Aftelkroniek #65

Jeroen van Kan ,

Na het lezen van Gogols 'De mantel' wilde ik graag weten wat Somerset Maugham over hem schrijft in zijn essaybundel 'Points of View'. Niets. Wel veel Tsjechov overigens, van wie een zee niet mag lachen.

Matisse laat een dame een schilderij zien waarop hij een naakte vrouw heeft geschilderd. ‘Maar zo ziet een vrouw er helemaal niet uit!’ zegt de vrouw. ‘Maar het is ook geen vrouw, het is een schilderij.’

 

Met die anekdote begint Somerset Maugham zijn essay over het korte verhaal. Maar het punt dat hij maakt zwakt hij meteen al af. Hoe treffend ook, Maugham is een traditioneel verteller en vindt dan ook dat aan het genre best waarschijnlijkheidseisen gesteld mogen worden. Je kunt er ook voor kiezen verhalen te schrijven die zich afspelen in een eigen wereld, waarin weinig of niets verwijst naar de werkelijke wereld, maar Maugham is daar niet zo’n liefhebber van. Hij tekent het liefst naar het leven. In de stijl van De Maupassant, zijn grote voorbeeld. Die gebruikte de werkelijkheid als onuitputtelijke bron, veroorloofde zich alleen de vrijheid van de dramatisering.

 

De verhalen van Henry James worden nogal halfslachtig besproken door Maugham. Eerst steekt hij de loftrompet, om vervolgens met paukenslagen aan te kondigen dat hij de verhalen van James niet gelooft. ‘Highly unsatisfactory’ zijn ze wat hem betreft. Britser kun je een schrijver niet veroordelen.

 

Ook over James vertelt hij een anekdote, die in de verte aan die over Matisse doet denken. James had een keer een geletterd man geportretteerd in een van zijn verhalen, waarna iemand opmerkte dat geletterde mannen zich helemaal niet zo gedroegen als in James’ verhaal. ‘So much the worse for them,’ antwoordde James. 

Het wonderlijke van dit essay is dat Maugham nergens echt stelling neemt. Als hij over Tsjechov schrijft en zijn nogal rigide opvattingen over waar een goed verhaal aan moet voldoen, houdt hij zich voortdurend op de vlakte. ‘Daar zit wel wat in,’ merkt hij dan op, of  ‘Klinkt niet onredelijk.’ Intussen zijn de eisen van Tsjechov niet van dien aard dat je ze redelijk kunt vinden. Zo mag een zee niet lachen wat hem betreft, moet elke schrijver van korte verhalen het begin en het einde weggooien en mag in een verhaal niks overbodigs voorkomen. Beroemd is het voorbeeld van het geweer aan de muur. Als in het begin van een verhaal wordt beschreven dat het daar hangt, moet het een paar bladzijden verderop afgaan. Dat wat geen functie heeft binnen het verhaal dient onbeschreven te blijven.

 

Lastige eis. Misschien zegt de aanwezigheid van dat geweer aan die muur wel iets over de persoon die beschreven wordt, zoals het ook iets over die persoon zou zeggen als er in plaats van geweren opgeprikte vlinders achter glas aan de muur hingen. Moeten die vlinders na beschreven te zijn een rol krijgen in het verhaal? Ik word opstandig van regels, zou het liefst meteen een verhaal schrijven waarin elke mededeling overbodig is… Vrees dat dat niet erg leesbaar zal blijken te zijn.

 

Hoe dan ook, een echte conclusie valt niet te trekken na lezing van Maughams essay, behalve dat we hier van doen hebben met een traditionele verteller die hecht aan geloofwaardige personages in geloofwaardige omstandigheden. In de beperking toont zich et cetera…

 

Hetzelfde geldt voor zijn essay over India. Maugham ontmoet de destijds befaamde Indiase leermeester Ramana Maharshi. Hij beschrijft de ontmoeting, maar de Maharshi blijft een onbekende voor ons en over zijn opvattingen worden we hoegenaamd niets wijzer in dat essay. Op het moment dat het interessant zou kunnen worden, houdt het stuk op. Zal hij begin en einde van zijn essays op advies van Tsjechov hebben weggegooid?