Een heer van stand

Katja de Bruin ,

VPRO Gids #6

Zelden rekende iemand zo superieur af met zijn verleden als Edward St Aubyn in zijn vijf Patrick Melrose-romans. Jammer alleen dat bijna niemand ze gelezen heeft. Misschien komt daar verandering in, nu ze eindelijk gebundeld zijn.

Oliver James, de oudste vriend van Edward St Aubyn weet één ding zeker: hij heeft Teddy nog nooit in een spijkerbroek gezien. James kan het weten, want hij kent St Aubyn al zijn hele leven en hij was erbij toen die, koud geland op J.F.K. Airport in New York, een taxi nam naar The Bronx om heroïne te scoren. Ook bij die gelegenheid ging hij gekleed in een double breasted krijtstreeppak met gouden manchetknopen.

Edward St Aubyn is wat de Britten een ‘toff’ noemen: een vertegenwoordiger van de upper class die onmiddellijk als zodanig herkenbaar is door zijn verschijning, zijn dictie en zijn onuitstaanbare zelfgenoegzaamheid. Alle ingrediënten voor een onbezorgd, bevoorrecht leven waren in potentie aanwezig: de excentrieke ouders, het landhuis vol antiek, de miljoenenerfenis, de kostschool, de studententijd in Oxford en de feestjes waarop je zomaar een lid van de koninklijke familie tegen het lijf kon lopen.

Toch was St Aubyn als zestienjarige kostschooljongen al een volwassen junk. Tien jaar lang zou hij een destructief leven leiden. In zijn hoogtijdagen joeg hij er wekelijks voor 5000 pond aan drugs doorheen. Soms logeerde hij weken achtereen in de duurste hotels, waar hij dagen min of meer bewusteloos in de badkuip doorbracht. Eenmaal bij kennis was een telefoontje naar de bank genoeg om zijn rekening aan te zuiveren.

Pas toen hij halverwege de twintig was, stelde hij zichzelf na een mislukte zelfmoordpoging ten doel een boek te schrijven. Als dat niet lukte, zou hij er alsnog een eind aan maken. Gehuld in handdoeken om het angstzweet op te vangen, schreef hij zijn verhaal. Tot het moment waarop Never Mind naar de drukker ging, belde hij dagelijks naar zijn uitgever om te melden dat hij ervan afzag. Zodra er werd opgenomen, hing hij op.

Smerige was

Wat is er gebeurd met die jongen, die niet met een gouden lepel maar met een complete bestekcassette in zijn mond werd geboren? Het antwoord vind je ergens halverwege Never Mind. In dat boek, het eerste deel uit de Patrick Melrose-serie, beschrijft St Aubyn een zomerse dag in de Provence waar de vijfjarige Patrick de zomermaanden doorbrengt met zijn ouders, David en Eleanor. We weten dan al dat David een verknipte, sadistische bruut is die de neurotische Eleanor dwingt om op handen en knieën alle rijpe vijgen van het terras te eten.

Patrick is doodsbang voor zijn onberekenbare vader. Met reden, zo blijkt. Nadat hij eerst om onduidelijke redenen een pak slaag heeft gekregen, trekt zijn vader ineens zijn broek naar beneden en verkracht hij zijn zoon. De scène die volgt is typerend voor de onderkoelde stijl van St Aubyn: ‘Tijdens de lunch bekroop David het gevoel dat hij misschien iets te ver was gegaan in zijn verachting van burgerlijke preutsheid. Zelfs aan de bar van de Cavalry and Guards Club zou het vermoedelijk niet echt goed vallen wanneer je vol trots uitweidde over homoseksuele, pedofiele incest.’

Pas jaren na het verschijnen van Never Mind gaf St Aubyn in een interview toe dat Patrick Melrose op hemzelf gebaseerd was. Om in de allerhoogste kringen zulke smerige was buiten te hangen, daarvoor is moed vereist. In de boeken die volgden, werden niet alleen zijn ouders maar vrijwel iedereen die het pad van Patrick Melrose kruiste meedogenloos geportretteerd. In Some Hope neemt St Aubyn ons mee naar een feest op een Engels landgoed waar prinses Margaret een van de gasten is. Hij laat geen spaan van Hare Hoogheid heel. Maar ook zijn alter ego spaart hij niet. Patrick Melrose is vaak net zo egocentrisch en malicieus als zijn gehate vader. Gevangen in het harnas van zijn opvoeding slaagt hij er niet in van zijn eigen vaderschap een succes te maken.

Booker Prize

St Aubyn is in de Britse pers vaak vergeleken met Evelyn Waugh, die de upper class ook zo vilein in zijn adellijke hemd kon zetten. Maar Waugh was slechts toeschouwer, St Aubyn hoort erbij. Zijn stamboom voert terug tot de inval van de Noormannen in 1066. Waugh keek vanaf de zijlijn gefascineerd toe hoe zijn adellijke vrienden aan indolentie ten onder gingen, St Aubyn ervoer de verlammende werking van extreme rijkdom aan den lijve.

Gek genoeg was juist die afkomst een van de redenen dat zijn boeken lang onopgemerkt bleven. Gewone stervelingen koesteren een gezond wantrouwen jegens heren van stand die ook zo nodig een boekje willen schrijven over hun malle jeugd. Pas met Mother’s Milk, deel vier uit de serie, had hij succes. Dat boek werd genomineerd voor de Booker Prize en ineens werd St Aubyn omarmd door andere schrijvers die zijn gepolijste stijl prezen, en zijn vermogen om een onverdragelijk tragische jeugd met zoveel ironische afstand te beschouwen. Jeffrey Eugenides, Michael Chabon, Donna Tartt, Zadie Smith, Alan Hollinghurst, Jonathan Lethem – allemaal lopen ze met hem weg.

Wie aanhikt tegen duizenden pagina’s gemijmer van een sombere Noor beleeft wellicht meer plezier aan het turbulente leven van deze toff, die de kunst van het weglaten uitstekend verstaat. De vijf compacte maar buitengewoon indringende Patrick Melrose-romans verschijnen nu voor het eerst in één band. Als je ze uit hebt, ben je maar wat blij dat je gewoon moet werken voor je geld.