Schrijvers op reis #1

Maurice Woestenburg ,

Binnenkort verschijnt de bundel 'Schrijvers op reis', waarin ruim twintig schrijvers de eerste, mooiste en ergste verblijven in het buitenland memoreren. Aan de vooravond van die verschijning publiceren wij drie verhalen voor. Vandaag de eerste: 'Een handdruk van de prinses van Toba' van schrijfster en filosofe Joke J. Hermsen.

Een handdruk van de prinses van Toba

Achteraf gezien had ik natuurlijk beter naar onze gids moeten luisteren en nooit een duik in het Tobameer moeten nemen. Maar ik was amper achttien jaar, had net eindexamen gedaan en was behalve levenslustig ook behoorlijk overmoedig. Voor het eerst was ik zonder mijn ouders op vakantie. Voor het eerst was ik buiten Europa en bevond ik mij in een volstrekt andere en buitenissige wereld, waar het licht feller schitterde en alles scherper rook dan ik thuis gewend was. De verhalen over Indonesië kende ik uit de boeken van Multatuli, Haasse en Couperus, maar de betoverende, zintuiglijke werkelijkheid van het land beleefde ik nu pas voor het eerst. En hoe intens. Ik zoog alle indrukken gretig op en was niet van plan me welk avontuur dan ook bij voorbaat te laten ontzeggen.
De avond ervoor waren we met onze gids Christopher vanuit Medan, de drukke en overvolle hoofdstad van Sumatra, naar het stille Parapat in het noordwesten van Sumatra gereden. We hadden een lange tocht van ruim acht uur achter de rug, die ons over steile berghellingen en door grote stukken oerwoud had gevoerd, waar ik krijsende apen, reusachtige rasamalabomen en de eerste vleesetende planten van mijn leven had gezien. Toen we in Parapat onze houten bungalow tussen de hoge varens en bananenbomen pal aan het water zagen liggen, lonkte niet alleen de schoonheid maar ook de vrijheid van deze plek. Dit was ons eerste ‘eigen’ huisje; de dagen ervoor hadden we onder streng toezicht van familieleden van Peggy doorgebracht. Vanaf het terras vergaapten we ons aan het uitzicht over het immense Tobameer, dat zo’n zeventigduizend jaar geleden uit een kraterwas ontstaan en door Couperus de ‘ongelooflijke schoonheid van een oude vulkanische wereld’ en ‘het paradijs voor reuzen en goden’ genoemd werd. Nadat we onze koffers naar binnen hadden gebracht liepen we naar het kleine strandje,waar onze gids op zijn hurken gezeten een kreteksigaret rookte. We dronken bier, aten verse papaja en bespraken wat we de volgende dag zouden gaan doen.
‘Jullie mogen alleen niet gaan zwemmen in het meer,’ zei Chris, ‘want dat brengt ongeluk’.
Onze reis door Indonesië was pas een week geleden begonnen, maar in die paar dagen hadden we al vaker te horen gekregen dat we dit of dat beslist niet mochten doen, omdat er anders groot onheil zou dreigen. Toen ik in onze slaapkamer in Jakarta een grote spin met mijn sandaal wilde doodslaan, kreeg Nila, de dochter des huizes, bijna een paniekaanval. De spin was heilig en elk kwaad dat we hem wilden berokkenen zou door de geesten bestraft worden. Heel behoedzaam, alsof het een pasgeboren baby was, tilde ze de harige spin op en droeg hemnaar een hoekje in de tuin. De goenagoena die Couperus zo’n tachtig jaar eerder in De stille kracht beschreef, had zelfs in het moderne Jakarta nauwelijks aan kracht ingeboet.
‘Hoezo, niet zwemmen?’ vroeg ik verbaasd. ‘We zijn toch zeker niet voor niets naar dit meer afgereisd?’
Chris zweeg en drukte zijn sigaret uit in het zand. De avond viel in ras tempo over het meer. Ik moest er nog steeds aan wennen dat de dag hier zo snel in de nacht kon overgaan. Een halfvolle maan wierp lange, zilveren banen over het meer. Het water kabbelde tegen een paar vissersbootjes en een oude waterfiets in de baai.
‘En waterfietsen, mag dat wel?’ vroeg Peggy. Ze was doorgaans iets minder sceptisch dan ik ten aanzien van de rituele voorschriften en verboden van haar vaderland. Ze lachte wel als ik er een grapje over maakte, maar uiteindelijk was ze toch geneigd eraan te gehoorzamen.
Ik had deze reis aan haar te danken. We waren bevriend geraakt op de middelbare school in Amsterdam. Bij haar thuis leerde ik de door haar vader op zijn knieën gemalen sambal te eten en naar gamelanmuziek te luisteren. De afgelopen maand hadden we eindexamen gedaan. Volgens de traditie zou Peggy eerst al haar familieleden in Indonesië bezoeken, voordat ze na de zomer in Zwitserland ging studeren. Haar vader had de lange rondreis voor ons uitgestippeld, een reis inclusief gidsen en chauffeurs die ons tegen van alles en nog watmoesten beschermen. Ik had tot dusverre de meeste vakanties op smoezelige campings in Zuid-Europa doorgebracht. Nu reed ik in een auto met chauffeur door een reusachtig sprookjesland.
Peggy was geboren in Indonesië,maarwas op haar achtste jaar naar Nederland verhuisd. Ze had als kleuter aan polio geleden en moest van de plaatselijke medicijnman een drankje van thee en gemalen tjitjak – hagedis – drinken. Haar moeder, die van Surinaamse afkomst was, had zelden grotere onzin gehoord en weigerde haar dochter het recept van de doekoen te laten innemen. Het verhaal ging echter dat er toch per ongeluk een tjitjak, die in Indonesische huizen overal tegen de muren en plafonds zitten, in Peggy’s kopje thee gevallen was en dat ze er ongemerkt een paar slokjes van had genomen. Tot grote genoegdoening van de familie van haar vader waren de verschijnselen van polio de maanden erop inderdaad verdwenen. Peggy’s moeder meende dat dit aan de reguliere medicijnen te danken was, maar daar wilde haar schoonfamilie niets van weten. Telkens opnieuw werd haar de zogenaamd wonderbaarlijke genezing van haar dochter ingepeperd, totdat ze besloot dat het de hoogste tijd was om naar een nuchter land als Nederland te verhuizen.
‘Óp het water mogen jullie alles doen wat jullie maar willen, waterfietsen of kanoën’, zei Chris, ‘maar niet erín.’ ‘Maar waarom dan niet?’ vroeg ik ongeduldig. Ik was er niet gerust op dat Peggy dit verbod zomaar naast zich neer zou leggen.
‘Jullie zijn jong en mooi,’ glimlachte Chris, ‘en daar houdt de prinses van.’
‘Welke prinses?’
‘De prinses van Toba. Ze is nog altijd boos dat zij die ooit de mooiste prinses van de Batak was, de pokkenmoest krijgen. Ze kreeg littekens op haar hele gezicht en op haar hele lichaam. Na haar dood werd ze een watergeest in het Tobameer en eist ze elk jaar een offer van een jonge en mooie vrouw, die ze naar de diepten van het meer trekt om haar op te kunnen eten.’
‘Maar dat is een sprookje!’ riep ik uit.
‘Nee,’ zei Chris, ‘geen sprookje. Echt waar.’
Nu waren we eerder die dag al op de hoogte gebracht van de eigenaardige gebruiken van de oorspronkelijke Batak- bevolking, die in vroegere tijden vijanden of ontrouwe stamleden levend opaten, maar goed, dat was toch zeker allemaal heel lang geleden?
Chris schudde met zijn hoofd, stak een nieuwe sigaret op en blies de scherp geurende rook van kruidnagelen uit. ‘Volgens sommigen is er in 1972, dus pas zeven jaar geleden, nog een man opgegeten die zijn vrouw en familie bedrogen had. Daar,’ en hij knikte met zijn hoofd naar het meer, ‘op het eiland van Samosir.’
‘Wat?’ riep Peggy uit. ‘Kannibalisme is toch zeker al honderd jaar bij wet verboden.’
Chris glimlachte.
‘Ach ja, verboden,’ herhaalde hij met de klemtoon op ‘den’, ‘maar niet voor hen.’ Verboden was een van de vele Nederlandse woorden die in de Indonesische taal terecht waren gekomen, maar de betekenis was blijkbaar nog niet tot de plaatselijke bevolking doorgedrongen.
‘Als die prinses zelf dood is, kan ze toch moeilijk andere mensen verorberen?’ opperde ik.
Maar onze gids was niet onder de indruk.
‘Daar hoeft zij ook niet voor te leven. Wij wel,’ en hij wees met zijn hand eerst naar zichzelf en vervolgens om beurten naar ons, ‘maar zij niet, hoor.’
Peggy fronste bezorgd haar wenkbrauwen, maar ik begon langzamerhand een beetje genoeg van verhalen over watergeesten en kannibalen te krijgen. Hier was ik dan, aan de oever van het mooiste meer van de wereld, een baai, een strandje, en dan niet zwemmen?
‘Nou, ik ga morgen zwemmen,’ zei ik koppig.
Onze gids schudde geschrokken met zijn hoofd.
‘Nee, echt niet. Er zijn dit jaar nog geen offers gebracht, dus jullie mogen niet het water in gaan. Dat moeten jullie mij beloven.’
Peggy knikte naar hem en maakte tegen mij een gebaar van: laat nu maar zitten. Chris stond op en wenste ons een goedenacht. De volgende middag zou hij ons ophalen om met een boot naar een Batak-dorp op het eiland Samosir te gaan, waar we een vruchtbaarheidsritueel zouden bijwonen.
‘Is dat wel veilig dan?’ mokte ik.
‘Voor jou wel,’ grijnsde hij, ‘maar niet voor de waterbuffel, want die wordt morgen geslacht.’
We liepen terug naar onze bungalow en waren zo moe dat we besloten om meteen naar bed te gaan. Morgen zouden we wel weer verder zien. Tegenover ons bed hing een groot schilderij van het Tobameer, in die typisch Indonesische stijl van mystieke en realistische elementen, geschilderd in felgroene, roze en blauwe tinten.
‘Je gelooft die gids toch zeker niet?’ vroeg ik voor de zekerheid aan Peggy. ‘Ik bedoel, we gaan toch zeker wel zwemmen morgen?’
Ze draaide zich zonder te antwoorden op haar zij, en mompelde een nauwelijks hoorbaar welterusten. Dat zwijgen kende ik wel van haar. Meestal met een glimlach erbij, precies zoals haar vader ook altijd deed als hij ons geen toestemming gaf om laat nog uit te gaan. Ik staarde naar het schilderij aan de wand, schudde mijn hoofd over zoveel bijgeloof en knipte toen het lampje uit. Morgen, als de zon scheen, zou ik haar vast en zeker tot een zwempartij weten over te halen.

De volgende ochtend aten we nasi voor het ontbijt op het terrasje voor de bungalow. De kommetjes met rijst, kip en groenten waren door onzichtbare handen op een dienblad voor ons op tafel neergezet. Het was nog vroeg,maar toch al vochtig warm. De zon verdiepte de kleuren om ons heen tot ze bijna pijn aan onze ogen deden. Vlak boven ons hoofd scheerden groene en gele parkieten die ook zin in een hapje nasi hadden. Door de bomen heen schitterde als een zilveren spiegel het water van het Tobameer, tevens ons belangrijkste gespreksonderwerp van die ochtend. Maar Peggy bleef bij haar de avond ervoor al zwijgend genomen besluit. Ze wilde niet gaan zwemmen. Gelukkig was ze na enig aandringen wel bereid om met een waterfiets het meer op te gaan.
Onder mijn korte broek en witte T-shirt had ik mijn bikini aan, want ik was vastbesloten me van de dreigementen van onze gids niets aan te trekken. We trokken de waterfiets van de kant en trapten gemoedelijk een halfuurtje in de richting van het eiland Samosir. Hoe verder we op het meer raakten, hoe beter we de omliggende bergen konden zien, waarvan de contouren als in blauwgroene waterverf getekend oprezen in de van de hitte trillende lucht. Al die tijd hield ik ook het water om ons heen nauwlettend in de gaten, peilde de golven en probeerde te ontdekken of zich daar mogelijkerwijs een verdacht wezen of watergeest zou kunnen ophouden. Maar natuurlijk kon ik niets ontdekken. Dus maakte ik er een paar grapjes over, die alleen een flauwe glimlach op Peggy’s gezicht lieten verschijnen.
We waterfietsten rustig door tot halverwege de oever van Parapat en het eiland in het midden van het meer, al met al een behoorlijk stuk. Ik stelde voor om wat uit te rusten en van het uitzicht op de stranden en bossen van Samosir te genieten. De zon beet zich fel in onze schouders en het verkoelende water klotste zo aanlokkelijk tegen de waterfiets aan dat ik besloot een duik te nemen. Peggy protesteerde heftiger dan ik verwachtte. Natuurlijk was het allemaal onzin, zei ze, maar toch, je wist maar nooit. We konden beter het zekere voor het onzekere nemen. Bovendien waren we wel erg ver van de baai af gedreven. Maar ik wilde van geen enkel bezwaar, mythe of legende nog iets weten, trok mijn T-shirt en korte broek uit en liet mijn voeten in het water glijden.
‘Niet doen!’ zei Peggy nogmaals, maar ik lag al in het water en zwom een meter of vijf van de waterfiets vandaan. Het was verrukkelijk. Toen ik even op mijn rug ging liggen en naar de blauwe hemel boven me keek, voelde ik een intens gevoel van vrijheid opkomen. Na de zomer ging ik studeren en zou alles anders worden. Ik zou in de stad gaan wonen, de wereld ontdekken, het ware leven zou beginnen, eindelijk. Ik zwom nog een paar lome meters in de richting van het eiland, maar zorgde er tegelijkertijd wel voor dat ik niet al te ver van de waterfiets af zou raken. Toen draaide ik me omen zwaaide lachend naar Peggy, die bezorgd toekeek.
‘Kom er ook in,’ riep ik. ‘Het is echt heerlijk water!’
Op dat moment streek er iets langs mijn rechterbeen, een tak vermoedde ik, en ik trapte een beetje naar onderen om hem kwijt te raken en zwom doodgemoedereerd weer verder. Maar toen voelde ik plotseling niet een, maar wel drie of vier ‘takken’ die zich om mijn enkel en scheenbeen heen sloegen en dat was beslist een minder prettige gewaarwording. Ik begon verwoed naar beneden te schoppen om mijn voet uit die takken los te krijgen, maar in plaats daarvan verstevigde de greep zich om mijn scheenbeen.
‘Wat is er aan de hand?’ riep Peggy vanaf de waterfiets zo’n tien meter van me vandaan.
‘Kom hierheen, ik zit vast!’ riep ik terug.
Peggy begon verwoed mijn kant uit te fietsen, terwijl ik met mijn rechterbeen maar naar beneden bleef trappen. De doornen van de takken sneden in mijn huid, maar pijn voelde ik niet. Wel begon zich een lichte paniek van mij meester te maken. Ik kwam geen meter meer vooruit. Toen trok iets wat ik pas veel later een hand met hele lange en scherpe nagels zou noemen, mij aan mijn rechtervoet naar beneden en schoot ik de diepte in. Boven me zag ik het lichte blauw van het wateroppervlak steeds valer en donkerder worden. Van grijze naar groene naar bruine tinten, alsof het dak van de wereld boven mij langzaam dichtschoof. Een vage herinnering aan een ander water, een andere duik, drong aarzelend mijn bewustzijn binnen, maar bleef op de drempel ervan haken. Ze zeggen wel dat angst verlammend werkt, maar daarvan was bij mij geen sprake. Met een kracht die ik daarna zelden meer gevoeld heb, schopte ik net zo lang met mijn rechterbeen om me heen, totdat ik eindelijk los schoot en terug naar boven, naar het licht toe kon zwemmen.
Proestend kwam ik naast de waterfiets boven het oppervlak. Peggy hielp me zonder een woord te zeggen aan boord. Uitgeput liet ik me op het plastic bankje van de waterfiets vallen en sloot mijn ogen. Achter mijn oogleden was er licht, heel veel licht, van diep rood tot goud glanzend licht; het bonkte achter mijn ogen op het ritme van mijn roffelende hart.
‘Je been!’ riep Peggy.
Uit de roze sneden op mijn scheenbeen stroomde bloed. Binnen een paar seconden zat mijn hele been en de waterfiets onder het bloed. Ik bond mijn witte T-shirt er stevig omheen en we waterfietsten zo snel als we konden terug naar de baai.

Toen we ons verhaal een paar uur later aan Christopher vertelde, kon hij alleen maar boos en verdrietig zijn hoofd schudden. Waarom hadden we niet naar hem geluisterd? Hij had ons toch gewaarschuwd?Hij ging vanmiddag ook niet met ons naar Samosir; voor geen goud ging hij nog samen met ons in een boot het meer op. We moesten ons zelfmaar zien te vermaken. Hij was zo verontwaardigd dat ik er de slappe lach van kreeg. Ik geloofde nog altijd dat het gewoon een takkenbos was geweest, maar de schrik zat sinds we veilig voet aan wal hadden gezet wel in mijn benen. In levensbedreigende situaties komt de angst meestal pas achteraf. Toen ik mijn been in het badkamertje van de bungalow met het emmertje uit de mandibak schoonspoelde, trilde ik over mijn hele lichaam. Ook zag ik steeds de naakte Pleuni Touw maar voor me, die in de beroemde scène uit de televisieserie van De stille kracht in precies zo’n badkamertje met rood sirihsap bespuugd werd.
Die middag bleven we een beetje loom rondhangen in de lange, diepe schaduwen van de ramasala’s en de rubberbomen. We lazen wat, wandelden langs het meer en later op de middag kwam Christopher nog even langs, die bezorgd naar mijn been informeerde. Dat deed inmiddels niet veel pijn meer en gerustgesteld ging hij weer naar huis. Wij bleven in de rotanstoelen op het terras nog eindeloos zitten schommelen, zagen hoe de avond over het meer viel en hoe de bergtoppen rechts van ons zich een voor een terugtrokken in het duister van de nacht. We aten van het fruit en dronken van de gin die we die middag in een winkeltje in het dorp op de kop hadden getikt.
‘We mogen er niet mee spotten,’ zei Peggy.
‘Nee,’ antwoordde ik instemmend, waarna ik een langgerekt ‘boeehh’ liet horen.
‘Ik geloof het ook allemaal niet,’ giechelde Peggy zenuwachtig, ‘maar het is toch beter als we er niet mee spotten.’
Ik staarde naar de oneindige sterrenhemel boven het meer. Misschien had ze wel gelijk. Wat wist ik eigenlijk van dit land, waar alles zo anders en vooral zo veel intenser was dan in Nederland. We dronken nog een laatste gin-tonic op de goede afloop. Af en toe schrokken we op van het schelle krijsen van een nachtvogel of het roepen van een tokeh. Maar dat was het dan ook. Hoe stiller het om ons heen werd, hoe harder we gingen lachen. Maar op gegeven moment wist ook onze lach de angst niet meer te verdrijven en besloten we naar binnen te gaan, de deur en ramen goed op slot te doen en te gaan slapen.
In bed lagen we nog enige tijd zwijgend voor ons uit te staren. Toen ikme naar links draaide om het bedlampje uit te doen, slaakte Peggy ineens een gil.
‘Wat is er?’ vroeg ik verbaasd.
Peggy keek met grote ogen naar het schilderij aan de muur.
‘Het bewoog,’ hakkelde ze, ‘het schilderij van het Tobameer bewoog.’
Ik ging rechtop in bed zitten.
‘Misschien kroop er net een tjitjak achter het schilderij langs,’ zei ik, ‘maar nu hangt het stil.’
Ik liet me weer plat op bed vallen, toen Peggy opnieuw begon te gillen.
‘Doe het licht uit,’ kermde ze, ‘ik wil het niet zien.’
Weer schoot ik recht overeind in bed en ja, nu zag ik ook dat het doek heel zachtjes van links naar rechts bewoog. Ik stapte uit bed en controleerde of de ramen goed dicht zaten. Dat bleek het geval en ook het schilderij bewoog niet meer. Voor de zekerheid keek ik er nog even achter, maar er was geen tjitjak op de muur te bekennen. Ik draaide me om naar Peggy in het bed.
‘Niets te zien,’ rapporteerde ik. ‘De bungalow is geheel tocht- en tjitjakvrij.’
Maar Peggy staarde met wijd open gesperde ogen naar het schilderij achter mij.
‘Kom in bed,’ gebood ze, ‘nu!’
Ik kon aan haar blik zien dat het menens was. Zo bang had ik haar nog nooit gezien. Ik durfde me niet meer te bewegen. Peggy trok de lakens weer over haar hoofd en kreunde gesmoord. Toen pas hoorde ik het merkwaardig schurende geluid op de muur vlak achter me. Ik verstijfde. Het schuren werd harder en dreigender en heel langzaam draaide ik mijn hoofd naar de muur. Het schilderij bewoog niet zachtjes, maar het zwiepte wild van links naar rechts over de muur. Alsof een onzichtbare, reusachtige hand het telkens een woeste zet gaf, zo schoot het als een razende heen en weer over de muur. Op dat moment had ik het gevoel dat ik elk aanknopingspunt, elk houvast verloor. Alsof de werkelijkheid plotseling verdampte voor mijn ogen. Het kon niet waar zijn, maar het gebeurde. Ik zweefde in een peilloos diep, luchtledig niets. Even bleef ik er nog verbijsterd naar staan kijken. Toen dook ik met een sprong in bed en kroop diep weg onder de lakens.

Hoe we in slaap zijn gevallen weet ik niet meer. Wie zou er onder deze omstandigheden zomaar in slaap kunnen vallen? Ik zeker niet, maar toen blijkbaar wel, want ik kan me geen slapeloze nacht herinneren. Zelfs geen lang liggen draaien en dralen. De angst had ons tot overgave gedwongen en naar de overkant van ons bewustzijn gedragen.
Wat ik me nog wel goed herinner is hoe we de volgende ochtend wakker werden en lange tijd naar het tot rust gekomen schilderij aan de muur keken. De zon wierp door het raam een brede baan licht op de muur en kleurde het water van het Tobameer fluorescerend blauw. Buiten zette iemand een radio aan met Sumatraanse volksmuziek; de zoetgevooisde klanken van de plaatselijke zangeres zonder naam stelden ons ditmaal bijzonder op ons gemak. Plechtig beloofden we elkaar dat we nooit, maar dan ook nooit meer, met de goden of de geesten zouden spotten.
Nu, zo’n drieëndertig jaar later, kan ik nog altijd de littekens opmijn scheenbeen terugvinden. Ze zijn met de jaren minder opvallend geworden, maar ze zitten er nog steeds. Elke winter vergeet ik ze,maar elke zomer zie ik ze terug. Inmiddels koester ik deze herinnering aan de innige handdruk van de gestorven prinses van Toba.
 

  • 240 pagina's
  • 3 juli 2013
  • ISBN:9789029587761
  • De Arbeiderspers

Privé-Domein is een autobiografische reeks van uitgeverij De Arbeiderspers. De in Schrijvers op reis bijeengebrachte selectie verhalen vormt een bonte waaier van waargebeurde escapades en expedities, opgetekend door schrijvers uit het Nederlandse fonds van De Arbeiderspers en Privé-Domein. Met bijdragen van o.a. Abdelkader Benali, Anna Enquist, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, A.F.Th. van der Heijden, Joke J. Hermsen, Atte Jongstra, Ilja Leonard Pfeijffer, Pauline Slot, Christophe Vekeman, Arjan Visser, Christiaan Weijts en Joost Zwagerman.

Joke J. Hermsen (1961) studeerde filosofie en letteren in Amsterdam en Parijs. Ze schreef romans zoals Het dameoffer (1998), Tweeduister (2001), De liefde dus (2008) en Blindgangers (2012). Haar essaybundel Stil de tijd (2009) werd bekroond met de Jan Hanlo Essayprijs. Meer informatie op www.jokehermsen.nl