CB13: Van der Graaff en Medvedev

Jeroen van Kan ,

'Ineens wist ik wat er bedoeld wordt met die titel, "Vluchtautogedichten". Een vluchtauto staat altijd klaar.' Die titel is van Maarten van der Graaff (1987), titel van de bundel waarmee hij dit jaar debuteerde.

De treffende observatie over de titel was van schrijver en dichter Erik Jan Harmens, die het optreden van Van der Graaff (1987) aankondigde. Hij las voor in The Palace (kan de naamgevingscommissie van Crossing Border volgend jaar de keuze heroverwegen? The Priest, the Lounge, Heaven, The Raven, Lolita... Het klinkt als een fantasy novel met begeerlijke minderjarige meisjes). Bijzondere gedichten, bijzondere dichter. Er schuilt een lyricus in hem, maar ook iemand die het graag uitschreeuwt, iemand die wil raken, maar ook iemand die wil schoppen. Iemand die begrepen wil worden, maar ook iemand die niet van plan is daar zijn best voor te doen. En terecht. Je moet voortdurend wisselen van been tijdens het lezen.

 

'Boven de kringloop van regen en baby's vliegt de roerdomp.

De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.

Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage

heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.

Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.

"Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,"

zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).'

Een paar jaar geleden las ik op de webiste van het Amerikaanse literaire tijdschrift N+1 gedichten van een mij volledig onbekende Rus: Kirill Medvedev. Hij schrijft poëzie zoals we die bij ons nauwelijks kennen. Polemisch, activistisch soms. Keith Gessen, redacteur van N+1 is een liefhebber en heeft veel van zijn werk in het Engels vertaald. Hier is hij onbekend. Maarten van der Graaff is de eerste Nederlander die ik ooit over hem hoor. En terecht, zou ik bijna weer willen schrijven, ware het niet dat ik dat in dit stuk al eerder heb gedaan.

 

Maarten las voor uit het werk van Medvedev, nu door N+1 ook als boek uitgebracht. Het werk van de Rus sloot naadloos aan op zijn eigen werk.