Aftelkroniek #67

Jeroen van Kan ,

'Ja, maar dat is prachtig!' zegt W.F. Hermans tegen interviewer Freddy de Vree als het werk van Maurice Gilliams ter sprake komt. Hij was een liefhebber. Gilliams (1900-1982) is eigenlijk altijd een writers writer gebleven.

Voor iemand met zijn literaire reputatie is hij snel in de vergetelheid geraakt. Hij werd onderscheiden met de Grote Prijs der Nederlandse Letteren, hem in 1980 door Koningin Beatrix uitgereikt in het Paleis op de Dam, werd door Koning Boudewijn in de adelstand verheven, kreeg in 1970 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre en zijn werk werd door zijn eerste biograaf, goede vriend en schrijver Pierre H. Dubois gerekend ‘tot het meest superieure dat de Nederlandse letteren van de twintigste eeuw heeft opgeleverd’. Je zou derhalve zeggen dat de boeken van Gilliams herdruk op herdruk hebben beleefd en door iedereen met enige interesse in die Nederlandse letteren zijn stukgelezen, maar dat is niet het geval. Zijn bekendste werk, Elias of het gevecht met de nachtegalen, is wat je noemt een geheimtip, een boek dat je gelijkgestemden aanbeveelt, maar nooit een plaats op welke ranglijst dan ook zal veroveren.
 
Gilliams is dan ook niet bepaald een publieksauteur. ‘Nooit is het mij erom te doen geweest in de literaire actualiteit aanwezigheid af te dwingen,’ in zijn eigen woorden. Het is hem nooit te doen geweest om erkenning. Hij heeft geschreven voor zichzelf, om zichzelf vorm te geven misschien, om zin te geven aan een verleden dat anders nog ongrijpbaarder was geweest, misschien uit de onuitroeibare behoefte zichzelf te duiden, maar in ieder geval niet om een publiek te behagen. Het schrijven had een zeer particuliere functie voor hem, kennelijk, en wij als lezers mochten zo nu en dan toekijken, als hij dat wat hij schreef tenminste niet prijsgaf aan de vlammen. In een brief aan Pierre H. Dubois schrijft hij: ‘De harmonie waar ik behoefte aan heb laat zich niet vinden. In vele van die steeds weergekeerde, moeilijke momenten heb ik er geen zonde van gemaakt vroeger en later werk de kachel in te stoppen’.
 
Je zou kunnen zeggen dat Gilliams een heel leven lang strijd heeft gevoerd met het vinden van de juiste vorm. Als hij die had gevonden, dan was hij wellicht tot een soort Vlaamse Proust uitgegroeid: al zijn prozaboeken maken uiteindelijk deel uit van één en hetzelfde werk, van Elias of het gevecht met de nachtegalen tot Gregoria of een huwelijk op Elseneur. Uiteindelijk was al het prozawerk nauw met elkaar verwant, maar Gilliams vond nooit die ultieme vorm waar hij zo naar zocht en verbrandde keer of keer de teksten waar hij niet tevreden over was: ‘Tijdens een zware depressie heb ik een hoop werk uit vele jaren vernietigd; twee grote plasticzakken vol (…) Gregoria is toevallig aan de vernietiging ontsnapt,’ schrijft Gilliams in 1980, vlak voor zijn dood, aan zijn goede vriend Dubois.
Gregoria is het laatste boek dat van Gilliams verscheen, in 1991, bijna tien jaar na zijn dood. ‘Een essayistisch roman-gedicht over de misère in mijn eerste huwelijk’. Het is de best denkbare omschrijving. In bijna vierhonderd bladzijden doet Gillams verslag van een mislukt huwelijk. Hij was al in de jaren dertig begonnen met schrijven aan het boek en had het een leven lang bijgeschaafd. Toen hij stierf werkte hij aan de achtste versie, nog steeds onzeker over de vraag of het nu wel of niet gepubliceerd moest worden.
 
Maar ook al wordt zijn laatste boek goed ontvangen, het zal nooit de reputatie krijgen van Elias of het gevecht met de nachtegalen. Dat blijft Gilliams onbetwiste meesterwerk. In dat boek gebeurt hoegenaamd niets. Elias beschrijft hoe hij zijn dagen slijt op een kasteeltje waar hij samen met twee tantes en zijn neef Aloysius woont, met wie hij papieren bootjes vouwt en op het water laat afdrijven. Toegegeven, er gebeurt in het boek meer dan dat, maar duidelijk is dat het niet de handelingen zijn die het zo meesterlijk maken. Het meesterlijke zit in de nergens expliciet benoemde bewondering, ja misschien zelfs verliefdheid die Elias voelt voor zijn neefje Aloysius, maar vooral ook in hoe overtuigend Gilliams het jongetje van binnenuit beschrijft. Thomas van den Bergh verwoordde het een paar jaar geleden alsvolgt: ‘Het verhaal wordt vanuit het perspectief van de kleine jongen verteld, en omdat die zo rijk is aan gevoelens, is ook zijn perceptie van de werkelijkheid steeds vol van emotie en zintuigelijke ervaringen’.
 

Het grote werk is er nooit gekomen, heeft nooit de gewenste vorm gekregen, maar we hebben wel een paar prachtige brokstukken overgehouden. Bovendien heeft Gilliams heel veel gedichten nagelaten. Uiteindelijk was hij een dichter. Zijn proza bewees dat des te meer. Over zijn poëzie zei hij: ‘Ik houd van poëzie waarvan de dichter de sleutel in het graf meedraagt, die een “uitstraling” op mij doet gevoelen, gelijk ertsen in de grond.’ Dubois laat op die woorden de opmerking volgen dat het werk van Gilliams een rijk gebergte is dat voorlopig nog niet ontgonnen is. Dat moge in ieder geval blijken uit de hernieuwde biografische interesse die er voor hem is: uitgeefster Annette Portegies schrijft een biografie over hem. Uit haar onderzoek tot nu toe blijkt niet alleen zijn werk nog vol onopgeloste raadsels, ook in zijn persoonlijk leven valt nog veel nieuws te ontdekken: Portegies kwam erachter dat Gilliams een geheime liefde had en dat uit die verbintenis een zoon is voortgekomen. Misschien voorzien dat soort biografische details in een andere dan een literaire behoefte, maar daar staat weer tegenover dat werk en leven nauw met elkaar verbonden zijn: voor wie graag de sleutel van zijn poëzie meeneemt in het graf, zal het ook geen probleem zijn een buitenechtelijk kind te verzwijgen. Hoe dan ook, de literatuur vaart wel bij die houding; voor de literatuur kan niet genoeg verborgen blijven.