Fluiten in het donker

Katja de Bruin ,

VPRO Gids #7

Zes auteurs schreven een hoorspel voor het samenwerkingspoject ‘Fluiten in het donker’. De VPRO Gids ging meeluisteren bij het opnemen van Maartje Wortels 'Een lege plek'.

Buiten dwarrelt nog een enkele sneeuwvlok. Binnen zorgen schemerlampjes voor een huiselijke sfeer. Naast de bank staat een fitnessapparaat, op een kastje tegen de muur prijkt een Gouden Kalf. Omgevingsgeluid dringt nauwelijks door, en dat is maar goed ook, want in deze studio wordt op een winterse maandagochtend een hoorspel opgenomen. Achter de drie microfoons staan acteurs Marcel Hensema, Ariane Schluter en Jonas Smulders opgesteld.

‘Kunnen we tot 23? Zullen we na negentien een witje laten vallen?’, vraagt regisseur Aletta Becker.
‘Oké, na negentien even een witje. We gaan nu in opname,’ waarschuwt sound designer Huibert Boon.
‘O kut.’ Dat is Marcel Hensema, die zich al in de eerste zin verspreekt. Nu iedereen toch opnieuw moet beginnen, kan hij mooi even vertellen hoe hij de laatste keer dat hij in deze studio aan het werk was bijna over de grond rolde van het lachen. ‘Toen deden we Het boek Ont. Kennen jullie dat?’ Hij begint uit te leggen dat dat boek van Anton Valens gaat over een groep mannen die hun post niet durft open te maken, en dat het echt ontzettend grappig is.

We zijn aanwezig bij de opnamen van een hoorspel dat Maartje Wortel schreef voor ‘Fluiten in het donker’, een samenwerkingsproject van het Mediafonds, het Nederlands Letterfonds en vpro, ntr en AvroTros. Een jaar geleden kregen zes auteurs de opdracht een hoorspel te schrijven: Esther Gerritsen, Wanda Reisel, Christiaan Weijts, Ilja Leonard Pfeijffer, Kaweh Modiri en Maartje Wortel.

Omgevingsgeluiden

In Een lege plek, het hoorspel dat vandaag wordt opgenomen, speelt Marcel Hensema de rol van vader Geert, Ariane Schluter die van moeder Annabel en is Jonas Smulders hun achttienjarige zoon Pelle. Het verhaal speelt zich af op verschillende locaties, waaronder een boerderij en een ziekenhuis, en er zitten bovendien flashbacks in. Zonder de omgevingsgeluiden die een en ander zouden kunnen verduidelijken, blijkt het voor de acteurs nog knap lastig om aan te voelen hoe ze hun tekst moeten uitspreken. Boos en hard of juist ingetogen en verdrietig? Een verkeerd gelegde klemtoon kan al funest zijn. Scènes moeten eindeloos vaak opnieuw. Regisseur Becker, die straks een week lang gaat monteren, gebruikt soms maar een enkel woord uit een zin.

Middenin een scène breekt Hensema in: ‘Ik begrijp niet wat hier gebeurt. Ik snap deze overgang niet. Je verpest het voor jezelf. Tegen wie zegt Pelle dat dan? Tegen die vader of die moeder?’ ‘Het is een raamvertelling in een raamvertelling,’ legt Becker uit. Schluter vindt het ook verwarrend: ‘Ik dacht dat hij het tegen z’n moeder had, maar het kan inderdaad allebei. Ik vraag me af of je dit snapt als luisteraar. Al die verschillende lagen, het is wel heel ingewikkeld. Kunnen we dit oplossen in tekst?’

De opname begint opnieuw. Een flashback dit keer, waarin Hensema boos moet worden. Er wordt stevig gevloekt.
‘Van mij mag die godverdomme weg,’ zegt hij na afloop, ‘ik vind het een zwaktebod.’
‘Van mij mag het eruit,’ zegt Becker. Nieuwe opname. Hensema vergist zich en roept toch godverdomme, hij corrigeert zichzelf vlug, maar het is al te laat. Nieuwe opname.
 

Geluidsmetertjes

Hensema haalt een appel uit zijn jaszak. Hij kan even pauzeren, want Schluter moet nu een minutenlange monoloog doen. Ze speelt hem vol overgave, snel en boos. Ze gebaart met haar handen alsof ze op het toneel staat in plaats van onzichtbaar achter een microfoon. Als ze klaar is, volgt een voldane zucht van regisseur Becker die met gesloten ogen roerloos heeft zitten luisteren: ‘Dat was prachtig Ariane.’
‘Misschien moet dat laatste deel iets beschroomder,’ zegt Schluter, weifelend. ‘Ik
probeer iets te bedenken waardoor we meer dynamiek krijgen. Hebben jullie nog tips?’ vraagt Becker.
Hensema: ‘Ik zou de ruimte wat meer meenemen, de intimiteit.’

Er volgt een nieuwe opname waarin Schluter dezelfde tekst heel stil en ingetogen speelt. En daarna nog een, waarin ze zo hard uithaalt dat geluidstechnicus Boon moet ingrijpen, omdat zijn geluidsmetertjes pieken. ‘Die was te hard. Dat dacht ik al,’ zegt Schluter. ‘Ik ga hem nog een keer doen.’
‘Met of zonder uithaal?’ informeert Boon met zijn hand aan de knop.
Hensema heeft intussen zijn jas aangetrokken. Als hij bij de volgende opname weer aan de beurt is, stopt Boon al na een paar zinnen. ‘Marcel, kan dit zonder dat krakende jasje?’ ‘Ja maar, ik heb het koud.’

Boon kent geen genade: ‘Ik heb de verwarming uitgezet, want ik hoorde de buizen tikken.’
Middenin een emotionele scène begint buiten het luchtalarm te loeien. Twaalf uur, de eerste maandag van de maand.
‘Dit moet even over jongens,’ zegt de laconieke Boon. De sirenes sterven weg. ‘We zijn in opname. Ga je gang.’