Monschau

Maurice Woestenburg ,

Binnenkort verschijnt de bundel 'Schrijvers op reis', waarin ruim twintig schrijvers de eerste, mooiste en ergste verblijven in het buitenland memoreren. Aan de vooravond van die verschijning publiceren wij drie verhalen voor. Vandaag de laatste: 'Monschau' van de Vlaamse schrijver Christophe Vekeman.

Monschau

Toen ik een jaar of negen was, zetten mijn ouders eindelijk de stap: niet langer zou gedurende een week van de zomervakantie onze eigen Belgische kust mijn vader, mijn moeder en hun enige kind tot verblijfplaats dienen, nee, deze keer togen wij naar het Buitenland. Naar Monschau, meer bepaald, ook wel bekend als ‘het Afrika van Europa’, of daar leek het toch op als je de weken voor vertrek mijn ouders bezig zag. Waar hun voorbereidingen precies uit bestonden, heb ik nooit kunnen achterhalen, maar slechts zelden zullen voor twee volwassen mensen de dagen zoveel te kort zijn geweest als voor hen in die periode, en toen zij eindelijk vertrekkensklaar waren, hingen de wallen mijn moeder diep naast de neus, was mijn vader nog maar vel over been, en was ‘een welverdiende vakantie’ oneindig veel te zacht uitgedrukt.
Hoewel het van het dorp waar wij woonden naar Monschau amper twee uur rijden was, zelfs als je eenzelfde gemiddelde snelheid aanhield als mijn vader, die er vandaag de dag nog altijd prat op gaat in zijn hele leven nóóit een medeweggebruiker te hebben voorbijgestoken, vingen wij de reis aan in het holst van de nacht, zodat wij in Monschau arriveerden rond kwart over vier in de ochtend. Ik was de hele weg lang wagenziek geweest, net als mijn moeder, trouwens. Mijn vader op zijn beurt had zich sterk gehouden, al had ik nooit geweten dat hij er zo krijtwit, oud, doodmoe, afgepeigerd en versleten kon uitzien. Hij blééf zich maar het voorhoofd wissen, wat hij begonnen was te doen toen aan de grens een douanier hem had gevraagd of hij ‘iets aan te geven’ had. Mijn vader had niets aan te geven, maar maakte zich door zijn over joviale, aan niets dan gierende nervositeit ontsproten toon en handgebaren zó hopeloos verdacht – zijn poging om door het opengedraaide raampje de douanier familiair op de schouder te kloppen draaide er helaas op uit dat hij de man vol in de maagstreek trof – dat hij verzocht werd rustig uit te stappen en wijdbeens tegen het dak van de auto te gaan leunen teneinde onderzocht te worden op het bezit van vuurwapens en dergelijke. Maar behalve zijn portefeuille droeg hij dus enkel een zakdoek bij zich, die om kwart over vier in de ochtend, Monschause tijd, waarlijk drijfnat moet zijn geweest. Toch was het daar en toen, te Monschau om kwart over vier in de ochtend, dat wij het hoogtepunt van onze reis beleefden. Noch mijn moeder, noch mijn vader, wil ik zeggen, hebben bij mijn weten ooit nog even opgelucht geklonken als toen wij alle drie onze Toyota Corolla hadden verlaten en zij om beurten zeiden: ‘We zijn er.’ Het was een erg mooi moment, dat mij – zeker na de van stress en slechte luim doordrongen sfeer van de voorbije weken – haast grenzeloos verblijdde, en dat mij ook nu nog altijd, als ik eraan terugdenk, met een gevoel van vreugde vervult.
‘Zo, we zijn er,’ zei mijn moeder.
‘Ja, we zijn er geraakt,’ beaamde mijn vader.
Het leek er kortom op dat van dan af aan alles op wieltjes zou lopen, en dat de vakantie –met alle ontspanning, lol en voorspoed van dien – eindelijk van start kon gaan. En inderdaad, toen wij ruim zeven uren later, na eindeloos diplomatiek overleg tussen mijn vader en de hoteluitbater, reeds om kwart over elf in plaats van om twee uur ’s middags de door ons gereserveerde kamer konden betrekken, verkeerde het hele gezin behalve in een toestand van mentale en fysieke uitputting ook in een soort van triomfantelijke, weinig typische overwinningsroes, die mijn vader zelfs verleidde tot de uitspraak ‘Ich bin ein Berliner’. De roes was evenwel van korte duur, want mijn moeder vond dat het de hoogste tijd werd om (‘Voordat wij het vergeten, eigenlijk hadden wij het al kunnen doen’) ansichtkaarten te kopen en die vandaag nog op te sturen naar familieleden, buren en collega’s, zo niet dan zouden zij pas aankomen wanneer wij zelf allang weer thuis waren, en dat gaf zo’n onnozele indruk. Vervolgens vroeg mijn moeder zich hardop af wat zij ‘nu alweer’ zou moeten schrijven.
‘Zeg dat het hier goed weer is,’ was het prima idee van mijn vader.
Mijn moeder nieste. ‘Het is beniest, dus is het de waarheid,’ zei ze, hoewel een kind – ik, bijvoorbeeld – kon zien dat de lucht buiten inmiddels flink betrokken was geraakt, en dat het nooit lang meer kon duren eer de eerste regendruppels onverbiddelijk langs de ruiten omlaag zouden druipen.
‘Schrijf het tóch maar,’ sprak mijn vader later die middag mijn moeder aansporend toe. Wij zaten in een groot, keurig café, langs de ruiten waarvan de regen onverbiddelijk omlaag droop, nog steeds. ‘Weten zij veel wat voor weer het hier is.’
‘Zonnige groetjes uit Duitsland,’ las mijn moeder langzaam voor terwijl zij de woorden neerschreef. ‘Of nee, uit Deutschland,’ zei ze.
‘Trouwens, iedereen moet zich met zijn eigen zaken bemoeien,’ vond mijn vader, die niet tegen de drank kon en reeds een half halveliterglas pils achter de kiezen had. Als gewoonlijk had hij veel liever een watertje besteld, maar mijn moeder was al net zo onverbiddelijk geweest als de omlaag druipende regen: mijn vader moest voor een keer eens gezellig doen, zij waren op vakantie in Duitsland, en daar hoorde een pint bier bij, punt aan de lijn. ‘Trouwens, achter de wolken schijnt de zon,’ voegde hij eraan toe, ‘dus een echte leugen is het niet. Wat vind jij, jongen?’ vroeg hij, en hij keek mij aan, opeens, op een manier alsof de kans reëel was dat hij in slaap zou vallen waar hij zat.
De volgende ochtend voelden wij ons alle drie een weinig verkouden, maar dat waren wij uiteraard gewoon van aan de Belgische kust, dus dat kon de pret niet drukken, en manmoedig deed ook ik daarom alsof er niets aan de hand was en ik in de beste gezondheid verkeerde. Mijn moeder, die naar zij zelf dacht ten gevolge van het eten van een slecht stuk worst op de koop toe werd geteisterd door rode, puzzelstukvormige vlekken in haar hals en haar gezicht, was mij daar zeer dankbaar voor, ze zei dat ze trots op me was. Met dit soort complimenten was mijn moeder normaliter erg zuinig, dus ik keek bepaald op van wat ze zei, en vroeg mij af of het temaken had met, zegmaar, ‘iets in de Duitse lucht’, met haar veranderde fysieke verschijningsvorm, of met nog iets helemaal anders. Of mijn betreffende verwarring, die ik mij hoe dan ook nog zeer scherp herinner, op haar beurt aan de basis heeft gelegen van de eerste – en meteen ook (hout vasthouden) tot nog toe heftigste – angstaanval in mijn leven, is moeilijk te zeggen, maar feit is dat ik mij een tweetal uren later moederziel alleen aan de rand van het hotelzwembad bevond terwijl ik wanhopige, ja panische pogingen ondernam om mezelf tot bedaren te brengen. Er was helemaal niets gebeurd, nochtans, ik was gewoon aan het zwemmen geweest, toen ik opeens, dus zonder de minste of geringste aanleiding, door vreselijke angst werd overmand. Ik werd, beter gezegd, van kop tot teen van angst vervúld, en dat wasmogelijk, denk ik, omdat de leegte van het zwembad – zowel de glasheldere leegte van het eigenlijke water als de geruisloze afwezigheid van mensen in het hele zwemvertrek – op mij was overgeslagen en mij als het ware besmet had. Ook heden geldt trouwens nog steeds: de macht van oceanen en het raadsel van de zee brengenmijn ziel in een roezige staat van geluk,meren en kreken maken me rustig, buitenzwembaden staan voor mij symbool voor onbezonnen geilheid, onverwachte seks en duizend drankjes in een enkel weekend, en dit op mutatis mutandis dezelfde manier als waarop ik door debiel krijsende schoolkinderen bevolkte openbare zwempaleizen met hun hoofdpijn verwekkende chloorlucht niet kan betreden zonder door een gezond gevoel van kolkende agressie te worden bekropen. Toon mij een foto, echter, van een door lege badstoelen en betegelde muren omringd, volkomen roerloos, helblauw wateroppervlak, en de rugrillingen lopen mij tot diep in de reet.
Van die eerste vakantie in het buitenland staan mij overigens nóg een aantal dingen bij. Als ik het mij goed herinner heette hij Ivan, en Ivan was behalve één of twee jaren ouder dan ik tevens de zoon van het stel dat het hotel waar wij logeerden uitbaatte. Net als ik had hij geen broers of zussen, wat blijkbaar door zijn ouders werd ervaren als een schier rampzalige tekortkoming hunnerzijds, want toen hun door mijn vader werd bevestigd dat ik mij inderdaad in eenzelfde situatie bevond als Ivan, haastten zij zich zowel hem als mij welhaast te verplíchten om van dan af elke dag zo veel mogelijk tijd met elkaar door te brengen. Nu wil het geval echter dat ik later weliswaar verslingerd zou raken – en in sommige gevallen nog altijd ben – aan schaken, dobbelen, kaarten, darten, dammen en zo verder, maar dat ik in mijn kindertijd om de een of andere reden een niet gemakkelijk te overwinnen hekel had aan alles wat je onder ‘spelen’ kan verstaan. Van een partijtje voetbal was ik bij wijze van uitzondering niet vies, maar daarvoor bleek Ivan, ongemeen zwaarlijvig, dan weer niet te porren te zijn, zodat wij teneinde de tijd te verdrijven noodgedwongen onze toevlucht namen tot het elkaar proberen aan te leren van onze respectieve moedertalen, wat inhield dat Ivan bijvoorbeeld de vingertoppen van zijn vlakke hand een paar keer achtereen zacht tegen het zitvlak van een stoel liet neerkomen en onuitstaanbaar luid en traag articulerend het woord ‘Stuhl’ uitsprak, welk woord ik werd geacht meerdere keren te herhalen tot het volgens Ivan helemaal goed was en niet of nauwelijks nog van de ‘Stuhl’ van een geboren Duitser verschilde. Daarna was het aan mij om naar het zitvlak van de stoel te wijzen en louter uit balorigheid, maar zonder dat het mij ook maar enig plezier vermocht te verschaffen, Ivan een keer of vier achter elkaar het woord ‘trut’ te laten zeggen.
Ik kan mij niet herinneren dat ik mij vóór mijn ontmoeting met Ivan ooit eenzaam gevoeld had, waarmee ik zeker niet wil suggereren, laat ons wel wezen, dat hem de blaam treft van wat ik op onderhavig gebied in latere tijden allemaal met mezelf meegemaakt heb. Trouwens, gesteld dat mijn voortdurende gevoel – een beter woord vind ik: ‘besef’ – van eenzaamheid inderdaad daar te Monschau tot bloei gekomen is om nooit meer te verwelken, dan heeft dit misschien wel en misschien niet gedeeltelijk te maken met de zwembadhistorie en/of met Ivan, met wie immers geen enkele vorm van contact of communicatie mogelijk of zelfs maar denkbaar was, zoals ik dag na dag tot mijn ontzetting vaststelde, maar in elk geval en minstens óók, zonder enige twijfel, met een laatste feit waarover ik hier kort verslag wil uitbrengen, en ik zeg ‘kort’ want het is mij te pijnlijk om er gedurende langere tijd bij te blijven stilstaan.
Ik las geen witregel in. Er is hier inmiddels aan mijn tafel immers veelmeer tijd verstreken dan zelfs tien of twintig witregels tot uitdrukking zouden kunnen brengen. Ik mag met andere woorden wel zeggen dat het na ronduit ampel beraad met mezelf is dat ik, uit schaamte en weerzin, jazeker, maar ook, maak ik me sterk, uit kiesheid jegens de betrokkenen, besloten heb de zaak waarover ik het bij wijze van toegift of apotheose nog wilde hebben bij nader inzien toch niet uit de doeken te doen. Sommige schrijvers laten gráág het achterste van hun tong zien, wat op mij echter steevast een hijgerige, hondse indruk maakt (het is gewoon geen appetijtelijk gezicht, vind ik), terwijl sommige zaken dan weer uitsluitend lijken te gebeuren opdat zij geheim zouden kunnen blijven, en om geen andere reden. Laat ons het er daarom maar op houden dat geen van ons allen – niet mijn vader, niet mijn moeder, en al helemaal niet hun enige zoon – ooit nog naar het nochtans an sich charmante Monschau weergekeerd is.

  • 240 pagina's
  • 3 juli 2013
  • ISBN:9789029587761
  • De Arbeiderspers

Privé-Domein is een autobiografische reeks van uitgeverij De Arbeiderspers. De in Schrijvers op reis bijeengebrachte selectie verhalen vormt een bonte waaier van waargebeurde escapades en expedities, opgetekend door schrijvers uit het Nederlandse fonds van De Arbeiderspers en Privé-Domein. Met bijdragen van o.a. Abdelkader Benali, Anna Enquist, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, A.F.Th. van der Heijden, Joke J. Hermsen, Atte Jongstra, Ilja Leonard Pfeijffer, Pauline Slot, Christophe Vekeman, Arjan Visser, Christiaan Weijts en Joost Zwagerman.

Christophe Vekeman (1972) publiceerde negen boeken bij De Arbeiderspers, waaronder 49 manieren om de dag door te komen (2010) en Een uitzonderlijke vrouw (2012). Tevens schrijft hij stukken voor De Morgen en doet hij vele literaire podia in Nederland en Vlaanderen aan.