Aftelkroniek #66

Jeroen van Kan ,

Volgens Dostojevski het literaire zaadje waaruit de hele Russische literatuur is ontkiemd: het korte verhaal 'De mantel' van Gogol. Geschreven in 1842, maar je ziet er Kafka al in aangekondigd. Bij wijze van spreken dan...

Als warm voorstander van het associatieve lezen, word je door het toeval nog weleens verrast. Zo nam ik me al sinds het lezen van The Namesake van Jhumpa Lahiri (aan te raden) voor de novelle De Mantel van Gogol eens te lezen. Dat speelt een cruciale rol in het boek (de hoofdpersoon identificeert zich nogal met de hoofdpersoon). Helaas vergat ik dat voornemen weer, maar werd ik er van tijd tot tijd herinnerd door toevalligheden. De naam Gogol en de naam van de novelle kwam ik sindsdien overal tegen. Dat is niet verwonderlijk. Voordien zou ik er overheen gelezen hebben, maar nu herinnerde de naam van de schrijver me elke keer aan het oningeloste voornemen.

 

En dan wil het toeval dat je op één dag drie keer met het boekje wordt geconfronteerd. Eerst lees je ‘s morgens Het Parool en blijkt Arnon Grunberg op een vlucht van Dublin naar New York De Mantel te hebben gelezen en daar zo enthousiast over te zijn dat hij een brief schrijft aan Gogol. Sinds hij per ongeluk in een boek van Coetzee was begonnen nooit meer zo opgetogen geweest, schrijft Grunberg.

 

Even later, in een andere krant, schrijft iemand over de Russische realisten en noemt daarin De Mantel.

 

Later die dag bevind je je in De Slegte te Leiden (ik ben een wereldreiziger op de vierkante kilometer) en trek je als eerste een gaaf exemplaar van De Mantel uit de kast. Uitgave uit 1946. Vertaling van Aleida Schot, naar wie later nog een literaire vertalersprijs is vernoemd.

 

In de zestig jaar die ons scheiden van die eerste vertaling hebben meerdere mensen zich over Gogols vertelling ontfermd, onder wie Charles B. Timmer, Marko Fondse en Anne Pries, maar de vertaling van Schot is nauwelijks gedateerd, bleek toen ik het boekje mee naar huis nam en meteen na binnenkomst begon met lezen.

In De Mantel vertelt Gogol het verhaal van de onbeduidende gemeente-ambtenaar Akakij Akakijewitsj Basjmatskin. Hij kopieert documenten, elke dag opnieuw. Dat doet hij zo nauwkeurig en plichtsgetrouw dat zijn chef hem ook een keer moeilijker werk laat doen, maar dat bevalt Akakij nauwelijks. Het liefst kopieert hij. Dat doet hij ook thuis. Terwijl alle andere ambtenaren in hun vrije tijd kaarten, thee drinken bij collega’s of zich met een hobby bezighouden, kopieert hij. Hij is er zo aan verslingerd dat hij zelfs favoriete letters heeft.

 

Op zijn werk heeft niemand respect voor hem. Hij wordt voortdurend gepest. Meestal laat hij dat over zich heen komen, maar af en toe verzet hij zich. ‘Laat me toch met rust! Waarom plagen jullie me toch zo?’ Eerder vertwijfeld dan boos.

 

Op een dag ontdekt hij dat zijn jas dermate versleten is dat hij naar een kleermaker moet. Die weigert de jas te maken. Die is zodanig versleten dat er niets meer aan te doen valt. Als je er alleen al met een naald naar wijst, valt alles al uit elkaar. De kleermaker kan een nieuwe maken, maar de oude repareren, nee dat kan niet. En dus gaat Akakij sparen voor de nieuwe jas. Hij ontzegt zichzelf de thee ‘s avonds, eet minder, werkt bij het licht van zijn hospita om geen kaars aan te hoeven steken, et cetera.

 

Uiteindelijk heeft hij genoeg gespaard en laat de nieuwe mantel maken. Hij is er zeer opgetogen over. Trots gaat hij ermee naar zijn werk, waar iedereen het nieuwe kledingstuk bewondert. Ineens wordt hij opgemerkt door zijn collega’s, na jaren te zijn geminacht. De nieuwe mantel moet gevierd worden! Een collega nodigt iedereen dezelfde avond uit bij hem thuis.

 

Akakij heeft nooit deelgenomen aan het sociale leven en was ook liever thuis gebleven, maar is te beleefd om niet te gaan. Als hij binnenkomt is hij aanvankelijk weer even het middelpunt, maar als iedereen de nieuwe jas heeft bewonderd, bekommert niemand zich meer om hem. Dan, als hij laat op de avond naar huis gaat, gebeurt er iets vervelend. Iets heel vervelends. Wat, dat ga ik niet zeggen. Ook over hoe hij door een hogere ambtenaar wordt uitgescholden en hoe hij zich uiteindelijk wreekt (aangenomen dat de hoge ambtenaar zich niet heeft vergist en iemand anders voor Akakij heeft aangezien), ga ik niks zeggen. Dat zou het leesplezier aanmerkelijk bederven. Een stukje als dit zet liever tot het lezen van een boek aan dan dat het het lezen ervan overbodig te maken.

 

Hoe dan ook, Grunberg had gelijk: het betreft hier een boekje dat je niet snel loslaat. Heb intussen al een paar keer aan Akakij gedacht vandaag, bij het in de auto stappen, het rondlopen in de Albert Heijn en het zoeken naar een schaar. Dit verhaal zal ik snel weer lezen. Niet alleen omdat het zo mooi de onbeduidende ambtenaar en zijn lot beschrijft, maar ook omdat het zoals elke echt grote vertelling zoveel betekenissen toelaat.

 

Grunberg schaart zich overigens in een lange rij voorgangers. Volgens Maarten Biesheuvel is De Mantel het beste verhaal uit de wereldliteratuur. Vladimir Nabokov vond niet alleen het verhaal onsterfelijk, maar Gogol de ‘grootste kunstenaar die Rusland ooit heeft voortgebracht’. En Dostojevski schreef zelfs: ‘Wij komen allen uit Gogols Mantel voort’. Daarmee bedoelde hij dat in die vertelling de kiem besloten lag van het werk van alle Russische realisten die na Gogol kwamen, zoals Dostojevski, Tolstoj, Toergenjev en Gontsjarov. Een hele generatie was schatplichtig aan zijn verhaal. Volgens Dostojevski dan. Meer eer kan een werk niet ten deel vallen. Volkomen terechte eer overigens. Het is een prachtig verhaal. Bij uitgeverij Hoogland & Van Klaveren is een nieuwe vertaling verschenen, van Anne Pries, en voor wie het oude Nederlands van Aleida Schot prefereert is op internet voldoende te bestellen.

 

Nou, wat doe je hier nog?