Openbaar privé

Arend Jan Heerma van Voss, Christien Brinkgreve, Daan Heerma van Voss en Thomas Heerma van Voss ,

VPRO Gids #40

De film 'Privéterrein' van Pieter Verhoeff belicht de verhouding tussen privé en publiek in schrijvers-gezin Heerma van Voss uit Amsterdam. Zowel vader, moeder als beide zoons publiceerden vorig jaar een boek. De Gids vroeg hen te reflecteren op het thema van de film.

Werkelijk waar


(1) Op schrift heb ik geen fantasie, mondeling alleen zo nu en dan. Literatuur, ‘fictie’, zag ik wel lang als hoger, maar het zat er niet in. Struikelde al over de naam van de beoogde hoofdpersoon, want die bestond niet echt: hoe kon ik zijn naam dan zeker weten? Langdurige twijfels, leidend tot niets.

(2) Toen ik de tijd had om zelf een boek te schrijven, merkte ik wat voor mij toch het belangrijkst was: het reconstrueren van de rol die een ‘familiegeheim’ in mijn leven had gespeeld. Ik noemde het een ‘retro-reportage’, want alle feiten moesten kloppen: toch vooral journalist, after all. (Journalistiek in de zin van ingewikkelde ‘waarheidsvinding’, niet die van een haastige obsessie met het Nieuws.) Veel verleden, want daar wist ik iets van.

(3) Wie een verhaal wil vertellen, selecteert, ­doseert en monteert: het moet tenslotte een beetje spannend blijven. Maar een datum moet juist zijn, een citaat letterlijk. ‘De’ werkelijkheid bestaat, en heeft bestaan. Wie alleen een andere, particuliere werkelijkheid erkent, is tijdelijk of blijvend gestoord – waarover verder geen kwaad woord. Of een begaafd fictieschrijver, dat kan natuurlijk ook.

(4) In mijn boek spelen overleden mensen, zoals mijn ouders, de belangrijkste bijrollen. De leeftijd om met ze af te willen rekenen, lag inmiddels ver achter mij; hun verhaal wilde ik ook reconstrueren, want daar deden zij niet aan. Mijn tekst zou ik tegenover hen kunnen verantwoorden, bij mogelijke bezwaren. Ik denk nog vaak aan ze. ­Levende mensen, uit mijn latere, ‘echte’ leven, liet ik zoveel mogelijk buiten beschouwing. Werd niet altijd meteen begrepen.

(5) Het voor mij, nog steeds, huiveringwekkende hoogtepunt was een, bij toeval ontdekt, nogal houterig geschreven proces-verbaal. Omdat het een kwaliteit heeft die elke verbeelding te boven gaat: het is echt wáár – ooit in die woorden opgeschreven door een Brabantse politieman, meer dan een halve eeuw geleden. De betekenis is geheel subjectief, de tekst objectief: de feiten staan vast, kunnen niet meer veranderd worden.

(6) Hoe om te gaan met intimi bij het schrijven van fictie, weet ik niet uit eigen ervaring. Aan de ontvangende kant heb ik ­inmiddels kunnen wennen: onvermijdelijk, bij literair nageslacht. Als het autobiografisch is, erger ik mij soms aan details: dat zou die vader nóóit zo gezegd hebben, dat klopt niet! Maar als dat niet zo is, kan ik ongestoord doorlezen, in het veilige besef dat het fictie is, toch niet echt. Ik hou niet van onontwarbare mengvormen: de schijn van nauwkeurigheid, verdund door de verbeelding. Echt persoonlijke berichten ontvang ik het liefst zonder meelezers.

Arend Jan Heerma van Voss

De doorwerking van het biografische


Zolang ik me kan herinneren heb ik willen weten hoe het zit en hoe het zo gekomen is.
Die drang tot weten dreef me naar de universiteit, maar eenmaal daar beland bleken de zaken complexer te liggen. Er was niet zoiets als ‘de waarheid’, afgezien van eenvoudig vaststelbare gegevens als aantal en omvang, plaats en moment. Wat mensen waarnemen en zich herinneren, hoe ze dingen zien en interpreteren loopt sterk uiteen, ook bij dezelfde gebeurtenissen. En dit kan ook weer verschuiven, naderhand in een ander licht worden bezien, verbonden met andere ervaringen. Ook de werkelijkheid bleek dus ‘geconstrueerd’, vormgegeven door eerdere gebeurtenissen, door belangen, angsten en dromen. De ooit helder gedachte scheidslijn tussen waarheid en fictie werd poreuzer: er was altijd sprake van een selectie en kleuring van feiten, en van een inbedding in het verhaal van de tijd.
Maar inmiddels vond ik dat ook niet meer zo’n probleem. Ik ging het juist interessant vinden hoe mensen vorm geven aan hun leven en aan de verhalen die ze hierover vertellen. Ik vond de gelaagdheid en complexiteit intrigerend, de boventonen en onderlagen, en hoe grondthema’s van mensen doorwerken, ook in wetenschappelijke theorieën.
Hoe bijvoorbeeld het gevoel van vernedering als eenvoudige boerenzoon vorm krijgt in een theorie over de taaiheid van klassenverschillen. Hoe vroegere ervaringen doorwerken in een sensitiviteit voor waardering en buitensluiting, in het dagelijks leven maar ook in de theorievorming, in de accenten die gelegd worden.

In de wetenschap moet je steeds nagaan of je waarnemingen geldig zijn, en voor wie.
Een romanschrijver heeft een grotere vrijheid om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten, en kan via de verbeeldingskracht soms dichter bij de waarheid komen: de waarheid van de ervaring, de intensiteit van de beleving. Een roman kan de wereld van de data bezielen. Daarin ligt voor mij de lokroep van de roman.
Maar ik kan tot nu toe goed uit de voeten met het beschrijven van de sociale werkelijkheid, hoe mensen met elkaar omgaan, en met zichzelf. Ik doe dat wel op een steeds vrijere essayistischer manier, waarbij ik de strenge regels van het wetenschappelijk bedrijf steeds meer afschud. En mijn werk is altijd ingegeven door de thema’s die me bezighouden; thema’s die voortkomen uit mijn eigen ervaring, en uit wat het leven me aanreikt. Ik word daarbij steeds meer zelf de verteller die een plaats heeft in het verhaal, en die niet alleen van afstand toekijkt.

Christien Brinkgreve

Mongools goud


Enkele weken geleden stuurde mijn jongere broer Thomas mij een uitnodiging door voor de première van een film die Mongools goud heet. Eronder schreef hij: ‘Hé, onze docu heeft een nieuwe titel.’

Ik had niet gedacht dat de leden van het ­gezin waartoe ik mijzelf ook reken, zichzelf allen serieus genoeg zouden nemen om een documentaire over henzelf goed te keuren. Vooral omdat we in het werkelijke leven ­allerminst een front vormen: stuk voor stuk individualistisch, egocentrisch en koppig, zijn we altijd onze eigen weg gegaan. (En op zondag eten we gezamenlijk, met het bord op schoot.)

Als ik voor mijzelf spreek gaf de nieuwsgierigheid naar de blik van de buitenstaander de doorslag; als het oog van de camera op ons gezin wordt gericht, welk verhaal ziet deze dan? Natuurlijk zijn we ook ijdel. Hiervoor verwijs ik graag naar de cover van deze gids. Maar ijdelheid is een weinig interessant verwijt, aangezien het van toepassing is op vrijwel iedereen die een boek schrijft, in een film speelt, een misleidend gunstige selfie op ­Facebook zet. Het gaat erom of die ijdelheid ergens toe leidt.

Aangaande de titel, Privéterrein, heb ik altijd mijn bedenkingen gehad. Volgens mij gaat de film niet over wat anderen eigenlijk niet zouden mogen zien, het is geen exhibitionistisch realitymonster waarin we elkaar voortdurend bewieroken of op dagelijkse basis ­lijden onder een veelheid aan mtv- dan wel at5-problemen (Mijn velgen zijn te klein versus De dichtstbijzijnde Gall & Gall is failliet). Maar het persoonlijke is nu eenmaal lekkerder dan het verzonnene, omdat het makkelijker te duiden is, en omdat het je wijsmaakt dat je een glimp opvangt van de persoon achter de schrijver. Als een roman liefde is, is autobiografie porno.

Aan de andere kant: zonder autobiografische elementen (niet alleen feiten uit het eigen leven, maar persoonlijke gedachten, neuroses, gevoelens van vertedering) geen roman. In De Vergeting, mijn roman uit 2013, voor mijn gevoel de spreekwoordelijke eeuwigheid geleden, heb ik het genre van de autobiografie zodanig opgerekt dat het mij sindsdien niet meer aantrekt. De rechtszaak die hieruit is voorgekomen, vormt de rode draad in de film. De vermoeidheid is overigens geheel wederzijds: de werkelijkheid heeft ook geen zin meer in mij. De jonge man die ik op het scherm zie, ben ik niet meer.

Wie zie ik dan wel?

Ik zie vier eigenaardige mensen die elkaar tegen de klippen op normaal vinden, en die elkaar liever wel dan niet bekritiseren en belachelijk maken. Ergens vergelijk ik ons met een archipel: losse eilandjes die zich op een of andere manier toch tot elkaar verhouden en als iets van groep kunnen worden gezien, al zullen zij hier zich nooit bij neerleggen. Wij zijn godbetert geen klaverjasploeg. Wij zijn Mongools goud.

Daan Heerma van Voss


P.S. There is another Skywalker. Ze heet Sandra Heerma van Voss (halfzus). Van Arend Jans kinderen heeft alleen Laura Heerma van Voss een normale baan weten te scoren.

Fictie als vrijbrief


‘Alles wat ik schrijf is fictie,’ hoorde ik een overduidelijk autobiografische auteur zeggen. Hij zat op een podium, keek tevreden om zich heen en voor iemand kon reageren voegde hij toe: ‘Echt, compleet verzonnen.’

Het klonk vrij verheven, bijna als het begin van een poëtica. En tegelijk onttrok de schrijver zich juist met die twee zinnen, hoe toegewijd en open die ook leken, aan elke eigen verantwoordelijkheid.

Nu ben ik zelden geïnteresseerd in het autobiografische gehalte van een tekst, in dat opzicht had ik geen bezwaren tegen bovenstaand statement. Het probleem is echter dat alles wat gemaakt wordt kenmerken van de maker openbaart. Soms heel duidelijk, soms verkapt. Zolang iemand volhoudt dat alles wat hij of zij schrijft compleet verzonnen is, ontkent hij die onvermijdelijk autobiografische component – en kan hij dus eenvoudig beweren: ach, ik hoef bij mijn schrijven niet na te denken over anderen, het zijn toch verzinsels.

En ja, schrijvers moeten zich niet laten leiden door hun publiek, maar toch: er zijn grenzen aan wat wel en niet op papier mag, en ook al behoren verhalen pijn te doen, andermans schaamte hoort niet onbeperkt uitgebuit te worden.

Waar liggen die grenzen precies? Moet je verhalen waarin een ander zich kan herkennen altijd aan die ander laten lezen? Volgens mij zijn dit de vragen die ervoor zorgden dat regisseur Pieter Verhoeff op het – laten we eerlijk zijn, toch merkwaardige – idee kwam een documentaire te maken over mijn ouders, mijn broer en mij.

Van de mensen die de documentaire al hebben gezien begreep ik dat ik grotendeels zwijg. Nu voel ik mij bij stilte sowieso prettiger dan wanneer ik mijn eigen stem hoor, maar in dit geval kwam mijn stilte ook doordat ik geen helder antwoord wist op de meeste vragen. Wat ik wel weet, en wat definitief tot me doordrong toen ik die autobiografische auteur op het podium hoorde zeggen dat al zijn teksten verzonnen waren, is dat er een grens bestaat tussen wat wel en niet op papier mag verschijnen. Dat fictie geen vrijbrief is om alles altijd te kunnen schrijven.

Recent verscheen van mijn hand een verhalenbundel met enkele personages waarvan ik wist: hier zullen mensen uit mijn omgeving zich in herkennen. Ruim van tevoren besloot ik hen in te lichten. Ik ging langs bij familieleden, vroegere vrienden en voormalig klasgenoten, allemaal met dezelfde boodschap: er zal een verhaal verschijnen waarin je, mocht je het lezen, wellicht flarden van jezelf herkent.

Tot mijn opluchting maakte de mededeling op de meesten weinig indruk.

Een jeugdliefde vroeg, nadat ik haar vertelde dat ik een verhaal had geschreven over iemand die op haar leek, of ik het peper-en-zout kon aangeven. Ook mijn vader reageerde heel koeltjes, zelfs toen hij het betreffende verhaal had gelezen, hij gebruikte in zijn eerste reactie woorden als ‘wel ontroerend’ en ‘goede opbouw’, alsof het door iemand geschreven was die niets met ons te maken had.

En ik dacht alleen maar: valt er niet meer te zeggen? Gaat het niet ook over ons? 

Thomas Heerma van Voss

Het uur van de wolf: Privéterrein

Donderdag 9 oktober, NPO 2, 23.00-0.00 uur