'Toch ben ik ergens goed voor!'

Dirk-Jan Arensman ,

VPRO Gids #12

De brieven van Vincent van Gogh zijn het belangrijkste egodocument in de kunstgeschiedenis. De schilder overleed 125 jaar geleden, en in de boekhandel komt de stroom jubileumuitgaven op gang.

Schetsen bij een brief van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, 23 juli 1890

Op 10 oktober 1885 schreef hij in een brief aan zijn broer Theo dolenthousiast over een driedaags bezoek aan het pas geopende Rijksmuseum. En dan vooral over dat ene werk, ‘geschilderd d’une main de feu’, dat hij Jodenbruid noemde. De oude meester was op dat doek ‘een poëet’, meende zijn ploeterende collega. ‘Over de schilderijen van Frans Hals – hij blijft altijd op aarde – kan men spreken, Rembrandt gaat zo diep in ’t mysterieuze dat hij dingen zegt waarvoor in de taal geen woorden bestaan.’ Onbeweeglijk had hij ernaar gestaard. Om vervolgens te zeggen dat hij met plezier tien jaar van zijn leven zou inruilen om tien dagen met niets dan droog brood voor dat meesterwerk te mogen zitten.

Dat Vincent van Gogh (1853-1890) op dat moment nog geen vijf jaar te leven had, kon hij uiteraard niet weten. Maar misschien mag je uit die beroemde uitspraak niettemin afleiden dat hij het niet heel erg zou hebben gevonden dat tentoonstelling Late Rembrandt de aandacht tot nu toe behoorlijk afleidde in wat toch zijn jaar had moeten zijn. Het past ook wel bij het motto van het Van Gogh-jaar (‘125 jaar inspiratie’), dat delen van de spotlichten met een van zijn grote voorbeelden. En bovendien: dat het 29 juli a.s. 125 jaar geleden is dat de schilder in Auvers-sur-Oise overleed, daarbij zal uitbundig genoeg worden stilgestaan.

Naast al lopende tentoonstellinkjes in het Belgische Mons en het Noord-Brabants Museum volgen nog de ambitieuze exposities ‘Van Gogh & Co’ in het Kröller-Müller (vanaf 25 april) en ‘Much – Van Gogh’, die op 25 september in zijn eigen Amsterdamse museum wordt geopend. Andere museale eerbetonen strekken zich uit van Parijs en Arles tot zijn geboortedorp Zundert. En dan hebben we het nog niet eens over alle festivals en manifestaties waar hommages aan hem worden gebracht door, pakweg, dj’s op Wish Outdoor in Beek en Donk of deelnemers aan de Roodharigendag te Breda (voor een volledig overzicht: vangogheurope.nu).

Jubileumuitgaven
Ondertussen komt in de boekhandel de stroom jubileumuitgaven ook langzaam op gang. Zo verscheen er een gebonden editie van Vincent (2012, Nijgh & Van Ditmar), de bejubelde graphic novel van Barbara Stok over diens turbulente jaar, 1888, in Arles – een tijd van koortsachtig werken en een gedeeld atelier met Paul Gauguin die uitmondde in een zenuwinzinking en het beruchte ‘oorincident’. En de Vlaamse journalist en documentairemaker Pascal Verbeken publiceerde Duistere wegen. Reis naar Vincent van Gogh in de Borinage (De Bezige Bij), waarin hij in zes (fiets)etappes door de voormalige mijnbouwstreek trekt waar de jonge Vincent rond 1879 zijn eerste tekeningen maakte en een rampzalige poging deed als (leken)predikant in zijn vaders voetsporen te treden. Resultaat is een aardige mix van reisreportage en sociale geschiedenis. Verbeken schrijft invoelend over de uitbuiting van de mijnwerkers en de kaalslag die achterbleef toen die industrie verdween. Maar Van Gogh is eerder aanleiding dan onderwerp.

Geen wonder ook, want zijn periode daar was een door de inwoners lang vergeten episode die pas nu, om toeristische redenen, wordt herontdekt. De plekken die Van Gogh kende, zijn onherkenbaar veranderd. En de weinige overgeleverde Van Gogh-herinneringen zijn vooral die aan een zonderlinge ziel die met zijn neiging armoede te romantiseren en zijn stuntelig fanatieke preken maar weinig indruk maakte.

Neemt niet weg dat de citaten uit zijn tien Borinagebrieven fraai zijn. De brief, geschreven tussen 22 en 24 juni 1880 en aan het eind integraal opgenomen, is zelfs schitterend. Tastend maakt Van Gogh er de balans in op van zijn moeizame bestaan en karakter. Hij schrijft hoe zijn kunstliefde langzaam die voor God verdringt, terwijl hij wanhopig uitroept: ‘Toch ben ik ergens goed voor! Ik voel dat mijn bestaan een reden heeft! (...) Er is iets in mij, wat is het toch?’
Een intieme blik op een man in crisis, op het punt voor het kunstenaarschap te kiezen.

‘Le jardin de Daubigny – De voorgrond groene en roze gewassen. Links een groene en lila struik en een stam van een plant met witachtig blad. In het midden een rozenbed, rechts een hek, een muur, en boven de muur een noteboom met violet gebladerte. Verder een seringenhaag, een rij van gele ronde lindebomen, het huis zelf op de achtergrond, roze, met een blauwachtig pannendak. Een bank en drie stoelen, een zwart figuurtje met gele hoed op en op de voorgrond een zwarte kat. De hemel bleekgroen.’

Egodocument
Voor wie gegrepen raakt door zijn openhartige, beeldende proza liggen er twee selecties klaar uit de 819 van hem bewaard gebleven brieven: Vincent van Gogh. Een leven in brieven (Meulenhoff) en De kunst van het woord (Carrera). De eerste een luxe heruitgave van chronologisch geordende fragmenten die kenner Jan Hulsker (1907-2002) in 1980 koos; het tweede, prachtig geïllustreerd, de 256 mooiste brieven volgens Leo Janssen, Hans Luijten en Nienke Bakker, die zes jaar geleden de monumentale geannoteerde uitgave van het volledige corpus verzorgden. Lees ze, en je begrijpt waarom ze als het belangrijkste egodocument in de kunstgeschiedenis en een van de mooiste uit de wereldliteratuur worden beschouwd. Bijna van dag tot dag doet hij verslag van wat hij leest en ziet, denkt en voelt en waaraan hij werkt; in een stijl die soms lyrisch is als een preek vol gelijkenissen en soms onopgesmukt en direct, alsof hij tegen je praat. Een unieke autobiografie, zij het onderbroken door gebedel om geld bij zijn broer en mecenas Theo, en uitgesmeerd over duizenden pagina’s.

Essentie
Een ontmoedigend vooruitzicht? Begin dan met de briljante nieuwe biografische schets Van Gogh: A Power Seething (New Harvest) an schilder en kunsthistoricus Julian Bell, die in 160 bladzijden de essentie van zijn onderwerp weet te vatten. Vlotjes wordt je langs zijn Brabantse jeugd, mislukte baantjes in de kunsthandel en het onderwijs en het gemodder in de Borinage zijn kunstenaarsleven in gevoerd. En al heeft Bell wel oog voor Vincents explosieve karakter en de sappige biografische feiten, bij de beruchtste daarvan merkt hij niet voor niets op dat hij zich liever concentreert op de schilderijen en brieven dan ‘een stukje bloederig kraakbeen waaraan een sociale misfit niet langer vastzit.’

Zijn beschrijvingen van de werken zijn van een poëtische schoonheid. (Een vruchtenstilleven noemt hij ‘a single resounding chord of yellow played out on various vegetal instruments.’) En hij laat je vooral zien hoe Van Gogh hard werkte aan zijn ambacht. Niet schiep vanuit een plotselinge flits van geniale gekte, maar zich gestaag ontwikkelde, beïnvloed door iedereen van Toulouse-Lautrec en de impressionisten tot, inderdaad, Rembrandt. Een met visie, humor en passie geschreven boekje, ideaal om een jaar van inspiratie echt mee op te starten.