Blokje om #5

Saskia Veen ,

Een kwart eeuw geleden viel het IJzeren Gordijn, maar toch weten we vaak maar weinig over Oost-Europese literatuur. De rubriek 'Blokje om' brengt daar verandering in. We meanderen van noord naar zuid langs de voormalige grens. Afl. 5: Hongarije.

Boedapest is een stad waar veel reizende jongeren in de zomer te vinden zijn. Het is er mooi oud, maar ook fris en jong. Ik was er deze zomer voor de tweede keer. De eigenaar van het hostel vond alle Nederlanders erg sportief (ik heb geen idee waarom) en nodigde ons bij 32 graden uit voor een potje frisbee. Wij sloegen beleefd af en waren meer geïnteresseerd in het plaatselijke badhuis, maar genoten wel dankbaar van zijn Hongaarse pittige worst en de wittig groene paprika's die hij serveerde bij het ontbijt.

Boedapest kan ik iedereen kan aanraden. Maar terugdenkend kan ik me niet herinneren dat ik ergens een boekwinkel heb gezien. Overheen gekeken waarschijnlijk. En al had ik hem wel gezien, ik was uit de boeken weinig wijzer geworden. Het Hongaars lijkt op geen enkele andere taal die ik ken. Het behoort tot de Finoegrische talen, die je tegenkomt in het noorden, noordoosten en midden van Europa (en in West-Siberië, kom ik ook niet zo vaak). Het Hongaars is één van de belangrijkste talen in deze groep, maar het lijkt helemaal niet zo op het Fins of Ests. Die talen zijn net zo onbegrijpelijk voor een Hongaar als voor een Nederlander.

Wat we dus nodig hebben is een vertaler. Mari Alföldy kan ons helpen. Zij studeerde namelijk Klassieke Talen en Hongaars. Sinds 1998 werkt ze als literair vertaler. Ze vertaalde onder meer romans van György Konrád, Sándor Márai, Imre Kertész, Dezső Kosztolányi en László Krasznahorkai in het Nederlands en publiceert ook poëzievertalingen. Ze leidt regelmatig vertaalworkshops en werkt mee aan Hongaarse publicaties in Nederlandse literaire tijdschriften. Voor haar inspanningen voor het verspreiden van de Hongaarse cultuur in het Nederlandse taalgebied ontving ze in 2009 het Gouden Kruis van Verdienste van de Republiek Hongarije.

Wat is kenmerkend en onderscheidend aan de literatuur uit Hongarije?
De tijd waarin je van nationale literaturen kon spreken, die bepaalde kenmerken vertonen, is denk ik wel voorbij. Misschien is dat wel het opvallendste kenmerk van de hedendaagse Hongaarse literatuur: het naast elkaar bestaan van een aantal grote namen, die allemaal totaal verschillende literatuur schrijven, van zeer hoge kwaliteit. Péter Nádas, Péter Esterházy, László Krasznahorkai, György Spiró, Pál Závada, maar ook de in Nederland relatief bekendere György Konrád en Imre Kertész hebben allemaal een geheel eigen stem. Sommige schrijvers, zoals Lajos Parti Nagy, zullen echter moeilijk in het buitenland doorbreken omdat het spelen met de taal zo'n belangrijk element is van hun werk dat het (bijna?) onvertaalbaar is.

Hoe is de leescultuur daar? Wordt er veel gelezen, en door wie?
Schrijver Márai zei al: 'de literatuur is dood, leve de boekenindustrie', en dat geldt in het Hongarije van nu natuurlijk des te meer, net als elders overigens. Toch wordt er in Hongarije nog steeds relatief veel gelezen, ook literatuur. Tijdens het jaarlijkse Boekenfestival in Boedapest in juni, waar alle grote uitgevers zich presenteren, kun je op het Vörösmarty-plein over de hoofden lopen. En dat terwijl het mij een raadsel is waar de gemiddelde laten we zeggen leraar met een salaris van een paar honderd euro het geld vandaan haalt om boeken te kopen.

Welk boek moet beslist nog worden vertaald naar het Nederlands?
Van het bovenstaande lijstje is György Spiró de enige van wie er nog niets in het Nederlands is verschenen. Hem heb ik dan ook hoog op mijn verlanglijstje staan. Spiró heeft veel geschreven, maar mijn favoriet is Fogság (gevangenschap), een avonturenroman die zich afspeelt in de eerste eeuw na Christus. Het boek beschrijft het verhaal van het fictieve personage Uri, een Romeinse jood; een kippige, zwakke jongen met belangstelling voor lezen en filosofie met een wantrouwige, kritische blik op de wereld, die tijdens een reis van Rome naar Jeruzalem en ook in zijn latere leven van alles meemaakt: hij is onder meer dwangarbeider, filosofiestudent, klant van tempelprostituees en ook ontsnapte hij ternauwernood aan een pogrom. Historische feiten en figuren worden subtiel door het fictieve verhaal heen geweven. Zo komt Uri terloops Jezus tegen, maar het gebruikelijke christelijke perspectief op die periode wordt verder in het geheel niet gehanteerd. Alle historische details kloppen, en tegelijk is Fogság een spannend verhaal waar het vertelplezier van afspat.

Met betrekking tot de Hongaarse literatuur is er overigens relatief weinig reden tot klagen over gebrek aan belangstelling. In de jaren ’80 en ’90 was er in Nederland een enthousiast lezerspubliek voor met name Konrád, maar ook Nádas en Kertész, waarna met het enorme succes van Sándor Márai vanaf 2000 een inhaalslag begon. Hierbij werden oudere schrijvers als Dezső Kosztolányi, Antal Szerb en Géza Ottlik voor de Nederlandse lezer ontsloten.

Welk fragment aan proza of welke poëzie zou u met ons willen delen?
Om tegenwicht te bieden aan de oververtegenwoordiging van mannen in het relaas tot nu toe, hier een fragment van schrijfster Zsuzsa Forgács (1955-), auteur van in bijzondere, krachtige taal geschreven verhalen met een absurdistische kijk op de wereld. Het zijn verhalen vanuit een onmiskenbaar vrouwelijk perspectief. Dit is de opening van het titelverhaal uit de gelijknamige bundel Talált nő (Gevonden vrouw, Budapest 1996).

'Om één uur 's nachts vroegen verschillende ex-minnaars aan mij of ze hem mee moesten nemen. Ze bedoelden die halve gare in de hoek, die daar de hele avond bewegingloos tegen de muur geleund stond. Niemand wist hoe hij heette en hoe hij daar terechtgekomen was.
‘Dankjewel, ik kan wel op mezelf passen’, zo sloeg ik het schijnbaar onbaatzuchtige aanbod om me van de kerel te verlossen steeds af. Niet dat zij zelf met mij hadden willen slapen die nacht, het was meer dat hun mannelijke ijdelheid mij als hun eeuwig leengoed beschouwde en hun steeds in het oor krijste dat anderen mijn tuintje ook maar braak moesten laten liggen nu zij het niet meer verzorgden. Dus na hen moest ik met helemaal niemand meer slapen, en vooral niet met die halve gare in de hoek. De dichter P. kwam me tot drie keer toe vragen of hij hem moest wegslepen, waarop ik nogal geïrriteerd antwoordde dat ik hem wel op tijd zou waarschuwen als ik behoefte had aan zijn medewerking. Geïrriteerd was ik omdat ze me het broodnodige niet gunden. De vuile egoïsten! Alsjeblieft zeg, ik ben toch al een grote meid? Ik stap in bed met wie ik wil.'

Wil je meer weten over de moderne Hongaarse literatuur, dan kom je met dit overzichtswerk een heel eind: Van Sándor Márai tot Magda Szabó. Klassieke Hongaarse romans uit de 20e eeuw, van Jolanta Jastrzebska (2006).