Tao Lin, Alt Lit & andere misverstanden

Tao Lin wordt goed in de markt gezet: deze ‘stem van zijn generatie’ en ‘vertegenwoordiger van een nieuw soort schrijverschap’ is een Amerikaanse hype. Op een terras in Utrecht vertelt hij over Alt Lit, imagoproblemen en andere moderne ongemakken.

Er wordt bijna net zo veel over hem geroddeld als over Kim Kardashian. Het internet staat vol met spectaculaire verhalen: zo stal hij van de NYU Bookstore en American Apparel (en schreef daar dan weer een boek over), verkocht aandelen van zijn boek en vermoeide journalisten met publiciteitsstunts. Hij heeft nogal een imago; relschopper, drugsgebruiker, algeheel ongeleid projectiel... Maar in het echt is hij bijna verlegen, introvert. Ja, hij biedt me zijn wietpijp aan (‘Wil je ook?’), maar hij is bovenal ingetogen, rustig, en denkt lang en diep na over elke vraag. Te beginnen met Alt Lit.

Wat is Alt Lit?
Stilte.
‘Hoe heb je over Alt Lit gehoord?’ vraagt hij. ‘Ik praat er nooit over.’
Ik draai pak zijn Nederlandse boek en lees van de achterflap: ‘Tao Lin is grondlegger en boegbeeld van Alt Lit…’
Oh my God.’ Hij lacht ongemakkelijk.
‘Krijg je nu ruzie met je uitgeverij?’ vraag ik. ‘Niet vertellen dat ik het heb gezegd hoor.’
‘Nee, de uitgeverij mag zeggen wat ze willen.’
‘Maar jij bent niet de oprichter van Alt Lit?’
‘Nou jawel, want dat is wat iedereen zegt, wat op Wikipedia staat. Zelf zou ik het nooit zeggen, omdat ik labels en categorieën probeer te vermijden, zoals “literatuur” of “literaire beweging”. Literatuur is een subjectieve ervaring, ik geloof niet in kwalitatieve oordelen. Maar steeds meer mensen zeggen dat ik deze beweging ben gestart. En hoe meer ik zeg dat ik er niets mee te maken had, hoe meer zij herhalen dat ik de oprichter ben.’

‘In Amerika is dat het ergst, in andere landen valt het wel mee. De journalist zegt: het is zo en zo, en ik zeg nee, het is het omgekeerde. Maar iedereen gelooft de journalist.”
‘En die zegt?’
‘Dat ik de stem van een generatie ben…’
Het blijft lang stil. Hij staart in de verte, neemt nog een hijs.
‘En daar ben je niet mee eens omdat?’ Ik kijk op, zie dat hij op z’n vingers telt – ‘Oh wacht, je maakt een lijstje. Goed idee, lijstjes doen het goed online.’
Hij lacht, tikt een tweede vinger aan: ‘En dan de schrijvers waar ze me mee vergelijken; Douglas Coupland, Brett Easton Ellis – eerst was het Beckett, maar sinds ze me aan Alt Lit willen koppelen past dat label niet meer – en dan,' hij tikt een derde vinger aan; ‘dat mijn werk grappig bedoeld is.’
‘En dat is het niet?’
‘Ik geloof het niet. Maar veel mensen denken dat ik mijn lezers uitlach. Dat ik zomaar iets schrijf, en op mensen neerkijk die het daadwerkelijk goed vinden.’

Waar komt dat beeld vandaan?

‘Het is vooral mijn eigen schuld. Laatst werd ik bijvoorbeeld opgepakt omdat ik in de NYU bookstore was. Mij was verboden daar nog te komen, omdat ik er had gestolen, maar dat was vier jaar geleden, en dit was een andere locatie, dus ik was het gewoon vergeten. Ik deed een dutje in het café toen een bewaker me opmerkte en meenam naar het politiebureau.
Door dat soort dingen kom ik onbetrouwbaar over. Ik zou mezelf ook niet vertrouwen. Als ik mezelf niet was, zou ik waarschijnlijk ook geen interesse hebben in mijn boeken. Ik zou denken, “Waarom doe je al die stomme dingen, terwijl je ook zou kunnen schrijven?”’
‘Aan de andere kant is het natuurlijk ook een goede publiciteitsstunt,’ zeg ik.
‘Tsja,’ zegt Lin. ‘Nou. Misschien. Als ik niet zo’n imago had, zouden journalisten ook niet over me schrijven.’
 
Welke rol speelt het internet in je werk?
‘Geen grote,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om het internet zelf. Dat is maar een bijeffect van de tijd waarin we leven, die ik probeer te beschrijven. Vroeger zouden personages elkaar bellen, nu liggen ze op bed te chatten.’
‘Maar je beschrijft alles zo nauwkeurig,’ zeg ik. ‘De houding van Paul, op het matras, zijn knieën omhoog getrokken, de laptop erop leunend… dat moet toch iets betekenen?’
‘Ik ben niet geïnteresseerd in wat het betekent. De houding… Ik had gewoon nog nooit iemand die posities zien beschrijven, terwijl ik altijd zo lig. Daarom beschrijf ik het. Als ik telefoneren beschrijf, zou ik soortgelijke observaties maken over de houding.’
‘Zoals de manier waarop de binnenkant van je elleboog gaat zweten als je te lang in dezelfde houding belt?’ vraag ik.
 ‘Echt? Gebeurt dat?’ Hij leeft helemaal op. ‘Jij zou daarover moeten schrijven, dat zou echt goed zijn. Ik zou daar graag over lezen.’

Ik heb de Nederlandse vertaling van Taipei meegenomen. Hij pakt het boek op en bladert, wijst op de laatste pagina: ‘Ze hebben hier een komma neergezet.’
Ik knik: ‘Maar in het Nederlands zijn de interpunctieregels vaak iets anders dan in het Engels’
‘Nee,’ zegt hij, ‘In het Engels ook. Alleen ik had er bewust geen komma neergezet.’ Hij kijkt op de achterflap, wijst een blurb aan. ‘Is dit een persoon?’
‘Rutger Lemm?’
‘Ja, is dat een persoon?’
‘Dat is een persoon ja.’ Ik zeg dat hij Lemms werk wel zou kunnen waarderen, de eerlijkheid ervan en de openheid. Hij wil weten wat Lemm over zijn boek zegt.
Lin is een vertegenwoordiger van een nieuw type schrijverschap,’ lees ik voor.
Zijn gezicht betrekt. ‘Dat is niet erg positief.’
‘Ik dacht dat jij niet in kwalitatieve labels geloofde?’
‘Ik niet,’ zegt hij, ‘Maar anderen wel!’

MUMBLECORE (TRAILER 1) from MDMAfilms on Vimeo.

Taipei is in Nederlandse vertaling verschenen bij Uitgeverij Podium. Tao Lin las in Nederland voor bij City2Cities en de Das Mag boekenclub. Op maandag 14 april verscheen een interview met hem in de NRC Next.

Inspiratie voor Taipei

Hoewel zijn werk wordt vergeleken met dat van Beckett, Douglas Coupland en Brett Easton Ellis, wijst Tao Lin zelf heel andere inspiratiebronnen aan: Lorrie Moore, Lydia Davis en Fernando Pessoa. En Rilo Kiley, de indieband die rond 2000 vele MySpace profielen vergezelde.

'Van al hun liedjes heb ik naar dit nummer het meest geluisterd,' zegt Lin. 'Zet deze er maar bij.'

(Ideeën voor de nieuwe naam zijn welkom in de reacties.)