Roman Helinski

Roman Helinski ,

'Standbeelden staan stil'

Roman Helinski was 11 mei 2014 te gast in VPRO Boeken om te praten over zijn debuutroman 'Bloemkool uit Tsjernobyl'. Vijf dagen na de uitzending overleed zijn vader, die een grote rol speelde bij de totstandkoming van zijn boek. Roman schreef naar aanleiding hiervan over het onvermijdelijk samenkomen van feit en fictie.

Drie maanden geleden debuteerde ik met de roman Bloemkool uit Tsjernobyl. Met daarin een hoofdpersonage dat spreekt zoals mijn vader, dat dezelfde lichtblauwe ogen heeft en dat veel keuzes in zijn leven maakt zoals hij heeft gedaan. Een portret van een gezinsman tegen wil en dank die telkens het avontuur opzoekt en op een dag zelfs helemaal vertrekt. Steeds verder raakt hij hierna uit beeld.

Twee dagen voor mijn boekpresentatie verscheen er een recensie in het NRC Handelsblad over mijn debuut. In kapitaal: een (onmogelijke) vader om lief te hebben. Dat was slikken. Hoewel recensent Arjen Fortuin de roman las als literatuur, voelde de kop toch als kritiek op mijn vader, kennelijk een onmogelijke vader. En dat terwijl hij nog niet eens op de hoogte was van het bestaan van het boek.

De eerste weken na verschijnen was ik mordicus tegen in het openbaar praten over mijn vader. Literair deed hij niet ter zake, dus waarom zou ik ook? Toch vroegen mensen steeds naar hem en eerlijk gezegd begon ik het stilaan leuk te vinden om over hem te vertellen. Over hoe slim hij was, hoe goed hij kon voetballen, dansen en koken. Ik sprak graag over die helderblauwe ogen van hem, waar hij altijd veel complimenten over kreeg. Complimenten die toch ook op mij afstraalden, al had ik hele gewone, bruine ogen. Wanneer ik over mijn vader sprak, vond ik het belangrijk dat ik het onderscheid tussen feit en fictie kon blijven maken, het wezenlijke verschil tussen mijn echte vader en het hoofdpersonage uit het boek. Met de roman ging het ondertussen goed; mooie recensies verschenen. Ik werd gevraagd voor het VPRO- programma Boeken van Wim Brands. Ook daar sprak ik met veel warmte over hem. Maar halverwege dat gesprek overviel me de schroom van de eerste weken weer. Nog steeds had ik hem niet verteld dat ik een boek over hem had geschreven. Dat moest ik maar eens snel gaan doen.

Vijf dagen na de uitzending overleed mijn vader in Oost-Afrika, na een ingewikkeld, kleurrijk leven. Zijn dood is voor mij even ongelofelijk als verwacht – zijn levenswandel was avontuurlijk, onbezonnen, wonderlijk en ruig, geregeld ook gevaarlijk vanwege die onbezonnenheid. Zelfs zijn begrafenis – die ik heb gemist – is een avontuur van dagen geweest. Zijn afscheid van de wereld ging met groot ceremonieel gepaard, in een dorp tegen de grens met Rwanda aan. Naast zijn graf bloeit een papajaboom, daarachter wiegt zacht het suikerriet. De geur van verse mango’s is nooit ver weg. Ruim vierhonderd mensen bezochten zijn begrafenis, onder wie de lokale opper-crimineel (in een linnen pak op de eerste rij, dure zonnebril op de neus), de commissaris van de regionale politie en de chief van de provincie. Voor het feest na afloop van de begrafenis zijn een koe en twaalf kippen geslacht. Grote delen van de dag waakte mijn vaders jonge Ugandese vrouw verdrietig op haar knieën naast de kist. Ikzelf zat de ochtend die volgde op zijn overlijden wezenloos te zappen voor de tv in mijn woonkamer. Ik viel midden in de herhaling van Boeken. Daar was ik ineens, sprekend over mijn vader, sprekend mijn vader bovendien. Mijn vader die ten tijde van de opnames nog gewoon in leven was. Ik kon mezelf er niet toe brengen de tv uit te zetten. Het was zo’n zeldzaam moment waarop de tijd stolt en zaken scherper en intenser worden waargenomen. Ik hoorde mezelf vertellen over de fantasierijke leugens waarvan mijn vader zich geregeld bediende. Ik vertelde hoe trots ik eigenlijk op hem was. Nagenoeg het hele interview sprak ik in de verleden tijd over hem. Wim Brands zei: ‘Je hebt met deze roman een standbeeld opgericht voor je afwezige vader.’ Ik weet nog dat ik in de studio dacht: misschien is het zo, misschien niet. Standbeelden staan stil, levende mensen niet. En dan was er nog dat verschil tussen mijn vader die het leven in mij blies en de literaire variant waarin ik als schrijver het leven heb geblazen.

Ik voelde na de herhaling de sterke behoefte mijn eigen boek te herlezen. Maar eerst heb ik gerouwd met familie en vrienden. Ik heb instanties gebeld zoals iedereen met huiverige tegenzin doet wanneer een familielid sterft. Ik heb mooie en onbeholpen condoleances in ontvangst genomen en ik heb nagedacht over de laatste jaren, maanden, weken en dagen. Over mijn laatste momenten met mijn vader. In Boeken vertel ik dat hij een paar jaar geleden op een terrasje enkele verhalen van mij las en dat die hem zeer ontroerden. Het was de eerste en laatste keer dat hij proza van mij in zijn handen hield. Ik vertel dat ik er vanuit ga dat hij op dezelfde manier zal reageren op mijn roman, dat die hem ook zal ontroeren. Wat ik niet vertel is dat de samenkomst op het terrasje de laatste keer is geweest dat ik mijn vader heb gezien. En dat het afscheid aan het einde van die middag een sleutelscène in de roman is geworden. De trein waarop de vader stapt stijgt op en verdwijnt tussen de wolken. Het definitieve afscheid van de zoon van zijn vader. In de roman én in het echte leven.

Ik rekende op een moeizame lezing, vertraagd door het verdriet, geremd door angst. Maar het tegenovergestelde bleek waar: ik vloog door het boek heen. Ik ontdekte dat het hoofdpersonage zich heeft losgemaakt van de mal die mijn vader is geweest. Het karakter leeft autonoom op de pagina’s – lezers herkennen in hem hun opa of oom, broer of moeder. En toch blijft het personage ondergeschikt aan de ingrepen van de auteur, mijn ingrepen. Mijn vader was nooit ondergeschikt aan iemand, zelfs niet aan zijn zoon, al had ik dat soms heus gewild.

Als mijn roman een standbeeld is, dan geen standbeeld met mijn vaders fysieke karakteristieken. Veel meer dan dat is het een figuratief werk. Een eerbetoon, met daarin hopelijk gevat de intieme warmte van onze vader-zoonband. Voor nu is daarmee alles gezegd, maar Bloemkool uit Tsjernobyl is zeker niet het laatste dat ik over mijn vader zal schrijven. Alleen al omdat we door middel van de literatuur de mensen die we liefhebben onvergetelijk kunnen maken – onsterfelijk zelfs. Enige urgentie is daarbij overigens geboden. Orhan Pamuk schreef eens: de dood van iedere man begint met die van zijn vader.