Aftelkroniek #56

Jeroen van Kan ,

De hoofdbibliothecaris van Gent hield er een 'helkastje' op na. Daar stonden alle verderfelijke boeken in. Het kastje bleef gesloten en de sleutel werd goed bewaakt. Het menstype waartoe die bibliothecaris behoorde hebben we ons intussen van ontdaan. Dat is jammer.

Wegens wellicht aan het eind van dit jaar te gast in De Avonden bezig met het lezen van Jeroen Brouwers. Lees nu zijn Kladboek, uitgegeven in 1979. Polemieken, opstellen en herinneringen. Fijn proza. Soms deint het, soms kolkt het uitzinnig, maar het is altijd een plezier om te lezen, hoezeer ik het soms ook met hem oneens ben. Zo kan hij zich helaas volledig vinden in Maarten ’t Harts karakterisering van de romans van Vladimir Nabokov: kroonluchters die niet kunnen branden. ’t Hart heeft daar ‘mijn persoonlijke zegen’ schrijft hij. Zeldzaam, want Brouwers is niet scheutig met zegeningen. Dat is een understatement. Veel van de toenmalige literaire prelaten krijgen er van langs in zijn boek, vooral als ze ook nog in de redactie van De Revisor hebben gezeten. Het hoofdkantoor van de niet-brandende kroonluchters, wat Brouwers betreft. Minnaars van de bloedeloze woordenbrij. ‘De tijd is daar dat er gescholden moet worden.’ Dat schelden doet hij veelvuldig, maar gelukkig koelt hij soms ook weer wat af.

 
Bijvoorbeeld in zijn essay over ‘De Vlaamse Dostojevski’ Johan Daisne. Hoofdbibliothecaris bij de stadsbibliotheek van Gent. Achter zijn bureau stond een kast waarvan alleen hij de sleutel had. Die kast was ‘de hel’. ‘Er stonden boeken in die de hoofdblibliothecaris niet zonder meer wenste uit te lenen, aangezien het vieze boeken waren. Cremer vond hij vies en Geeraerts vond hij ook vies. De Vijftigers vond hij zwendelaars en Mulisch een “onzindelijk heerschap.”’
 
Intussen leven we zonder hel. Dat soort kastjes bestaan niet meer. Zelfs in de meest reactionaire milieus staan geen vermeend verwerpelijke boeken meer achter slot en grendel. Ik vind dat een gemis. Kan het ook niet helpen het ontroerend te vinden, dat verzamelen van abject literair werk, dat insluiten ervan, dat nauwgezet waken over de sleutel. Gent is veilig. Het ontroert om diverse redenen: omdat daar een man zit die in de veronderstelling verkeert dat zo’n kastje het gevaar op afstand kan houden; dat deze man behoort tot een uitgestorven soort; dat we dat soort mannen missen nu we ons zo grondig van ze hebben ontdaan. De literatuur heeft paradoxaal genoeg baat bij zo’n helkastje, en eigenlijk ook bij zo’n man die over de sleutel waakt.