan het rotsplafond langzaam voortbewogen, halverwege stuurt de schipper een doodlopende gang in om een tegenligger langs te laten. Het plafond daalt tot een halve meter boven de waterspiegel. Gehoekte houding. Ademnood, méér zweet, prikkels in alle haarwortelpunten. Zucht naar licht. Dan de beloofde grot waarin een bottomless pit. Men ademt op. Voelt zich geborgen. Bewondert een -miet en -tiet of twee, en de pit stelt gerust. Bodem gewoon in zicht. Maar men moet ook weer dezelfde weg terug. Dus wéér dat motorloze wankelbootje in, voor een eindeloze tocht door een koker van graniet. Dun darmgerommel, depersonalisatie. De wens dat men iemand is die elders ademhaalt dan hier.
(Aldus genoteerd in 1984.)

Vakantie, leve! Zomer uitgebroken in dat jaar, eropuit! Wij naar Engeland, mijn vriendin van toen en ik. Van de televisie herinnerde ik me een aflevering van de proto-soapserie Coronation Street (reeks 6, episode 52 van woensdag 30 juni 1965, naar mij later bleek) waarin de stamgasten van Rovers Return Inn door de kroegbaas worden getrakteerd op een dagje uit naar Speedwell Cavern. Een vrolijke aflevering. Ik kon mijn vriendin imponeren met de precisie van dit reisdoel. Had geen idee wat mij te wachten stond, behalve dan een bottomless pit en die –tieten en –mieten, want die had ik op tv gezien.
‘It is damp and fun!’ riep ik.
Top. Gingen we doen. Wat voor mij ook tot aanbeveling strekte was het stel dat in dezelfde Coronation Street-episode boven bleef en zich vlijde op het gras, onder het genot van vage handtastelijkheden en een huwelijksbelofte. Misschien zou mijn vriendin zich na de ondergrondse reis eindelijk voor mij openen en konden we het Paradijspad op. Het was een beeld, maar wel hardnekkig.

Van mijn ervaringen ter plaatse maakte ik al gewag. Traumatisch. Dat zij nadien maar door bleef juichen over Speedwell zoog de vaart uit onze liefde, die september ’84 niet meer haalde. En van enige opening was mij niets geworden.

Over en uit, denk je dan. Verleden tijd-vakantie. Die heb je soms, komt voor, niks aan te doen. Het bleek toch onvergetelijk. Iets getriggerd denk ik zo. Ik begon raar gedrag te vertonen. Betrapte me in de herfst daarna op almaar wrijven rond de navel met mijn hand. Vond mij nu en dan ontkleed terug in het Frederik Hendrikplantsoen ter stede, terwijl ik begeleid door vrouwengillen naar mijn trenchcoat zocht. Een lekker vrij gevoel. ’s Nachts gevolgd door ademnood en druktoestanden, dat was wel weer minder. Win some, lose some, dacht ik maar. ’t Ene woog best tegen ’t andere op. Alles dus goed, tot tijdens steeds nog onbegrijpelijk gorgelsnerpen in dat Amsterdamse park een politieauto opdook. Zwaailicht, sirene, de hele opera. Opgepakt. Potloodventer ingerekend, werd gezegd, terwijl mijn almaar gestreken kruisheer van geen opstandingwist.
‘Waar is dat potlood dan?’ wist ik uit te brengen.
De flux de bouche was mij ontvloden in deze compleet opgeluisterde toestand, met boeien om mijn polsen. Ik geloof niet dat men mij erg sympathiek vond. Je gaat hoe dan ook gewoon het raderwerk in. Sta er maar eens aan. Cel in op het bureau, uitgelachen, badjas aangereikt gekregen, het ‘zielenpoot’ niet van de lucht. Daar zit je dan, in een kluisje van beton (vloer, bed) en roestvrij staal (wasbak, wc-pot) en glasbaksteen voor het uitzicht. Best fris. Je zit stil, het was oktober, geen radiator in zicht. Al die norse mannen die mij eten brachten, een dun matras, en een deken die als de duivel stonk. Het woord ‘vakantie’ is in al die dagen cel niet een keer in mij opgekomen. Even dacht ik uitgered te worden, zoals dat vroeger heette. Twee agenten brachten een vrouw in die zich dokter noemde. We wisselden wat woorden uit, ze was snel klaar met mij. Ik hoorde haar op de gang nog zeggen ‘Dat trek ik niet!’, toen ze met de Hermandad vertrok.

Het duurde. Langzaam wist ik mijn rust terug te vinden, al bleef het onwennig. Huid duur verkopen, dacht ik. Ben de eerste beste niet. Er kwam een nieuwe, ook een dokter. Ene Rank. Buitenlander, zwaar accent.
‘Gaat oe zittn,’ zei hij. ‘Ik louster.’
Wat er niet allemaal op je afkomt, na wat naveljeuk.
‘Leeft oe moeder nok?’
Dat was de eerste vraag. Ik was meteen geërgerd.
‘Zal ik u eens wat vertellen?’ begon ik.
Hij lousterde. Ik stak op luide toon van wal en zei: ‘Ik word gekenmerkt door het verlangen terug te keren naar de paradijselijke oertoestand van naaktheid waarin ik leefde vóór mijn geboorte.’
Zijn mond viel open. Dat werkte dus.
‘Een sterk gemankeerd geval als ik vindt een bijzonder genot in de handelingen van het uitkleden in de openbare ruimte. Met de nadruk op ruimte...’
Even zwijgen, om het effect. Hij leek ineens bijna kwetsbaar, ik nam wat gas terug.
‘Ik herinner me onbewust... Kan dat eigenlijk wel, dokter, onbewust herinneren?’
‘...’
Misschien was ik toch te hard van stapel gelopen.
‘Goed. Ik herinner me dus onbewust de verblijfplaats in de moederschoot. Bewust heb ik altijd angst gevoeld alleen te worden gelaten in een donkere kamer.’
Rank knikte. Zijn gezicht bleef in de plooi.
‘Het is een oerangst, dokter. Weet u, soms heb ik ook de behoeftemijn huis in brand te steken. Vuur, warmte, moeder, die associatiereeks. Een trekkend instinct.’
Na de arrestatie in het park en de vijandige behandeling door de agenten was mijn taal intussen weer redelijk op orde geraakt. Begon er plezier in te krijgen.
‘Natuurlijk heb ik deze impulsactie nooit uitgevoerd, zo hysterisch waren mijn schemertoestanden niet. Je kunt maar beter de fantasievorming een beetje in de hand proberen te houden, zeker als er introversie, hallucinatie en de stuporeuze en katatonische slotfase bij komt kijken. Toch? Maar je denkt er onwillekeurig aan.’
‘Sinds wanneer ervaart u deze dingen?’ vroeg de dokter.
‘Eigenlijk sinds een Engelse vakantie. Heel gek. Ik heb de laatste maanden ook steeds de onbedwingbare neiging overal gaten in te knippen.’
‘Weet u ook waarom?’
Nou, dat leek me nogal logisch.
‘U bent toch zenuwarts? Voor het uitzicht natuurlijk. Vrijheid!’
Even leek de psychiater ongemakkelijk heen en weer te schuiven op zijn stoel. Maar ik kon me vergissen.
‘Droomt oe veel?’
‘Och,’ zei ik. ‘Als ik daarover begin...’
Toch maar doen, vond de dokter.
‘Tja, het is eigenlijk gauw verteld want het is steeds dezelfde droom. Ik zie me zelf naar bed gaan terwijl ik er al in lig, vindt u dat niet raar?’
‘Gaat oe verder...’
‘En dan kom ik in het water. De golven zijn gemaakt van zacht en vloeiend materiaal. Best aangenaam eigenlijk. Maar ik kruip er toch uit en dan ben ik ineens een kever.’
Hier stond de psychiater op, hij haalde een briefje uit zijn binnenzak.
‘Ik heb een paar woorden opgeschreven toen ik hoorde waarvoor oe hier bent,’ zei hij. ‘Vertelt oe eens waar die oe aan doen denken.’

Hij zei ‘kangoeroe’, ik reageerde met ‘buideldier’. Volgden begrippenparen, zo druk ik het maar uit. Slapen – verwennerij. Bastille – bestorming. Onderzeeboot – benauwd. Leren broek…
‘Ja dokter,’ zei ik. ‘Die heb ik altijd al eens willen kopen, maar heb het nooit gedaan. Gek eigenlijk.’
‘Grot...’
‘...’

Alsof hij een stop uit een vat had getrokken. Al mijn reserves jegens de zenuwarts – verzet misschien – waren ineens verdwenen. Ik liep leeg zogezegd. Ik probeerde me eerst nog in te houden. Begon over Coronation Street, of de dokter dat kende. Vaag ja, speelde dat niet in een café? Hij noemde zelfs twee namen. Ena Sharples, Len Fairclough.
‘Precies!’ riep ik. ‘Ena met dat rare mutsje, en acne- Len. Grote kerel, maar met een heel klein hartje...’
Rank kende die ene aflevering met Speedwell Cavern niet.
‘Grappig,’ zei ik. ‘Ik ben er zelf óók geweest, in Speedwell Cavern.’
Toen begon het leeglopen.

Het was eigenlijk geen combinatie, die vriendin en ik. Katholiek meisje met een papenvreter als ik. En de seks was een probleem. Ze zat totaal op slot. Fysiek. Misschien heb ik het daarom wel zo lang geprobeerd. Had er ambitie in. En ik vond haar mooi, dat helpt. Ze had gevoel voor humor, ook bevorderlijk.
‘Dat laatste klinkt toch weer ontspannen,’ vond Rank.
‘Ze zat niettemin vol kramp. Een manisch huishoudtype, altijd met doekjes en lapjes aan het poetsen. Ze verstijfde als ik vrienden bij me had. En dan die keer dat ze in paniek opbelde: ze kon haar ogen niet meer open krijgen. Ik vertelde toch dat ook de seks...
‘Dat zei u al.’
‘Juist… Vandaar dat Engelse vakantiereisje. Ze was lerares Engels. Min of meer op eigen terrein, daar ontspant ze van, dacht ik. Misschien gebeurt er dan eens eindelijk wat. Nou, mooi niet.’
Kennelijk vond de dokter het dienstig mij een compliment te maken.
‘Het lijkt mij toch dat oe met liefde...’
‘Wat heb je aan zulke pogingen als het niks oplevert,’ onderbrak ik. ‘Er was geen doorgang in te banen. Toen dacht ik: schluss, mooi geweest. Ben gekke Henkie niet! Heb er nog best verdriet van gehad. Dat is het wel zo’n beetje. Dus, wat denkt u, dokter?’

De dokter zweeg. Begon toen twee halve zinnen, waar hij in bleef steken. Dacht na.
‘Oe stelt mij voor een raadsel,’ begon hij. ‘Mag ik oe vragen wat oe doet voor oe beroep? Leest oe veel?’
‘Ik ben schrijver,’ zei ik. ‘En lezen doe ik ook. Veel zielkundig werk. Ken u zelve, weet u wel? Dat is wel nodig als je boeken schrijft.’
Rank meende dat precies dit nu wel eens het probleem kon zijn.
‘Ik bedoel hiermee dat oe dénkt dat oe kennis hebt, maar misschien zijn andere waarheden beter.’
Opnieuw ergernis. Huizenhoog.
‘Pardon?’
Voorzichtig, om niet te zeggen angstig, opperde de dokter dat mijn hele openbare optreden misschien, wellicht, zou kunnen... Dat ik eenvoudigweg een schreeuw om aandacht had gegeven.
‘Daarbij heb ik oe een aantal regels horen citeren uit boeken op mijn vakterrein.’
Dat was goedkoop. Ik had hem toch net verteld dat ik zulke boeken las?
Misschien moest ik maar eens helemaal buiten mezelf raken.
‘Zozo…En dat is alles wat u denkt?’ vroeg ik.
Dat was het wel zo ongeveer, zei de dokter, die meteen resoluut op de celdeur klopte en door een agent werd uitgelaten. Einde gesprek. Ik was zeer teleurgesteld.

Natuurlijk was de opluchting torenhoog toen ik na twee dagen uit de kille, benauwde celruimte werd geleid. De agent van dienst gaf mij mijn veters en de sleutelbos, ik schoot de badjas uit en mijn trenchcoat aan.
‘Je krijgt nog post,’ zei de agent. ‘Het gaat je nog kosten, vader! En voor de rest: hou je kleren aan.’

Daar stond ik al op straat. Ik zoog mijn longen vol. Verlost!
Snel terug naar mijn geriefelijke, ruime woning. Weer aan het werk.
Ik zat net achter het bureau toen de telefoon ging. Een redacteur van ’t Handelsblad, waar ik veel voor schrijf. Of ik een serie reisadviezen kon verzorgen, liefst naar bizarre oorden. Voor de reisbijlage. Vond ik vast wel leuk.
‘En of!’ zei ik. ‘Ik heb er al eentje liggen. Speedwell Cavern, ooit van gehoord?’
Niet dus. Mooi. Meteen voor de andere reisadviezen gaan googelen, en met vrucht. Op naar Duitsland deze keer. Dit werd mijn nieuwe stuk:

BROCKENSPOOK (Reisadvies: positief) Op reis moet je ver gaan, een toerist wil iets beleven. Eenmaal in het restaurant boven op de Brockenberg (met 1142 meter de hoogste in de Harz) kan men zich tegoed doen aan o.a. Walpurgissoep, of holenbeerham opgediend in een bedje van hoppelpoppel – de menukaart uit 1911 werd nooit gewijzigd. Maar daarvoor hoeft men toch de berg niet op. Het sleutelwoord is ‘mist’. ‘De kale Brocken heeft een pruik van nevel,’ zoals de Duitser zegt. En in die pruik daar wonen heksen, getuige Goethes Faust. Wat Goethe echter niet vermeldt is wat die heksen met je doen. Ze slurpen je hele corpus op met hun geslacht! Schijnt een genot te zijn. De waarheid hieromtrent is iets voor liefhebbers. Op de Brockenberg woont een spook: het Brockenspook. Voor dit spook zijn drie dingen nodig. Een object – maar niemand gaat zonder eigen lijf een berg op. Mist - daar zorgt de berg zelf voor. En ten slotte: ondergaande zon in het Westen.
Daar staat men dan op de top, blikrichting oostwaarts. Wat er dan gebeurt! Je eigen schaduw tot honderdvijftig meter uitvergroot, aurorisch omkransd met het rood, geel, groen, lila en purper van de regenboog. Je valt op je knieën en stamelt: ‘Maar dat ben ik! Zo groot, zo machtig in de vrije ruimte... Och!’

  • 240 pagina's
  • 3 juli 2013
  • ISBN:9789029587761
  • De Arbeiderspers

Privé-Domein is een autobiografische reeks van uitgeverij De Arbeiderspers. De in Schrijvers op reis bijeengebrachte selectie verhalen vormt een bonte waaier van waargebeurde escapades en expedities, opgetekend door schrijvers uit het Nederlandse fonds van De Arbeiderspers en Privé-Domein. Met bijdragen van o.a. Abdelkader Benali, Anna Enquist, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, A.F.Th. van der Heijden, Joke J. Hermsen, Atte Jongstra, Ilja Leonard Pfeijffer, Pauline Slot, Christophe Vekeman, Arjan Visser, Christiaan Weijts en Joost Zwagerman.

Atte Jongstra (1956) is schrijver, dichter en essayist. Met zijn historische roman De avonturen van Henry II Fix (2007) brak Jongstra door naar het grote publiek. Hij schreef sindsdien onder andere de romans De heldeninspecteur (2010) en Kristalman (2012). Meer informatie op www.attejongstra.nl