Goudjacht

Katja de Bruin ,

In 1799 verging een Brits fregat in de Waddenzee, met aan boord een grote hoeveelheid goud en zilver. Martin Hendriksma schreef een goed gedocumenteerd boek over de 'Lutine' en haar schat.

Windkracht zeven was het, toen Martin Hendriksma begin september met een cameraploeg van EenVandaag probeerde de plaats te bereiken waar de Lutine verging. Staand op het achterdek moest hij in de gierende wind aan de inmiddels kotsmisselijke interviewer uitleggen waarom het toch zo moeilijk was gebleken om het goud te bergen. 'Nou ja, dat was wel duidelijk. Kijk om je heen.'
Op 9 oktober 1799 verliet het Britse fregat Lutine de haven van Yarmouth met bestemming Hamburg. Aan boord was een grote hoeveelheid goud en zilver, bestemd om de instortende economie van Hanzestad Hamburg te redden. Als Hamburg failliet ging, zou heel Europa meegesleurd worden in een financiële crisis.
Maar de Lutine zou Hamburg nooit bereiken, want ergens tussen Vlieland en Terschelling verging het schip. Slechts één bemanningslid overleefde de ramp. De bodem van de zee lag bezaaid met goudstaven waarnaar ruim 200 jaar door vele schatzoekers gevist zou worden.
Wat is er gebeurd die nacht? Waarom raakte de Lutine uit koers? Was de bemanning dronken, of was er een geheime missie die vervuld moest worden? Aanvankelijk was Hendriksma van plan een roman te schrijven, waarin de enige overlevende, de Ierse matroos John Rogers, zou vertellen wat er die nacht gebeurde. Maar toen hij zich ter voorbereiding verdiepte in oude scheepsjournalen en monsterlijsten, besefte hij al snel dat de werkelijkheid veel spannender was. Dus werd het non-fictie. Er waren al eerder boeken over het schip en zijn schat geschreven, maar de auteurs waren vaak 'maritieme types die een vrij stug en inmiddels gedateerd proza schreven,' aldus Hendriksma. Die kwalificatie is zeker niet van toepassing op Lutine, dat een goed gedocumenteerd jongensboek is geworden: vol norse zeebonken, politieke intriges en natuurlijk dat onweerstaanbare goud.

Noest speurwerk
Want dat is een van de grote vragen waarop Hendriksma antwoord probeert te vinden: hoeveel goud was er aan boord en hoeveel ligt er nog op de bodem van de Waddenzee? Daarover is de afgelopen twee eeuwen eindeloos gespeculeerd. Er zijn bergingsoperaties geweest waarbij inderdaad goud boven water kwam, maar de meeste bergers verdienden hun investering op geen stukken na terug. De laatste berger, de Harlinger tandarts Ane Duijf, besteedde twintig jaar van zijn leven aan het duiken bij het wrak van de Lutine. Goudstaven vond hij nooit, wel veel spijkers, waarvan Martin Hendriksma er een uit zijn broekzak vist. Voor iemand die drie jaar Lutine ademde, moet het een magisch moment geweest zijn om iets tastbaars in handen te hebben, al is het maar een spijker. Hij wijst op het hanepootje op de kop van de spijker, het kenmerk van de Britse admiraliteit. De spijker lag tijdens het schrijven als een talisman op zijn bureau. 'Bijna iedereen die zich met dat schip heeft ingelaten werd getroffen door rampspoed. Mensen werden ziek of gingen failliet. Zo iemand als Ane Duijf, die heeft twintig jaar op dat schip gevist en eigenlijk niks substantieels gevonden. Ik was de hele tijd bevreesd dat een hogere macht mij zou tegenwerken.'
Dat gebeurde niet. Hendriksma wist, dankzij noest speurwerk in de Engelse archieven, te achterhalen hoeveel goud er precies aan boord was. Zo kon hij uitrekenen hoeveel er nog op de zeebodem ligt. En of het de moeite waard zou zijn om daarnaar te blijven zoeken. Het wrak ligt begraven onder zeven meter zand. Daarboven woelt drie meter wilde zee. 'Volgens een bon van de Bank of England die ik in de archieven vond, waren er 195 goudstaven aan boord. Daarvan zijn er 112 gevonden bij officiële bergingsoperaties. Maar er zijn ook enige tientallen goudstaven illegaal in Volendam beland, dus zoveel ligt er niet meer. Het loont veel meer om met een metaaldetector over de stranden van Vlieland en Terschelling te lopen. Nog steeds spoelen er regelmatig munten aan. Daarvan waren er tienduizenden aan boord.'

Plaatjerijk
Het Lutinegoud dat illegaal in Volendam belandde, dat is een van de mooiste verhalen die Hendriksma boven water wist te krijgen. Al jaren deed op de Wadden het gerucht de ronde dat de Volendammer vloot betaald was met Lutinegoud. Maar niemand had ooit uitgezocht of dat waar was. Hendriksma traceerde de 82-jarige achterkleinzoon van Cornelis Buijs, alias 'Buissie'. Deze Henk Tol is stekeblind, maar weet Hendriksma in sappig Volendams te vertellen hoe zijn overgrootvader 'plaatjerijk' was geworden dankzij de Lutine.
In 1860 had Buissie zijn speciaal verzwaarde netten over de zeebodem rondom het wrak gesleept en zo zelf die staven opgevist. Veel Volendamse botters werden nadien gefinancierd met Lutinegoud, en voormalige armlastige vissers konden zich plotseling huizen permitteren op de mooiste plekjes aan de kade.
Op de Waddeneilanden bestaat tot op de dag van vandaag ongenoegen over deze gang van zaken. Op Vlieland en Terschelling heerste ten tijde van de ramp grote armoede maar uiteindelijk zouden de eilanders nauwelijks profiteren van de schat. Alleen rederij Doeksen verdiende in 1938, de hoogtijdagen van de goudkoorts, flink aan alle extra passagiers die met eigen ogen wilden zien hoe het goud omhoog getakeld zou worden. Hoewel Hendriksma de mysteries rondom de Lutine grotendeels heeft weten te ontrafelen, blijven er vragen die hij niet kan beantwoorden. Dat vindt hij niet erg. 'Ik heb niet de ambitie om die hele mythe tot drie cijfers achter de komma op te lossen. Ik ben heel ver gekomen, maar ik ben er niet rouwig om dat ik niet alles heb opgelost. Iets van die ramp moet een mysterie blijven.'