Klassieke klucht

Dirk-Jan Arensman ,

'Expo 58' van Jonathan Coe is een hilarische zedenschets en een parodie op een Ian Fleming-achtige Koude Oorlogsroman. ‘Maar ondertussen dans ik best om ernstige kwesties heen, rond nationale identiteit, het huwelijk, loyaliteit.’

Vrijwel niets wist Jonathan Coe (1961) drie jaar geleden, toen hij als writer in residence een paar maanden in Brussel verbleef, van de wereldtentoonstelling van 1958 waarnaar zijn tiende roman is vernoemd. ‘Ik wist van het bestaan van het Atomium,’ zegt hij in de lobby van het Hôtel Métropole aan de Place De Brouckère in diezelfde stad, ‘en vagelijk hoe het eruitzag. Meer eigenlijk niet.’

 

Pas toen hij voor een radio-interview naar dat bouwwerk werd meegenomen, raakte de schrijver nieuwsgierig. Naar die wonderlijk optimistische samenkomst van landen en culturen, en naar de bijdrage die Groot-Brittannië eraan leverde. ‘Want het opvallende was dat letterlijk níemand zich het Britse paviljoen kon herinneren. De Belgen die ik erover sprak, hadden het over de paviljoens van de Sovjet-Unie en Amerika, die pal naast elkaar stonden. Over die van de andere Oostbloklanden, omdat mensen het fascinerend vonden om een glimp op te vangen van de wereld achter het IJzeren Gordijn. Over de bijzondere architectuur van het Franse paviljoen... Maar over het Britse? Geen woord.’

 

Eenmaal thuis deed Coe wat onderzoek. ‘En,’ lacht hij, ‘een van de eerste dingen die ik ontdekte, was dat er een centrale plek was ingeruimd voor een neppub die de Brittannia heette.’ Hij zag er foto’s van, en wist meteen: dit moet het decor voor mijn volgende boek worden. ‘Onweerstaanbaar vond ik het. Zo’n ontroerend beeld van wat we destijds blijkbaar hypermodern vonden. Hopeloos gedateerd en tegelijkertijd een zichtbare poging naar de toekomst te reiken.’

Zedenschets
Ook aardig: het contrast. ‘De Belgen bouwden het grootse, futuristische Atomium en wij… wij kwamen met een veredelde yachting club. Beter kun je niet samenvatten hoe we er cultureel en technologisch voorstonden, in vergelijking met de rest van Europa.’ Het was de kiemcel voor Expo 58, een hilarische zedenschets en een parodie op een Ian Fleming-achtige Koude Oorlogsroman. Het verhaal van de wat sullige ambtenaar Thomas Foley die naar Brussel wordt gestuurd om een oogje in het zeil te houden in de Brittannia. Die zijn ingeslapen buitenwijkhuwelijk in het stoffige vaderland voor zes maanden inruilt voor een verblijf in die kosmopolitische sprookjeswereld. En die, stuntelend en wel, verstrikt raakt in een romance met de Vlaamse hostess Anneke en pion wordt in een schimmig steekspel tussen Amerikaanse en Russische spionnen.

 

Coe, die bekend werd met What a Carve- up! (1994), een bijtende satire over de eighties onder Margaret Thatcher, en in The Rotter’s Club (2001) over de jaren zeventig schreef, zocht al langer naar een verhaal dat hij in het staartstuk van de jaren vijftig kon laten spelen. ‘Dat heb ik altijd een interessante periode gevonden. Zoals Philip Larkin zei: seksuele gemeenschap begon in Engeland in 1963. Vanaf dat moment werd Londen het epicentrum van de populaire cultuur, een plek van revoluties in de muziek en de mode, van seks en popart. Maar een paar jaar eerder was van die explosies nog niets te bekennen.’

 

De tijd van Cliff Richard en skiffle was het, toen Harold Pinter nog ‘raar en gevaarlijk’ werd gevonden. ‘Het schemeruur van een bepaald soort Engeland: buttoned-up en gefrustreerd, grijs en monochroom. Maar eerlijk gezegd ook een wereld die ik troostrijk vind, me doet denken aan mijn kindertijd. Want waar ik opgroeide, in de lommerrijke buitenwijken van Birmingham, had het in de seventies even goed de jaren vijftig kunnen zijn.’

Speeltuin
Het decennium van een Mad Men-achtig glamourlaagje voorzien wilde hij zeker niet. ‘In veel opzichten was het een beroerde tijd. Een slechte tijd om vrouw te zijn, avontuurlijk of ambitieus terwijl je in de verkeerde klasse geboren was. Om maar te zwijgen van het feit dat voedsel dat tot ergens in 1955 op de bon was.’ Maar luchtig is de toon zonder meer. ‘Mijn devies tijdens het schrijven was te vangen in één woord, dat je schrijvers zelden hoort gebruiken over zogenaamd serieuze boeken: fun. Het hele idee van die wereldtentoonstelling vervulde me van een gevoel van lol. Het was een absurdistische speeltuin, waarin mensen als Thomas voor even konden ontsnappen aan hun saaie leventje.’

 

Zoiets moest zijn roman ook worden. ‘Een klassieke Britse klucht in de traditie van Kingsley Amis, David Lodge of Graham Greene’s Our Man in Havana.’ Al vond Coe zijn inspiratiebronnen ook buiten de literatuur. ‘Ik had veel aan de komische films uit de jaren vijftig waar ik als kind naar keek op televisie. Daaruit leerde ik hoe de mensen praatten en, omdat het vaak politieke komedies waren, hoe de sfeer onder ambtenaren was. Very stuffy, very public school en bijzonder grappig, precies de sfeer die ik zocht.’

 

Of neem die spionageplot, waar hij nauwelijks omheen kon toen hij las dat het in het Amerikaanse paviljoen wemelde van de geheim agenten. ‘Toen ik nadacht over wat de Koude Oorlog in mijn jeugd voor me betekende, kwam ik niet uit bij de ernstige politieke spanningen, maar bij de veel goedmoediger vorm waarin ik die voorgeschoteld kreeg. Ik dacht aan James Bond en De Wrekers. De energie van hoe het onderwerp daarin werd benaderd wilde ik gebruiken.’

Ernstige kwesties
Resultaat is onder meer het stripfiguurachtige tweetal Mr. Radford en Mr. Wayne, een soort kwaadaardige Jansen en Janssen van mi6. Extremely British heren die al ondervragend elkaars insinuerende zinnen afmaken, iets licht sinisters hebben, maar vooral een onweerstaanbaar humoristisch duo vormen. Geestig op het melige af, zoals heel Expo 58, waarin een personage rustig Shirley Knot kan heten.

 

‘Het is allemaal terug te voeren op het f-woord, wat in dit geval “fun” is,’ glimlacht Coe. ‘Ik heb me wat dat betreft geen enkele grens opgelegd, geen idee verworpen omdat het te silly of kinderachtig was. Ondertussen dans ik best om ernstige kwestie heen, rond nationale identiteit, het huwelijk, loyaliteit… Maar in essentie is het wat Graham Green“an entertainment” noemde. Al heb ik altijd wat bezwaar gehad tegen het onderscheid dat hij maakte tussen zijn entertainments en zijn “echte” romans. Dat klinkt nogal verontschuldigend. En volgens mij moet je je er als schrijver nooit voor verontschuldigen dat je onderhoudend bent.’  


Jeroen van Kan sprak met Jonathan Coe over 'Expo 85' bij de Avonden.