Aftelkroniek #64

Jeroen van Kan ,

'Ina Rilke's translation is fluent and finds clever solutions to tough challenges,' schreef Michel Faber in The Guardian toen 'Beyond Sleep' van Hermans in vertaling verscheen. Een aantal jaren terug interviewde ik Rilke over haar vertaling.

Rilke vertaalde niet alleen Nooit meer slapen, maar ook De donkere kamer van Damocles in het Engels. Zowel The Darkroom of Damocles als Beyond Sleep werden goed ontvangen door de buitenlandse kritiek... Ter voorbereiding van de Hermansnacht herlas ik de transcriptie die ik maakte van een interview met Ina Rilke. Een bewerkte versie van dat gesprek publiceerde ik in Tirade, maar dat ging ook over haar vertaling van Eline Vere. Hierbij een deel uit de transcriptie...

Hermans is natuurlijk een ongelooflijk weerbarstig schrijver. Die zinnen zijn zo afgemeten, zo ruw ook vaak. Als je een boek als Nooit meer slapen op zinsniveau gaat bekijken - en dat doe je als vertaler veel meer dan een gewone lezer zou doen; elke bouwsteen van zo’n tekst gaat door je handen, terwijl je het boek als lezer alleen als bouwwerk bekijkt - dan dan zie je dat er stilistisch weinig overblijft. Het zijn hele eenvoudige, in zekere zin nogal onliteraire zinnen. Ik bedoel, Nederlanders zijn dol op krullen, dol op literaire franje. Bij het vertalen van Hermans moest ik er echt aan wennen dat dat bij hem niet het geval is. En het gekke is: dat maakt het vertalen eerder moeilijker dan makkelijker. Het ziet er wel heel makkelijk uit, maar het is juist verschrikkelijk lastig. Want het is dan wel eenvoudig geschreven en zonder veel literaire opsmuk, maar het is tegelijkertijd ook heel exact wat hij doet. Hij moet het niet hebben van zijn stijl, maar wel van zijn gevoel voor timing. Dat is fenomenaal.
Het was heel verleidelijk om er mooi Engels van te maken, om die ruwe, soms zelfs krukkige zinnen van Hermans om te zetten in mooi lopend Engels. Die neiging moest ik steeds zien te weerstaan. Ik ben daar vrij ver in gegaan hoor. Steeds maar weer terug in de tekst. Nog kaler, nog kaler. Tot op het laatste moment heb ik eraan geschaafd. Het gaat er toch om dat je de toon van het origineel zo goed mogelijk overbrengt in een andere taal, en bovendien had Hermans een hekel aan mooischrijverij. Hij vond dat Couperus niet met inkt schreef, maar met parfum. Nou, dat is duidelijk te merken bij het vertalen van Eline Veere, waar ik nu aan werk. Het is moeilijk twee schrijvers in het Nederlands taalgebied te vinden die verder van elkaar af staan.
 
Ik ken maar weinig boeken waarin de stijl zo goed aansluit bij de inhoud als Nooit meer slapen. Het is op een volkomen eigen manier geschreven. Het wonder van het boek is wat mij betreft dat al die niet zo heel opmerkelijke zinnen resulteren in zo’n knap boek. Dat het werkt. Dat vond ik een ontdekking. Ik was niet zo’n Hermansadept voordat ik zijn werk ging vertalen, maar ik heb gaandeweg alleen maar meer respect voor hem gekregen.
 
Hij maakt ook enorm veel gebruik van herhaling. Sommige mensen houden dat voor slordigheid, maar ik vind die herhaling juist volkomen functioneel in dit geval. Deel van zijn verteltechniek. Het werkt. Die staccatozinnen, die herhaling, en dan dat beperkte register dat hij gebruikt, zijn allemaal een onlosmakelijk onderdeel van zijn stijl. 
 

Zijn beschrijvingen zijn heel karig. Zijn landschapsbeschrijvingen bijvoorbeeld, die zijn zo spaarzaam. Maar met een paar penseelstreken zet hij het wel helemaal neer. Het is genoeg binnen het bestek van het verhaal, hij heeft niet meer nodig. Daar een beperking in zien zou onrechtvaardig zijn. Het is zijn kracht. 

Ik denk dat Hermans volkomen meegesleept werd door het verhaal als hij aan het schrijven was. Daarom stapt hij misschien ook zo makkelijk over allerlei details heen in de tekst die niet helemaal kloppen. Ook als hij een boek ging reviseren, wat hij natuurlijk ontzettend vaak deed, moet daar zijn prioriteit niet gelegen hebben. In De donkere kamer van Damokles, dat ik ook vertaald heb, is sprake van een vrouw wier nek wordt gebroken, maar een paar bladzijden later blijkt ze kogels in haar lichaam te hebben. Iemand komt binnen met een grote hengselmand en een paar bladzijden later is ineens sprake van een klein mandje. Ergens wordt beschreven dat vier mensen bij elkaar staan, en een bladzijde later schrijf hij: ze waren alledrie een kop kleiner dan hij. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

 
Nu ik twee jaar in zijn hoofd heb gezeten ben ik ervan overtuigd geraakt dat hij zich liet meeslepen door het verhaal. Hij liet zich zozeer meeslepen dat hij al die details kennelijk niet meer zag, ook niet als hij het boek jaren later opnieuw ging doorkammen. Zijn gedrevenheid gold het verhaal. Het is juist die gedrevenheid die het zo sterk maakt. Die zit helemaal in zijn tekst, stuwt het verhaal voort. Nooit meer slapen leest bijna als een whodunnit, terwijl toch geen sprake is van een duidelijk plot. Dat geldt natuurlijk weer wel voor De donkere kamer, dat valt heel goed als een whodunnit te lezen. Daar is de opgebouwde spanning heel bepalend voor hoe je het boek leest. Maar in Nooit meer slapen is die spanning alleen als suggestie aanwezig. Want wat gebeurt er nou werkelijk in dat boek? Hij gebruikt de middelen van een whodunnit, maar de spanning wordt nergens ingelost, en dat maakt je ook niets uit als lezer. Je wilt voortdurend weten hoe het afloopt, hoe onspectaculair de ontknoping ook is. Dat vind ik ongelooflijk knap aan dat boek.
 
Ik ben wel bang geweest dat het me niet zou lukken, dat ik er niet mee weg zou komen. Kijk, als je Hermans vertaalt in het Engels en je blijft daarbij heel trouw aan het origineel, dan loop je natuurlijk het risico dat daar een heel stroef, stug boek uit voortkomt. In Nederland heeft Hermans een hele eigen plaats, kennen we zijn stilistische eigenaardigheden, weten we dat hij een ruwe en barse toon heeft, maar een lezer in Engeland maakt voor het eerst kennis met hem, heeft geen idee wie die Hermans is. En dan is het ook nog eens een boek dat is geschreven in de eerste persoon enkelvoud en in de tegenwoordige tijd. Maar het is wel een boek uit het begin van de jaren zestig. Nou, verhalen in de eerste persoon in de tegenwoordige tijd zijn er niet zo veel in de Engelse literatuur uit die tijd. Dat is hoogst zeldzaam.
 
En wat het ook zo ontzettend moeilijk maakt is dat ze in Engeland nauwelijks vertalingen lezen. Dat is een hele marginale markt. Een vertaling heeft echt een andere status dan hier. De verwachtingen zijn ook anders. Ze willen dat de vertaler echt onzichtbaar is. Het moet echt helemaal Engels klinken. De Engelsen zijn ook conventioneler. Als je een Engels kort verhaal leest, of dat nou Amerikaans of Brits is, dat is geschreven rond 1935, 1940 en je leest iets van nu, dan kun je niet zien welke de oudere is. Aan de thematiek uiteraard, aan de context, maar niet aan de stijl.

En lees je dan een verhaal van Mulisch uit begin jaren vijftig, dat zie je meteen: zo wordt er nu niet meer geschreven. De Engelstalige literatuur zit veel meer aan conventies vast dan de onze.