Literaire braderie

Dirk-Jan Arensman ,

Het jaarlijkse Bloomsday Festival in Dublin is een eerbetoon aan James Joyce en zijn roman 'Ulysses'. Vertalersduo Bindervoet en Henkes trok naar Dublin om in het spoor van hoofdfiguur Bloom te zoeken naar de geluiden van 1904.

De allereerste keer dat de dag in Dublin werd gevierd, was dat bepaald een kleinschalige aangelegenheid. Op 16 juni 1954 besloten zes mannen, aangevoerd door uitgever John Ryan en romancier Brian O’Nolan en met als vertegenwoordiger van de familiebelangen neef Tom Joyce, de plaatselijke tandarts, in de gelederen, een bescheiden eresaluut te brengen aan James Joyce (1882-1941) en zijn monumentaal geworden roman Ulysses (1922). Exact een halve eeuw nadat hoofdpersoon Leopold Bloom door de straten van de Ierse hoofdstad trok, zouden zij in diens voetsporen treden.

Er werden twee ouderwetse paardentaxi’s gehuurd, en met het boek onder hun arm gingen ze op weg. Alle beschreven locaties wilden ze bezoeken, de daar spelende passages plechtig aan elkaar voorlezen, om uiteindelijk hun literaire pelgrimage te besluiten in de rosse buurt, door Joyce ‘Nighttown’ genoemd, waar de Joodse advertentieverkoper en middle class-Odysseus in diens verhaal rond middernacht in een bordeel verzeild raakt.

Zover kwamen ze helaas niet. Ergens halverwege de middag, nadat ze onder meer het decor van de openingsscène, Martello Tower, het strand van Sandycove en Blooms woonhuis in Eccles Street hadden aangedaan, strandden ze uitgeput en vrolijk beneveld in Baileys pub. Missie mislukt. Hun stadsgenoten zullen het tafereel onderweg ongetwijfeld meewarige hebben aangezien. En het zou nog tot de honderdste geboortedag van de schrijver in 1982 duren voor ze op grote(re) schaal navolging kregen. Maar evengoed kun je achteraf zeggen dat met hun uitstapje Bloomsday was geboren. Aanstaande zondag is het weer zover. Miljoenen liefhebbers over hele wereld, die zichzelf graag ‘joyceanen’ noemen, vieren dan hun held en zijn werk. Er zijn festiviteiten in het Hongaarse plaatsje Szombathely, waar Blooms immigrantenvader Virág Rudolf werd geboren. In Triëst, waar Joyce het eerste deel van zijn roman schreef, komt men samen in het Joyce Museum. En ook in Genua, Sydney, New York en Praag zullen er vele pullen Guinness op zijn genie worden geheven.

Citroenzeepjes
Het centrum van het joyceaanse universum vormt uiteraard Dublin. De stad waaraan Ulysses een even liefdevolle als genadeloze ode is, reden waarom hij er decennialang werd verguisd en tenslotte door in de inwoners en het toeristenbureau weer in de armen gesloten. Als de stad ooit vernietigd werd, wist de schrijver, zou die aan de hand van zijn boek steen voor steen heropgebouwd kunnen worden. En minstens één keer per jaar wordt er nu werkelijk alles aan gedaan om Joyce’s fictionele wereld tot leven te wekken. Het Bloomsday Festival, door Dubliners niet voor niets ook wel licht spottend ‘The Feast of Saint Jam Juice’ genoemd, is misschien nog het best te omschrijven als een wonderlijk mengsel van folkloristisch carnaval en bijna religieuze lezerstoewijding. Overal tuffen oldtimers rond en paraderen dames in Edwardiaanse jurken met petticoat en heren met bolhoeden op over straat. In het James Joyce Center in North Great George’s Street wordt een ontbijt geserveerd met schapenniertjes en varkenslever, precies zoals Leopold Bloom die nuttigde, terwijl je ’s middags in een kroeg aan Duke Street zijn lunch krijgt voorgeschoteld: een gorgonzolasandwich met een glas bourgogne. En temidden van die literaire braderie spelen acteurs en leerlingen van de toneelschool scènes na en trekken mensen in processie naar drogisterij Sweny’s op Lincoln Place, omdat Leopold precies daar een flesje lotion en een stuk citroenzeep kocht. De zaak ging ooit failliet, maar werd door vrijwilligers als cultureel erfgoed overeind gehouden. De citroenzeepjes vliegen er als bedevaartssouvenirs de winkel uit. Ook altijd een fijne plek: Meeting House Square, waar prominenten en gewone stervelingen, dit jaar onder de bezielende leiding van schrijver Dermot Bolger, in de Temple Bar fragmenten voorlezen en liedjes zingen die in Ulysses voorkomen, verzameld in The Big Blue Book of Eccles. En dan hebben het nog niet eens gehad over die ene act, een jaarlijks knipooghoogtepunt, die twee mannen steevast opvoeren rond het boek ‘dat het aangezicht van de wereldliteratuur veranderde’: de een speelt ‘het aangezicht’, de ander katapulteert met een lang elastiek een exemplaar van het modernistische meesterwerk op hem af. Voor wie zin heeft gekregen: een overzicht van georganiseerde wandelingen en andere feestelijkheden is op de James Joyce website te vinden.

Veertien coupletten
Voor de thuisblijvers is er op, eh, Bloomsavond de radiodocumentaire De klank van Ulixes, waarvoor maker Guido Spring met als droogkomische reisleiders het vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes naar Dublin trok om in het spoor van Bloom te zoeken naar de geluiden van 1904.

‘Dat was soms wel een probleem,’ zegt Bindervoet, ‘want je hoort er tegenwoordig natuurlijk vooral razende auto’s en weinig gezellig-ratelende rijtuigjes. Maar de zee bij Sandycove klinkt gelukkig altijd hetzelfde: fijne klotsende geluiden, terwijl je toch het gevoel had dat je over dezelfde schelpjes liep als Stephen Daedalus.’ Ook een succes was het bezoek aan de pub Barney Kiernan’s, de plek waar Leopold het in het hoofdstuk ‘Cyclops’ aan de stok krijgt met een nationalistische stamgast en een koekblik naar zijn hoofd geslingerd krijgt. De naam was veranderd en de klanten hadden geen benul van het literair belang van hun kroeg. ‘Maar de sfeer was in honderd jaar niks veranderd. Om een uur ’s middags zat het vol dronken mannen, alleen mannen, die je de oren van je hoofd praatten of zaten te mediteren boven hun Guinness. Tot iemand met een enorm litteken op zijn kalende hoofd zich ophief en uit het niets een prachtige ballade van veertien coupletten begon te zingen, waar iedereen ademloos naar luisterde.’ De man die het bier kwam brengen was wat moeilijk te verstaan, omdat-ie nog maar één tand had. ‘Couleur locale noemen we dat.’

Onderweg troffen ze verder onder meer enkele Joyce-exegeten, omdat er ‘toevallig net een congres bezig was over de interpunctie in Ulysses of zoiets’, mochten ze in de National Library enkele originele aantekenboekjes van de meester inzien en las de curator van het aan hem gewijde museum de eerste zinnen voor en hoor je actrice Margijn Bosch een deel lezen van hun vertaling van de beroemde slotmonoloog van Molly Bloom.

Dikke kans dat je na drie kwartier zin krijgt om dat boek dan eindelijk echt eens te gaan lezen. En mocht het dat er toch weer niet van komen, dan is er altijd nog de bijdrage van singer/songwriter Lucky Fonz iii. Speciaal voor De klank van Ulixes nam die namelijk de Bindervoet-en-Henkes-variant van de Beatles-song ‘Ob-La-Di, Ob-La-Da’ op. ‘Odysseus, Odyssee’ levert dat op, een liedje dat de saga van ‘Polly en Molly’ in nog geen drie minuten kernachtig samenvat.
Allemaal: Odysseus, Odyssee, leef nu hier, ja, Ja, ja, want je leeft nu hier!

De documentaire De klank van Ulixes van Guido Spring wordt a.s. zondag om 21.04 uur op Radio 1 uitgezonden, bij Holland Doc Radio.