Aftelkroniek #60

Jeroen van Kan ,

De ramsj biedt soms buitenkansjes, zoals het boek ‘Het Parthenon’ van Mary Beard, voor een bedrag waar je bij de plaatselijke broodjuwelier nog geen zuurdesempuntje voor koopt. Maar helaas, het boek maakt de belofte niet helemaal waar.

Het begint al als Beard een zeer obscure reiziger uit de hoge hoed tovert die het Parthenon in de oudheid had bezocht. Pausanias. ‘Een zekere Pausanias,’ noemt ze hem zelfs. Nou, die kennen we wel hoor. Zijn boeken zijn niet erg obscuur en ook niet door Beard zelf onder een stoflaag van eeuwen vandaan getrokken. Sterker nog, elke keer als naar een ooggetuige uit de oudheid gezocht wordt, dan wordt deze “obscure” reiziger ten tonele gevoerd.
 
Kan gebeuren. Maar de onzin houdt aan. Over het standbeeld van Athene, dat Phidias had gemaakt en in het Parthenon stond, merkt ze op: ‘Dat was waarschijnlijk allang vernietigd, bij de verschrikkelijke brand waardoor het Parthenon in de derde eeuw na Christus was getroffen, of eerder nog.’ Werd het beeld niet in de late oudheid naar Constantinopel overgebracht? Waar het uiteraard alsnog verloren is gegaan?
 
Even later schrijft ze over Cyriaco de Pizicolli, een Italiaan die Athene in de vroege renaissance bezocht. Ze verwijt hem zijn ‘halsstarrige weigering om zich rekenschap te geven van hoe het gebouw er in zijn eigen tijd uitzag, of om er meer in te zien dan een monument uit de klassieke Oudheid.’ Het Parthenon was, zoals zoveel gebouwen uit de oudheid een kerk geworden, en eerdere reizigers hadden bij hun bezoeken meer oog gehad voor die kerk dan voor het monument uit de oudheid. Bij de Pizicolli was dat voor het eerst anders. Nauwelijks verwijtbaar lijkt me voor iemand uit de renaissance. Dat tijdperk kenmerkt zich nou juist door een toegenomen belangstelling voor de klassieke oudheid, dus geen wonder dat die man voornamelijk het antieke monument van belang vond. Dat was in zijn tijd een tamelijk moderne belangstelling.
 
Dan verliest ze zich weer in niet terzake doende observaties als deze: ‘Maar het onloochenbare feit is dat de Atheense democratie politieke gelijkheid bood aan niet meer dan een bevoorrechte harde kern van stedelingen, een groep die etnisch en cultureel homogeen was. In dat opzicht lijkt het een weinig inspirerend voorbeeld voor de huidige pogingen om vorm te geven aan een voor iedereen toegankelijke, etnisch gevarieerde en multiculturele democratie.’ Zucht. Het ontbreekt er nog aan dat ze zich beklaagt dat het Parthenon in de oudheid heel moeilijk toegankelijk was voor rolstoelen. De tijd van Pericles verwijten dat het zich niet aan onze democratische regels hield is tamelijk grotesk. De manier waarop Athene in die periode werd bestuurd was uniek in de wereld. Geen andere stadsstaat en geen ander land kende zo’n systeem.
 
En soms doet ze historisch gezien nog dommere uitspraken: ‘Als we Plutarchus mogen geloven, was de samenwerking tussen Pericles en Phidias een volmaakte verbintenis van een politieke beschermheer met een artistiek genie, zoals die van paus Julius II en Michelangelo, of - als we eerlijk moeten zijn - Hitler en Speer.’ Pardon? Speer behoort in het rijtje Phidias en Michelangelo thuis als scheppend kunstenaar? Een volmaakte verbintenis? Ooit een blik geworpen op de maquettes voor Germania?
 
Nou nog eentje dan: ze heeft het ergens over ‘Venetiaanse en Osmaanse Turken’. O ja, bestonden er in die tijd ook Venetiaanse Turken? Fascinerend. Maar goed, dat kan aan de vertaling liggen.
 

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat ik niet ga doen. De boodschap is duidelijk: het boek rammelt. Kan iemand alsnog een beter boek over het Parthenon schrijven?