Bukowski's kaf en koren

Dirk-Jan Arensman ,

Charles Bukowksi was de bard van de zelfkant, maar hij kon soms behoorlijk vals zingen. Uitgever Lebowski gaat hem opnieuw uitbrengen, in herziene vertaling en voorzien van voorwoorden.

Er zijn natuurlijk ergere dingen, maar als liefhebber van de Amerikaanse cultschrijver en legendarische dronkenlap Charles Bukowski (1920-1994) zit je er maar mooi mee: gemengde gevoelens bij een oude held.
 
Want, laat dat meteen gezegd zijn: een literaire held blijft hij. En romans als Post Office (1971) en Ham on Rye (1982), de gedichten in The Days Run Away Like Wild Horses Over the Hills (1969) en Burning in Water, Drowning in Flame (1974) of een latere selectie van poëzie en verhalen als Septuagenarian Stew (1990) hebben nog weinig van hun rauw muzikale zeggingskracht verloren.
 
Goede Bukowski blijft, ook twintig jaar na zijn dood, goede Bukowski. En dat vanaf deze week in één klap vijf van zijn titels voor het eerst sinds jaren weer in vertaling leverbaar zijn, is feestelijk nieuws.
 
Maar evengoed zijn er dingen waar je als Bukowski-lezer last van kunt hebben. Die de haast onvoorwaardelijke liefde die je ooit misschien voor de schrijver voelde akelig in de weg staan.
 
Om te beginnen is er de gigantische berg sléchte Bukowski die er inmiddels ook is verschenen.
 
Dat de man krankzinnig productief was, mocht hij zelf al graag benadrukken. Tien à vijftien gedichten op een dag uit zijn typemachine rammelen was geen uitzondering. Zoals hij ook uitdagend pochte dat hij klassiekers als Post Office en Women (1978) in koortsachtige, van wijn en bier doordrenkte sessies van een week of drie op de pagina’s had gekwakt. Al dat gelul over vakmanschap en het verfijnen van je proza was aan hem niet besteed, was de boodschap. ‘Hey baby, it’s just words on paper,’ en die woorden stroomden uit je of niet.
 
Tja. Nog afgezien van de seksverhalen die hij, vroeg in zijn carrière, aan de groezeligste pornoblaadjes verkocht om aan de kost te komen: een recept voor constante kwaliteit is het niet.
 
Voeg daarbij een, eerlijk is eerlijk, beperkte thematiek, en je zit met zo veel kaf opgescheept dat het koren haast uit het zicht verdwijnt. Zeker sinds zijn ontdekker, uitgever van de Black Sparrow Press John Martin, in 2002 met pensioen ging en Bukowski’s nalatenschap overdeed aan uitgeverij Ecco. Selecteerde Martin nog het in zijn ogen beste uit de manuscriptenbrij die ‘Buk’ hem toestuurde, voor de postume uitgaven nadien lijkt elk kladje goed genoeg.
 
Gevolg: eindeloze verhalen en gedichten over slemppartijen en kroeggevechten. Over treurige losers die zielloos proberen te neuken met elk beschikbaar wijf – pogingen die niet zelden worden gefnuikt door alcoholgerelateerde erectieproblemen of een ‘te wijde kut’. En over het menselijk wrakhout dat samen met alter ego Henry Chinaski aanspoelt bij de paardenrenbanen waar hij zijn geld vergokte. Anekdotes over zijn wilde jaren die telkens opnieuw, en steeds verwaterder, worden herhaald en verworden tot onbedoelde zelfparodie.
 
De bard van de zelfkant was Bukowski. Maar hij kon soms behoorlijk vals zingen.
 
Een ander probleem (wel toepasselijk bij het werk van deze grofgebekte misantroop) zijn die $%#&*! andere Bukowskilezers. De dwepers die weglopen met Bukowski als eenmansguerrilla in de literatuur. De bonkige (cultuur)barbaar die zijn middelvinger opstak naar het establishment, en in wie ze zichzelf o zo graag willen herkennen. Of, zoals Joost Zwagerman in zijn essayverzameling Americana opmerkte: ‘Bukowski beschreef de rauwe wereld waar veel jongens tussen de veertien en twintig die met de wereld overhoop liggen, grimmig van dromen. De wereld is tegen ons, en dus zullen we de wereld eens geducht in het gezicht spugen.’
 
Onbegrijpelijk is dat niet. Zelfs vagelijk herkenbaar, op een wat gênante manier.
 
Want, ja, toen je hem als puber ontdekte, was dat element van rock-’n-roll een deel van zijn aantrekkingskracht. De schrijver niet als brave kamergeleerde, maar als zuipende punkrocker-op-papier. Dat Bukowski na decennia van smerige motelkamers en geestdodende baantjes – waarvan de twaalf jaar bij de Amerikaanse posterijen zijn bitterhilarische debuutroman opleverden – op zijn vijftigste een tweede kans kreeg als schrijvende held van de tegencultuur, had ook iets onweerstaanbaars. En dat, zoals hij in Vrouwen beschreef, de groupies zich vervolgens eindelijk aan zijn voeten en in zijn bed wierpen, dat sprak allicht tot de adolescentenverbeelding.
 
Op foto’s zag je hem staan: een slordige baard op een pokdalig gezicht, zijn bierbuik trots naar voren, met een fles in de ene en een schaargeklede, eh, dame in de andere hand.
 
Goed, het was droevige seks die hij beschreef; onsmakelijke, verbeten, vrouw- én manonvriendelijke seks. Maar seks niettemin.
 
Om die puberale kant van de mythe kun je nauwelijks heen, blijkt ook uit enkele van de voorwoorden van Nederlandse auteurs bij de nu heruitgebrachte vertalingen.
 
Zo erkent Auke Hulst ruiterlijk dat hij er als gekwelde twintigjarige gevoelig voor was in een met zelfspot geschreven verslag, voorafgaand aan Vrouwen, van zijn dagen down and out in het hoge noorden. (‘Roodeschool, waar de trein niet verder durft en de wind liedjes van Ede Staal huilt.’)

De enige vrouw in het gezelschap, Janneke van der Horst, beziet ze in de inleiding bij Fuck Machine en andere verhalen van alledaagse waanzin met een spottende glimlach, die ‘keurige jonge schrijvers’ die Bukowski een soulmate noemen. ‘Waarschijnlijk vooral omdat ze ook wel eens lam zijn en ook altijd alleen lelijke vrouwen mee naar bed krijgen.’ Fair enough, ben je geneigd te denken. Of zelfs: wat een pathetische bezigheid, eigenlijk, dat van Bukowski houden.
 
Maar toch, als Bukowski op dreef was, dan is het resultaat nog altijd magistraal genoeg om al je bedenkingen er moeiteloos voor opzij te zetten. Dan hebben die uitgebeende zinnen van hem een onontkoombaar, bijna swingend bluesritme. Dan maakt hij in zijn gestileerd speektalige barkrukproza van de meest onbenullige voorvallen nog memorabele scènes – grof en smerig, zeker, maar ook druipend van de galgenhumor en soms ineens verrassend ontroerend.
 
In Fuck Machine gebeurt dat maar bij vlagen. En Pulp, zijn zwanenzang uit 1994, ‘dedicated to bad writing’, is vooral een aardig curiosum: een stuurloze parodie op en ode aan de detectiveroman, vol literaire knipogen die alleen zijn trouwste fans zullen begrijpen.
 
Begin je hem te lezen, dan zijn die twee andere romans een veel betere introductie.

Postkantoor, dat misschien wel de meest schrijnend geestige evocatie is van de alledaagse hel van het lopendebandbestaan ooit geschreven, vol kleinzielige machtsstrijdjes op de werkvloer en scènes waarin de stress en gekmakende saaiheid zo wordt opgeroepen dat je er paradoxaal genoeg bij op het puntje van je stoel zit. En, zijn absolute meesterwerk: Kind onder kannibalen, de vertaling van Ham on Rye. Omdat dat zijn best geschreven en meest kwetsbare boek is, en omdat je hem er het best in leert kennen en begrijpen. Een roman over de jonge jaren van Henry Chinaski, waarin Bukowski laat zien hoe hij Bukowski werd. Door zijn tirannieke Duitse vader, op de eerste plaats. Een intens burgerlijke ex-militair die, als hij zijn dromen van een beter leven in Amerika ziet stranden, zijn frustraties botviert op zijn zoon.

‘Kinderen moet je zien, niet horen,’ vindt hij. De kleinste vergrijpen worden bestraft met een genadeloze aframmeling, zoals in een huiveringwekkende scène waarin hij, als Henry het gras heeft gemaaid, verlekkerd constateert dat er één sprietje boven het gazon uitsteekt. Naar de badkamer dus, waar de scheerriem al klaar hangt.

Met de kinderen op straat mag Chinaski junior niet spelen (veel te ordinair). En op de sjieke school waar hij heen moet om de sociale ambities van zijn ouders waar te maken, wordt hij tussen de rijkeluispubers uiteraard ook een outsider. Een positie die nog wordt verstevigd als hij zo’n monsterlijke vorm van acne ontwikkelt, dat zelfs de artsen ervan schrikken.
 
Meisjes zijn onbereikbare wezens. Alleen de grootste verschoppelingen van het schoolplein willen vriendschap met hem sluiten.

En zo zie je het gekwelde jongetje Henry langzaam verharden tot Hank: de loner die een stoere pose aanneemt. Die alles gaat verachten waar hij toch nooit bij kan horen, en troost vindt in de fles en bij de zielsverwanten die hij in de openbare bibliotheek ontdekt: D.H. Lawrence, Dos Passos, Hemingway. ‘Woorden waren dingen die in je kop konden zingen. Als je las en je openstelde voor de magie, kon je leven zonder pijn, met hoop, wat er ook gebeurde. (…) Voor mij waren die mensen, die uit het niks mijn leven waren binnengekomen, mijn enige uitweg. Ze waren de enige stemmen die tegen me praatten.’
 
Bij die stemmen wilde hij wel horen, begrijp je.
 

En op zijn beste momenten deed hij dat ook.