Zoekende ziel

Dirk-Jan Arensman ,

VPRO Gids #2

Toef Jaegers biografie van de Nederlands/Zuid-Afrikaanse schrijver Henk van Woerden is een rijk en prikkelend portret waarin ook diens literaire werk het volle pond krijgt.

Wat rumoer vooraf kan voor een boek zelden kwaad. Zeker niet voor de biografie van een schrijver die, een kleine tien jaar na zijn dood, meer in de vergetelheid is geraakt dan je zijn oeuvre zou gunnen. Maar nogal pijnlijk nieuws was het evengoed, toen afgelopen zomer bekend werd dat het door NRC-redactrice Toef Jaeger (1971) geschreven Koning Eenoog over het leven en werk van Henk van Woerden (1947-2005) niet, zoals lang gepland, bij diens uitgeverij Podium zou verschijnen. Uitgever Joost Nijsen zocht de journaliste kort na de dood van de Nederlands/Zuid-Afrikaanse schrijver/schilder al aan om de biografie te schrijven, maar nadat ze vorig jaar haar manuscript inleverde, ontstond onenigheid, bleek uit een artikel in het branchetijdschrift Boekblad. Nijsen, die sprak van zijn ‘kameraadschap’ met de schrijver, vond dat het levensverhaal geen ‘recht deed aan het artistieke, intellectuele en persoonlijk gewicht’ van Van Woerden, en zag af van publicatie. Jaeger, die voor haar boek inmiddels onderdak had gevonden bij AtlasContact, had dat erg gevonden, zei ze. ‘Hoewel ik me er ook wel iets bij kon voorstellen dat een biografie waarin een ander beeld wordt gepresenteerd dan je verwacht lastig is wanneer je zo goed bevriend bent met iemand.’

Losbolig

Is dit boek inderdaad niet goed of ambitieus genoeg? vroeg je je bij voorbaat af. Wordt er soms karaktermoord in gepleegd? Of werd de biografe (bijna) slachtoffer van de overgevoeligheden van een te zeer betrokkene? Te hopen valt dat dit soort zwart-witvragen uiteindelijk niet te veel lezers in de weg zal zitten. Want al valt er op het compacte, kritische Koning Eenoog best het nodige af te dingen, een rijk en prikkelend portret is het beslist. Ondanks de complicaties die het schrijven over een autobiografisch auteur als Van Woerden met zich meebrengt.

Het verhaal is, voor wie zijn vier romans en de verhalen en literaire reportages in Notities van een luchtfietser (2002) las, namelijk in grote lijnen bekend, natuurlijk. In zijn prachtige debuut Moenie kyk nie (1993) beschreef hij al uitgebreid hoe hij als jongetje van negen met een glazen oog met zijn ouders van Leiden naar Zuid-Afrika verhuisde. Hoe het gezin dat een betere toekomst tegemoet dacht te gaan er uit elkaar viel. De ontheemding die vooral zijn jong gestorven moeder voelde, de losbollige capriolen van zijn vader, en zijn broer die schizofreen werd. De gevolgen van de steeds strengere rassenwetten, het beruchte bloedbad van Sharpeville in 1960, en hoe hij op zijn 21-ste gedesillusioneerd terugkeerde naar Nederland. Op een soms impressionistische manier vind je het er allemaal in terug.

Zelfs over de reden voor emigratie, die hij pas later ontdekte – zijn vader bleek fout geweest in de oorlog – schreef Van Woerden uiteraard zelf, in het verhaal ‘De fuik’.
 

Maar toch is Jaegers reconstructie van diezelfde jaren, waarvoor ze onder meer putte uit een koffer vol brieven (van moeder Jopie; zijn grootmoeder, Oma Scheepstra, en de auteur zelf) en andere documenten, meer dan een soepel geschreven samenvatting. Zo verschaft ze nuttige achtergrondinformatie over het paradijselijke bestaan dat migranten naar de Kaap destijds werd voorgespiegeld en over de houding van de Nederlandse regering ten opzichte van het ‘broedervolk’ daar. Ze weet van het gezin – en dan vooral die egocentrische vader Joop, met z’n ‘helende handen’ en verzetjes buitenshuis – levendige personages te maken. En ze corrigeert soms het beeld dat Van Woerden van hen én zichzelf schetste.

Treffend voorbeeld van dat laatste is de passage waarin ze aantoont dat zijn betrokkenheid, als student aan de kunstacademie, bij de ironische protestbeweging Aryan National Union of Students (ANUS) beperkter was dan hij deed voorkomen. Zoals ze ook aannemelijk maakt dat hij eerder uit Zuid-Afrika vertrok om zich in Europa als kunstschilder verder te ontwikkelen dan uit politieke overwegingen.

Een steviger smet op zijn blazoen is de parallel die ze, later in het boek, trekt tussen Van Woerden en diens vader. Want verweet hij die een zelfzuchtige rokkenjager te zijn, met hemzelf hadden zijn drie echtgenotes ook genoeg te stellen. Hij maakte graag gebruik van het ‘open huwelijk’, maar kon razend jaloers zijn als de rollen werden omgedraaid. Zijn kunstenaarschap kon niet worden verenigd met onbenulligheden als huishoudelijke taken. En soms leek hij zijn rol als ‘eeuwige buitenstaander’ ook te misbruiken om onder zijn verantwoordelijkheden uit te komen.

Zwanenzang

Geen overdreven sympathieke trekjes, nee. En ook het geklaag in brieven, dagboeken en interviews over de miskenning van zijn genie krijgt weleens iets pathetisch. (Tamelijk hilarisch moment: de schrijver die ‘pissig’ is dat collega Andre Brink hoog opgeeft over John Coetzee en Adriaan van Dis, en niet over hem.)

Maar hoe scherp en genadeloos Jaeger ook kan zijn, een deconfiture wordt Koning Eenoog nooit. Daarvoor schrijft ze met te veel empathie over zijn oprechte worsteling als zoekende ziel, die van Zuid-Afrika naar Nederland, Kreta en Turkije trok, maar zich nooit ergens werkelijk thuis voelde. Over zijn stellingname in het allochtonendebat of zijn liefde voor mediterrane kunst en de melancholieke Griekse muziek van iemand als bouzoukispeler Jordánis Tsomidis, die model stond voor het hoofdpersonage van zijn laatste roman, Ultramarijn (2005).

Bovendien: zijn literaire werk krijgt het volle pond. Ze laat zien welke fascinerende gedaanteverwisselingen die zwanenzang, zijn enige roman die niet in Zuid-Afrika speelde, onderging in de jaren dat hij erover nadacht. Ze beschrijft hoe de trilogie daarvoor een keerpunt betekende in hoe er over zijn tweede moederland onder het apartheidsregime werd geschreven. (Met een genuanceerdere blik en een poëtischer pen dan de goedbedoelde politieke-traktaten-in-fictionele-vermomming van daarvoor.) En als ze de ontstaansgeschiedenis volgt van Een mond vol glas, Van Woerdens ook internationaal bejubelde reportageroman over de in een psychiatrische inrichting weggestopte Demitrios Tsafendas, de verwarde immigrant die op 6 september 1966 premier en apartheidarchitect Hendrik Verwoerd met messteken om het leven bracht, wil je dat meesterwerk uit 1998 meteen weer oppakken.

Had er meer ruimte vrijgemaakt kunnen worden voor Van Woerdens schrijversvriendschappen of zijn rol als pleitbezorger van de Zuid-Afrikaanse letteren? Waarschijnlijk wel. En Jaeger lijkt minder voeling te hebben met zijn beeldende kunst dan met zijn literaire werk.

Maar dat ze zijn boeken én de zin die te lezen weer tot leven wekt, is een verheugende prestatie. 

'Van Woerden maakte graag gebruik van het ‘open huwelijk’, maar kon razend jaloers zijn als de rollen werden omgedraaid'.