Voorproefje uit Arctisch dagboek

Jelle Brandt Corstius ,

'Ondertussen ergens anders' is het thema van de boekenweek, die zaterdag begint. VPRO programmamaker Jelle Brandt Corstius schreef dit jaar het Boekenweek essay. Hier een voorpublicatie van zijn 'Arctisch Dagboek'.

Later op de dag, na mijn tweede lezing – opnieuw een moeizame sessie – was er een borrel, georganiseerd door de Nederlandse groep. Mijn aanwezigheid was niet verplicht, maar werd van mij als hoerdier eigenlijk wel verwacht. Hoe dan ook, er was gratis alcohol, en daar was ik wel aan toe. Ik zorgde dat ik vijf minuten voor aanvang bij de borrel aanwezig was. Een geamuseerde Filippijn gaf mij twee glazen wijn, die ik in één keer opdronk. Ik was klaar voor de strijd.

De man met de vermiste muts kwam naar mij toe. Hij zei: ‘Ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws: mijn muts is terecht. Ik apprecieer dat je geholpen hebt met zoeken, werkelijk waar. Het slechte nieuws, als ik helemaal eerlijk ben...’ Hier liet de man een veelbetekenende stilte vallen. Zijn ogen priemden in mijn hoofd zoals alleen mannen die jarenlang keiharde besluiten hebben moeten nemen in boardrooms dat kunnen. ‘Als ik helemaal eerlijk ben,’ herhaalde de man om het dramatisch effect te vergroten, ‘uw eerste lezing was niet goed. Het verhaal was te anekdotisch, niet verdiepend genoeg. En de foto’s die u erbij liet zien: dat kan beter. Echt waar. Ik heb nog wel wat tips.’ Ik beloofde de tips door te geven aan de fotograaf, die kort daarvoor een Zilveren Camera had gewonnen voor zijn nomadenproject, zoals ik er subtiel bij vermeldde. Maar deze mutsenman was niet van de subtiliteiten, of hij had nog nooit van de Zilveren Camera gehoord.

‘Moet je horen,’ vervolgde de man, terwijl hij een grote, zware hand op mijn schouder legde, ‘ik heb een vrindje die foto’s maakt. Het is een hobbyist, maar het zijn verdomd goede foto’s. Als je nou je reis opnieuw maakt, maar dan met mijn vrindje, die fatsoenlijke foto’s kan maken. Maakt je verhaal echt een stuk beter, dat kwam nu ook niet helemaal uit de verf. Kan hij je ook mee helpen.’

Terwijl de man zijn hand op mijn schouder hield, en verder vertelde over zijn vrindje, zette ik mijn oren uit. Dit is een handige eigenschap als je veel reist; soms is het beter om iemand helemaal leeg te laten lopen, dan hardhandig het gesprek van koers te laten veranderen. Soms kan je moeilijk weg uit een situatie, bijvoorbeeld als een zeer zelfverzekerde man zijn dikke worstenarm op je schouder legt. Ik heb het ook vaak gehad bij het interviewen van Russische officials. Aanvankelijk onderbrak ik hun monologen, waarna zij getergd korte en onbruikbare antwoorden gaven. En ik had hun wodka ook al afgeslagen! Later werd ik wijzer en liet ik zo’n man rustig zijn monoloog houden. Nadat ik een wodka achterover had geslagen en een augurk had gegeten, keek ik zo’n man aan en knikte af en toe op de juiste momenten, zonder te horen waar hij het over had – een handigheid van onschatbare waarde. In de tussentijd dacht ik aan andere dingen, bijvoorbeeld wat ik ging koken die avond, of nam ik rustig nog een augurk. Als de official na een halfuur was uitgepraat zette ik de recorder aan en startte ik het echte interview.

De man was tevreden dat hij zijn zegje had kunnen doen, en ik zat met een man die zin had om te praten. Iedereen blij. De man ratelde verder over zijn vrindje, of god weet waarover, en ik moest denken aan de reis met Jeroen naar de Sami. De leider van de rendierbrigade had ons meegenomen naar zijn kudde, een paar uur reizen per rendierslee over bevroren meren en bevroren toendra. Op een meer stopten wij, en de rendierman en Jeroen vertrokken om de rendieren te zoeken. Ik bleef achter op het ijs.

Er stond geen wind, er waren geen vogels, nergens was een spoor van beschaving. Er waren zelfs geen bomen, alleen maar ijs, dat vloeiend overging in een melkachtige lucht. Voor de eerste keer in mijn leven maakte ik complete stilte mee. Het was zo stil dat ik het bloed door mijn aderen hoorde stromen. Die twintig minuten totdat Jeroen en de rendierhouder terugkwamen waren angstig en fantastisch tegelijk.

Ik werd uit mijn gedachten gehaald toen de man zijn arm van mijn schouder haalde, en onmiddellijk drong een vrouw zich aan mij op. Zij stelde me wat impertinente vragen over mijn zus Aaf, die ze alleen maar kende als columnist uit de Volkskrant. Toen ik daar geen antwoord op gaf vertelde ze dat zij zelf geen cent te makken had, maar dat een rijke vriendin de reis had betaald. Ze wees naar een vrouw in de hoek van de zaal met een indrukwekkend permanentje, dat deed denken aan de boeg van een ijsbreker.

‘Dit is de eerste borrel deze reis, na acht dagen pas. Dat vind ik raar, het is toch beter om meteen zo’n borrel te organiseren om elkaar te leren kennen? Dat is vanwege jou, weet je dat? Ze hebben gewacht tot jij aan boord was, wat vind je daar nou van?’

Een man met een rode broek kwam naar me toe. Ik griste gauw nog een glas met drank van het dienblad, en pas na de eerste slok proefde ik dat het rode wijn was. Rode wijn, witte wijn, remvloeistof: het kon me allemaal niet schelen, zolang er maar alcohol in zat. Ook de rode broek bracht meneer Rolstoel ter sprake. ‘Die man die heurt niet op de eerste rij! Achter hem zat toevallig een vrindje van mij, en die kon niets zien. Niets! Overigens had je lezing wel wat meer verdiepend kunnen zijn. Wij zijn belezen mensen, misschien kan je daar wat meer rekening mee houden.’

Zodra de drank op was dook ik het dek op, dit keer was er niemand. De zon stond hoog aan de hemel. De kustlijn was niet meer te zien. Nu pas zag ik de reddingssloepen. Ik vroeg mij af hoe lastig het was om zo’n sloep omlaag te takelen. Op het personeelskanaal had ik gezien dat er blikken met drinkwater aan boord waren, en scheepsbeschuit. Even zag ik de rug van een walvis boven komen, maar zijn staart liet hij niet zien. Wel kwam er wat lucht uit zijn spuitgat. Met mijn dronken hoofd vroeg ik me af of hij een boodschap bracht en zo ja, wat die boodschap dan was.

Tijdens de Boekenweek (8-16 maart) is het boekenweek essay voor 2,50 euro te koop in de boekwinkel.

Jelle Brandt Corstius over zijn essay

‘Toen de CPNB mij vroeg om het Boekenweek-essay te schrijven, met reizen als thema, moest ik meteen denken aan het dagboek dat ik ooit heb bijgehouden tijdens een cruise op de Witte Zee. Ik was aan boord om lezingen te geven. Normaal houd ik geen dagboeken bij, maar dit waren geen normale omstandigheden. Ik begon het dagboek tegen het einde van de reis. Ik was ernstig in de war en durfde mijn raamloze hut niet meer uit. Ik sta niet in voor de waarheid van dit document; zoals gezegd was ik in de war. En ik at nauwelijks, want om aan eten te komen moest ik mijn hut uit, en dat wilde ik niet. Dat het schip flink op en neer deinde, hielp ook niet mee. Ik heb besloten om het dagboek in al zijn rauwheid intact te laten.’

Jelle Brandt Corstius studeerde geschiedenis en journalistiek. Vanaf 2005 woonde en werkte hij enkele jaren als correspondent voor onder andere Trouw en De Standaard in Rusland. In 2008 debuteerde hij met de bundel reisverhalen Rusland voor gevorderden . In 2009 volgden Kleine landjes. Berichten uit de Kaukasus en een jaar later Van Moskou tot Medan. Vorig jaar verscheen de bestseller Universele reisgids voor moeilijke landen.

Voor de VPRO maakte hij de tv-series Van Moskou tot Magadan, Van Moskou tot Moermansk en Van Bihar tot Bangalore en De bergen achter Sotsji. In 2010 en 2011 presenteerde Brandt Corstius Zomergasten.