Laatste saluut

Dirk-Jan Arensman ,

VPRO Gids #3

De verschijning van Michel Fabers 'The Book of Strange New Things' ging vergezeld van het slechte nieuws dat hij na de dood van zijn vrouw stopt als romanschrijver.

Sinds hij in 1998 debuteerde met de verhalenbundel Some Rain Must Fall, was de in Den Haag geboren Michel Faber (1960), die zich na een jeugd in Australië begin jaren negentig in Schotland vestigde, zo’n zeldzame schrijver die je telkens wist te verrassen. Wat heet: je omver wist te blazen. Met zijn ongebreidelde fantasie, met zo’n beetje vanaf het begin de technische en stilistische beheersing van een oude meester. En met het wonderlijke vermogen je je te laten overgeven aan genres waarvan je misschien wel altijd dacht dat ze jouw kopje thee niet waren.

Van dat vreemd aangrijpende verhaal van het buitenaardse wezen Isserley dat, in Under the Skin (2000), op de Schotse Hooglanden letterlijk op jacht gaat naar mannenvlees tot de fraaie kamermuziek van The Courage Consort (2002), een novelle over een modern-klassiek ensemble. Van zijn meer dan achthonderd pagina’s tellende victoriaanse meesterwerk The Crimson Petal and the White (2002) tot de luchtige mix van spanning en satire in zijn bewerking van de Prometheus-mythe The Fire Gospel (2008). Bij elk volgend boek vond Faber zichzelf zozeer opnieuw uit, dat het door een compleet andere auteur geschreven leek. En of je normaal gesproken nu steevast in slaap viel bij historische romans of al gruwde bij het zien van de afkorting sf, je wist zeker: een nieuwe Michel Faber is altijd goed nieuws.

Tot zijn nieuwste, The Book of Strange New Things, afgelopen najaar ineens vergezeld ging van buitengewoon slecht nieuws. Vlak voor die eind oktober verscheen, kopte The New York Times: ‘Closing a Chapter of a Literary Life. Michel Faber Plans to Stop Writing Novels.’

Ondraaglijk

Hij had er altijd naar gestreefd dat zijn romans speciaal en oprecht waren, zei hij in het interview. Uniek en niet makkelijk in bestaande categorieën in te delen. Maar nu was hij op het misschien onvermijdelijke punt beland dat hij in herhaling dreigde te vervallen. Uitgeschreven was hij. Een gevoel dat nog werd versterkt door het feit dat zijn vrouw, Eva Youren, kort nadat het manuscript van dit boek aan haar ziekenhuisbed was afgerond, overleed aan de kanker die in 2008 bij haar was geconstateerd.

Eva, vertelde hij al vaak, was degene die hem er ooit, nadat hij jarenlang louter voor zichzelf had geschreven, van overtuigde überhaupt met zijn werk naar buiten te treden. Zijn eerste lezer en klankbord. De vrouw van wie hij hield én voor wie hij het allemaal deed.

Bij zo’n verlies, waarover hij in de Times en elders bijna ondraaglijk openhartig en teder sprak, verstomde elk protest dat je anders bij zo’n beslissing zou aantekenen direct. Waarna er weinig anders restte dan het openslaan van zijn zwanenzang, vanaf deze week dankzij zijn uitstekende vaste vertalers, Harm Damsma en Niek Miedema, ook in het Nederlands verkrijgbaar. Om na de laatste pagina meteen maar al zijn voorgaande romans te herlezen.

Dat laatste klinkt misschien een tikje hysterisch, maar we kunnen het iedereen aanraden. Simpelweg omdat die romans stuk voor stuk nog steeds verschrikkelijk goed zijn. Omdat je zult merken dat ze, bij alle onderlinge verschillen, een verbazend hecht verhaaluniversum vormen. En omdat Het boek van wonderlijke nieuwe dingen daar in veel opzichten een ideaal slotakkoord in blijkt.

Oasis

Verteller is de Britse pastor Peter Leigh die zich op de eerste bladzijden opmaakt om zijn vertrouwde bestaan en, voor het eerst in hun huwelijk, zijn grote liefde Bea achter zich te laten, om te beginnen aan ‘de belangrijkste zendingsmissie sinds de Apostelen eropuit trokken om Rome te veroveren met de kracht van de liefde’. Hij is namelijk door de raadselachtige (lees: potentieel schimmige) multinational usic uit honderden kandidaten uitverkoren om op Oasis, een planeet vele lichtjaren van de aarde verwijderd, het woord Gods te verkondigen aan de inheemse bevolking.

Eenmaal aangekomen, na een reis die Faber met bondige nonchalance (en juist daarom overtuigend) beschrijft, blijkt zijn opdracht uiteraard een reeks vervreemdende ervaringen op te leveren, zij het heel andere dan je zou verwachten.

Om te beginnen zijn de buitenaardse wezens, die het voedsel voor de beginnende kolonie van usic leveren in ruil voor medicijnen, niet alleen ontvankelijk voor zijn boodschap: ze ontvangen hem met open armen. En tot zijn stomme verbazing met een in koor gezongen ‘Amazing Grace’, al klinkt dat lied door hun afwijkende fysionomie wel wat anders dan Peter gewend is. Met een gezicht dat hij beschrijft als ‘een placenta met twee foetussen – een twee maanden oude tweeling misschien, haarloos en blind – met de hoofden en knieën tegen elkaar aan genesteld’ klinken hun stemmen als ‘natte varens’ die vertrapt worden. De ‘s’ en ‘t’-klanken, aangeduid met exotische lettertekens, zijn helemaal nauwelijks herkenbaar.

Maar niettemin zijn ze, dankzij het werk van Peters pastorale voorganger, ene Jakob Kurtzberg, die op mysterieuze wijze verdween, ronduit hongerig naar elk verhaal uit de Bijbel, dat ze ‘Het boek van wonderlijke nieuwe dingen’ noemen, en naar ‘de techniek van Jezus’.

So far so scifi, zou je denken. Wat het natuurlijk ook is. Faber neemt ruim de tijd om het intergalactische decor te schetsen, vol vreemde eetbare planten en kolkende, zoet smakende regens. Hij bouwt stukje bij beetje een parallelle wereld waarin je gaat geloven. En, ja, onderweg bekruipen je de omineuze vragen die bij het genre horen. Wat is er bijvoorbeeld werkelijk gebeurd met die Kurtzberg, met zijn aan Kurtz uit Heart of Darkness herinnerende naam? Wat zijn usic en de nogal apathisch overkomende nerds die ervoor werken nu precies met Oasis van plan? En kunnen die plaatselijke e.t.’s echt zo vroom en goedhartig zijn als ze zich voordoen? Suspensevolle elementen, die we hier uiteraard niet kapot zullen maken.

Maar terwijl hij zich virtuoos van de gereedschappen ervan bedientd, gaat het ook hier niet zozeer om het genre waarin Faber schrijft, maar om wat hij met dat genre dóet.

Onironisch

In Under the Skin levert hij via die gedrochtelijke alien Isserley niet alleen kritiek op onze bio-industrie, het is ook een verhaal over de grenzen en betekenis van compassie. The Crimson Petal and the White, gemodelleerd naar het negentiende-eeuwse melodrama en minstens zo meeslepend, speelt in Victoriaans Engeland. Zeker. Maar ondertussen is de blik erin op, pakweg, de sekseverhoudingen tussen het feministische hoertje Sugar en haar klanten of haar suikeroompje William Rackham en diens labiele echtgenote Agnes overduidelijk een moderne. (Om van die op de dampende seks maar te zwijgen, trouwens.)

Ook het verhaal van Peter Leigh draait, ongeacht het decor en het uiterlijk van sommige van zijn gesprekspartners, om intens menselijke kwesties. Kwesties waar hij vaak al eerder over schreef, bovendien.

Over religie bijvoorbeeld, een thema dat nadrukkelijk een rol speelde in The Fire Gospel, waarin een onbekend geschrift van een volgeling van Jezus werd teruggevonden. (Leuk weetje tussendoor: ergens in een bureaula moet Faber nog een ongepubliceerde roman hebben liggen met de titel A Photograph of Jesus.)

In Het boek van wonderlijke nieuwe dingen valt op hoe invoelend en onironisch hij over het geloof van zijn vrome verteller schrijft, zonder daarbij in eo-proza te vervallen. Nergens wordt diens gevoel gered te zijn en behoefte anderen te redden belachelijk gemaakt, hoewel die hem wel blind kunnen maken voor aardsere zaken.

Een houvast zoeken in een beangstigende wereld is hier niet iets om mee te spotten.

Maar nog centraler staan Peters moeizame pogingen om te communiceren, werkelijk contact met de ander te krijgen. Met de bewoners van Oasis, uiteraard, gehinderd door taalbarrières en het wederzijds ontbreken van de meest basale kennis van elkaars cultuur. Maar evenzeer met de vrouw van wie hij zielsveel houdt.

Want Bea en hij kunnen elkaar dan wel schrijven, via een soort interplanetair e-mailsysteem dat ‘the Shoot’ heet, maar de lichtjaren die hen scheiden wreken zich algauw. Terwijl zij in haar berichten verslag doet van de steeds alarmerender ontwikkelingen op Aarde – extreme stormen, banken en supermarkten die sluiten, dreigende anarchie –, merkt hij tot zijn schaamte dat hij te zeer opgaat in zijn eigen verwarrende avontuur om volledig met haar mee te voelen. En haar meer dan oppervlakkig over die ervaringen vertellen, lukt hem ook al nauwelijks.

Ontroerend

Je zou het, plat gezegd, een studie in de nadelen van een extreme langeafstandsrelatie kunnen noemen. Maar evengoed een schaamteloos expliciete en toch krachtige metafoor voor hoe ieder mens uiteindelijk in zijn eigen realiteit leeft, op zijn of haar eigen planeet van gevoelens en denkbeelden, sociale klasse (zie Sugar en William) en persoonlijke worstelingen.

Dat ze, fundamenteel en letterlijk, van elkaar gescheiden zijn, geeft Peter en Bea iets diep tragisch. Maar dat ze blijven proberen die afstand te slechten, maakt Het boek van wonderlijke nieuwe dingen ook tot een ontroerend liefdesverhaal.

Een hoopvol verhaal uiteindelijk, ondanks de wrange bijsmaak die het krijgt doordat je weet wat je nu eenmaal weet van het lot van de schrijver en zijn vrouw. Geen zuiver literair argument misschien, maar dat die gevoels-laag er is, kun je onmogelijk ontkennen. Zoals ook het feit dat er een ode wordt gebracht aan het wonderbaarlijke genezende vermogen van het menselijk lichaam je extra aangrijpt, omdat Faber dit boek schreef als laatste saluut aan zijn ongeneeslijk zieke Eva.

De komende jaren, zo heeft hij gezegd, zal hij zich wijden aan háár werk. Aan de schilderijen, tekeningen en foto’s die ze naliet. En aan de verhalen en aanzetten die ze schreef, en die hij wil bezorgen en, mogelijk, voltooien.

Of het afscheid van zijn lezers ook daarna definitief zal blijken? Geen idee.

Maar zijn werk tot nu toe vormt hoe dan ook een literaire wereld om je nog vaak in te verliezen.

'Waarna weinig anders restte dan het openslaan van zijn zwanenzang, om na de laatste pagina meteen maar al zijn voorgaande romans te herlezen'.