Aftelkroniek #55

Jeroen van Kan ,

Joost Zwagerman waardeerde ‘Wat is kunst?’ van Tolstoj met één schamele ster. Hij had zich blauw geërgerd aan de reactionaire praat van de Rus. Vertaler Hans Boland viel hem bij. De ergernis van Zwagerman ‘doet mij als vertaler deugd’.

'Godallemachtig - is er dan niemand in de kunst die deugt?' schrijft Zwagerman in zijn bespreking van 2 november jongstleden in het boekenkatern van de Volkskrant. Het antwoord op die vraag is snel gegeven: nee. Tolstoj laat geen spaan heel van de kunsten. Samengevat komt zijn betoog hier op neer: kunst dient de beschouwer te infecteren met een goede emotie. Helaas infecteert de meeste kunst mensen met een foute emotie. De kunst dient christelijke waarden uit te dragen en geen advocaat te zijn van allerlei verdorvenheden. En verdorven was iets al snel bij Tolstoj. Kunst, zo meende hij, was de hoofdoorzaak van het zedelijk verval waaraan de mensheid ten prooi was gevallen. Neem nu ballet. Een hoogst lasterlijke kunstvorm, meestal bedreven door halfnaakte vrouwen die er een eer in stellen zoveel mogelijk zinnelijke poses aan te nemen.
 
De opvattingen die Tolstoj uiteen zet in dat gewraakte pamflet, voor het eerst sinds meer dan honderd jaar weer beschikbaar in een nieuwe Nederlandse vertaling, zijn gerijpt in de jaren na 1880. Dat zijn de jaren waarin de schrijver zich bekeert tot wat Karel van het Reve ‘een oerchristelijk anarchisme’ noemt. ‘De staat met al zijn instellingen: justitie, politie, onderwijs, de meeste wetenschappen, de regering, de kerk, het leger, het orthodoxe geloof, het huwelijk, de oorlog – dat alles is eigenlijk volstrekt verwerpelijk. Ook sexueel verkeer is eigenlijk verkeerd. Tolstoj werd vegetariër, gaf met enige moeite het roken op (1888), ging niet meer op jacht, deed afstand van zijn aardse goederen en van het aueursrecht op zijn werken door ze op zijn vrouw over te schrijven (mei 1883),’ schrijft Van het Reve in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur.
 
Volgens zijn nieuwe overtuigingen deugt de meeste kunst eigenlijk niet, die van hem incluis. 'Ik moet bovendien even zeggen dat ik mijn eigen artistieke producties tot de categorie der slechte kunst reken,’ schrijft hij in een voetnoot. Hij noemt twee uitzonderingen, maar zijn overige werk, waaronder Oorlog en Vrede en Anna Karenina, moet het ontgelden.
 
Kijk, zegt hij, we lezen Poesjkin niet omdat we schoonheid aantreffen in zijn werk, zoals we evenmin naar Beethoven luisteren omdat we gegrepen worden door de schoonheid van de compositie. Nee, we lezen en beluisteren hun werk omdat Poesjkin en Beethoven net zo verdorven zijn als wij, omdat we onze eigen verdorvenheid in hun werk zien weespiegeld, en in het ergste geval onze ondeugden zien aangewakkerd door wat we lezen en beluisteren. En zo pleegt de meeste kunst dus een aanval op onze slechtste eigenschappen, confronteert ons met onze donkerste kanten, terwijl echte kunst juist zou moeten verheffen, juist een medicijn zou moeten vormen tegen onze tekortkomingen.
 
Het zijn opvattingen die nauwelijks nog serieus worden genomen, die in onze tijd fel zijn bekritiseerd. Een week geleden nog, door Zwagerman. Opmerkelijk genoeg kreeg hij vandaag bijval van vertaler Hans Boland. ‘Dat Zwagerman zich ergert aan Tolstoj's “oeverloze” gescheld en aan diens weeë “gezalf”, kan ik me indenken. Hij constateert terecht dat ook de vertaler het pamflet “met lange tanden lijkt te hebben geconsumeerd”, gezien mijn nogal dodelijke voetnoot bij het derde hoofdstukje. Sterker nog, mijn eerste reactie op het voorstel van de uitgever om dit even onzinnige als hilarische gefoeter op de kunst te publiceren, luidde woordelijk: “Willen jullie hiermee soms een postuum eerbewijs brengen aan Halve Zoolstra?”’
Zelfs de vertaler heeft de tekst dus met weerzin tot zich genomen. Eerlijk gezegd word ik enigszins ongemakkelijk van hun wat al te gemakkelijk verontwaardiging. Tolstojs opvattingen waren in 1898 minder dissident dan we nu met terugwerkende kracht veronderstellen. Rainer Maria Rilke, die Tolstoj had ontmoet hij een bezoek aan Rusland, spreekt in de jaren twintig weliswaar van een ‘schmähliche und thörichte Broschüre’ (‘kortzichtige en dwaze brochure’), maar nog in 1909 schrijft Thomas Mann in zijn dagboek dat hij Wat is kunst? tot zijn lievelingsboeken rekent. En hij is niet de enige. 
 

Zoals we ook niet meer verontwaardigd zijn over Plato’s bezwaren tegen de uitvinding van het schrift, of verontwaardigd zijn over de moord die Caravaggio ooit pleegde, zo kunnen we deze tekst van Tolstoj ook best lezen zonder onmiddellijk op de praalwagen van het Grote Gelijk te springen.