Aftelkroniek #47

Jeroen van Kan ,

In Den Haag zijn en denken aan Louis Couperus behoort tot de grootste clichés denkbaar. Binnen de doelgroep althans. Er zijn ook mensen die bij Den Haag denken aan Sterretje, Johan van Oldenbarnevelt of Harry Jekkers.

In de achterkamer van de ruimte waar Crosing Border aan het afterpartyen is zou Eline gezeten kunnen hebben, of Constance. In andere tijden welteverstaan. Hoeveel jaren er ook voorbij zijn gegaan sinds de personages uit Couperus’ Haagse romans zich door deze straten bewogen, iets van de sfeer uit die boeken is toch alijd blijven hangen. Of het is mijn verbeelding die mijn wil het te zien honoreert, dat kan ook.

 

In het digitaal krantenarchief zoek ik naar de eerste keer dat de naam Louis Couperus voorkomt in een Nederlandse krant. Ik doe dat vaker, in een poging de geschiedenis te betrappen. Kijk, daar werd de naam die later groot zou worden voor het eerst genoemd. Niet dat er aan zo’n moment veel te zien valt. Het zijn een paar regels in een krant. Arnon Grunberg wordt voor het eerst genoemd in een krant van eind jaren tachtig. Hij had als zeventienjarig scholier meegedaan aan een wedstrijd toneelschrijven en het resultaat zou worden opgvoerd door Toneelgroep Amsterdam. De veertienjarige Harry Mulisch wordt voor het eerst genoemd in het Haarlems Dagblad, in de sectie ‘Gevonden dieren en voorwerpen’. Er staat: ‘Mulisch, Spaarnzichtlaan 23, jachthond, wit zwart gevlekt.’

 

Louis Couperus komt voor het eerst voor in het Algemeen Handelsblad van dinsdag 2 oktober 1883. Op de voorpagina een bericht over de Krakatau: ‘De berichten, die langzamerhand van allerlei plaatsen inkomen toonen aan, hoe ontzettend de vulkanische uitbarsting te Krakatau geweest moet zijn. Het geluid der donderende slagen werd, gelijk wij een paar dagen geleden mededeelden, door de opvarenden van een Hollandsche mailboot gehoord op een afstand als van Amsterdam naar Berlijn.’

 

Een vulkaan die zich roert als Couperus zijn intrede doet in de Nederlandse letteren. Mulisch had daar wel raad mee geweten. Zijn geboorte wekte immers de Vesuvius.

 

Voorts staat er een bericht in over de vergadering van het Association Littéraire Internationale, ‘ter vervulling der vier vacaturen, ontstaan door het overlijden van Ivan Turgenjeff, Ant. Troloppe, Rodr. Sanpago en Hiangi.’

 

En dan een berichtje waarin staat opgesomd wat literair tijdschrift De Gids te bieden heeft in het jongste nummer. Helemaal onderaan staat: ‘een gedicht: Santa Chiara van Louis Couperus.’ 

Daags na verschijning van het gedicht in De Gids reageert Albert Verwey: ‘Tot onze blijdschap ontwaarden wij in de Gids dezer maand het meer en meer aldaar zeldzame verschijnsel van een fraai en fijn gedicht. Wij doelen op Santa Chiara, terzinen van Louis Couperus, een merkwaardig werk, zoowel wat aspiratie als wat plastiek en techniek betreft.’

 

Een paar jaar later prijst Willem Kloos weliswaar het gedicht Santa Chiara, maar maakt Couperus niettemin met de grond gelijk. ‘Wij vinden alles wat hij na Santa Chiara heeft uitgegeven, de geheele Lent van Vaerzen, zoowel als al de 'Orchideëen' op die ééne na, absoluut literaire “trash”, goed alleen om door heeren kritiseerende dilettanten te worden aangestaard als iets buitengewoons. Maar wij waren zelf de eersten, die er onmiddellijk na het eerste verschijnen van Santa Chiara in 1883, opmerkzaam op maakten in het Weekblad de Amsterdammer, dat de Gids nu eindelijk eens een gedicht van eenige waarde had gepubliceerd. Er zijn na dat jaar in allerlei genre's betere dingen gedaan, doch wij komen niet op onze meening terug, dat dit gedicht een belofte inhield, een belofte die nog niet door den schrijver is vervuld.

    Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn! Laten wij hopen op de toekomst.’

 

Die toekomst zou geen gedichten meer bevatten, maar romans. Of, en zo ja in welke mate, het vernietigend oordeel van Kloos daaraan heeft bijgedragen weten we niet.