De spion gaat nooit verloren

Mathijs Deen ,

In 'De geheime oorlog' beschrijft 
Max Hastings de Tweede 
Wereldoorlog vanuit de geheime diensten: een schaduwgevecht 
vol vreemde kostgangers die 
met gevaar voor eigen leven 
handelden in informatie, 
leugens, verraad en bedrog.

De reactie van de Engelse journalist en historicus Max Hastings (1945) op mijn vraag over operatie Market Garden is veelzeggend. Het is het enige moment in het gesprek waarop een vlaag ongeduld zijn Britse voorkomendheid verstoort. Hij wappert met een hand, als om een vlieg te verjagen.
‘Natuurlijk niet,’ zegt hij, ‘King Kong...’ en hij zucht.
De vraag was waarom hij het scenario van het verraad van Arnhem door dubbelspion Christiaan Lindemans (‘King Kong’) niet in zijn boek De geheime oorlog heeft gebruikt. Dat Lindemans in de 656 pagina’s tellende geschiedenis niet voorkomt, illustreert niet alleen dat Hastings zich ongevoelig wil tonen voor de complottheorieën die zo vaak in de nabijheid van spionageverhalen opduiken, maar ook dat hij wil laten zien dat de invloed van ouderwetse spionnen op de loop van de oorlog verwaarloosbaar was. Hij becijfert het zelfs in z’n boek. Misschien eenduizendste van een procent van de gevechtshandelingen is beïnvloed door het werk van spionnen.
‘De Duitsers hadden veruit het beste leger,’ zegt hij. ‘En Market Garden was een idioot plan dat gedoemd was te mislukken. De Duitsers die rond Arnhem gevochten hebben, waren verrast door het tactisch onvermogen van de Britse parachutisten. De Britse mythe is dat Arnhem een heroïsche mislukking was. Maar in Stalins universum zouden de mannen die verantwoordelijk waren voor dit soort blunders eenvoudig zijn doodgeschoten.’

ontluisterend

Market Garden is een van de vele verhalen uit De geheime oorlog die de rol van de geheime diensten relativeren. Betrouwbare informatie over de Duitse posities was er wel, maar die kwam niet van agenten in vijandelijk gebied. Die informatie kwam uit Bletchley Park, waar de Britse geheime dienst Duitse berichten afluisterde en decodeerde. Montgomery had in de dagen voorafgaand aan Market Garden uit Bletchley Park bericht gekregen dat de Duitsers rekening hielden met een landing van parachutisten. Dat er bij de landingsplaatsen ss-pantserdivisies stonden, had de dienst al eerder achterhaald. Er was kortom voldoende informatie voorhanden om de catastrofale mislukking te voorzien, maar Montgomery negeerde deze. Hij beschouwde de Duitsers als verslagen, hij was ambitieus, kortom; hij ging z’n eigen gang.
In het voorbeeld van Market Garden komen drie van Hastings stokpaardjes voorbij; de invloed van door traditionele spionnen overgeleverde informatie was verwaarloosbaar, voor echt betrouwbare berichten moest je bij de afluisterposten en codekrakers zijn, en steeds opnieuw bleek het voor de bevelhebbers heel erg moeilijk om iets zinnigs met de mededelingen van geheime diensten te doen. Het was een kakofonie van stemmen die riepen in de wildernis.
Hastings verkenning van de schaduwoorlog die de geheime diensten van alle betrokken partijen voerden, is niet alleen spannend en verhelderend, maar ook ontluisterend. Hij trakteert de lezer op de gebruikelijke cocktail van dubbele identiteiten, geruchten, halve waarheden, maskerades, gevaarlijke verhoudingen, ontmaskeringen en bizarre wendingen van het lot die bij spionage horen. Maar hij laat ook zien dat al die lotgevallen maar zelden ergens goed voor waren en dat de afluisterdiensten veel meer gewicht in de schaal legden.
Maar toch, de verlokkingen van de spionageverhalen laten ook Hastings niet onberoerd. Met voelbaar genoegen beschrijft hij – als het even kan tot in fysiek detail – de kleurrijke maar door en door onbetrouwbare persoonlijkheden die voor de goede zaak handelden in verraad, leugens en bedrog. ‘De schrijver van spionageromans John le Carré is een veelzeggend voorbeeld,’ zegt Hastings. ‘Je weet, hij is zelf spion geweest. Bijna alles wat hij anderen over zichzelf heeft verteld, is onwaar. Zijn leven hangt zo van bedrog aan elkaar dat hij het als oude man zelf ook niet meer weet wie hij is en wat hij gedaan heeft.’

tragedie

De lezer die in Hastings boek de wereld van de geheime diensten betreedt, begint het al gauw te duizelen wie nu wie was, wie voor wie aan het werk was en op wat voor manier de met levensgevaar vergaarde informatie uiteindelijk aan de oorlogshandelingen bijdroeg. Dat het antwoord op deze vragen indertijd voor de betrokkenen zelf ook niet altijd duidelijk was, maakt de verwarring er alleen maar groter op. Veel van de geheim agenten hadden er alleen al een dagtaak aan hun dekmantel te onderhouden en te voorkomen dat ze ontmaskerd werden. En omdat het bij het vak hoorde om de boel te belazeren, waren ook hun opdrachtgevers vaak niet bereid de geleverde informatie voor waar aan te nemen. Ze verzetten bergen, enkel om een muis te baren, schrijft Hastings.
‘En de mensen die ondanks dat toch geweldige prestaties leverden, zoals leden van de Duitse tak van de Rote Kapelle die voor Stalin spioneerden, deden dat achteraf gezien voor niets,’ zegt hij. ‘Het waren moedige, idealistische, linkse Duitsers uit de hogere middelklasse, die hielpen om Moskou voor operatie Barbarossa (de Duitse invasie van Rusland) te waarschuwen. Maar hun informatie verdween onmiddellijk in de prullenbak van Stalin. Hij weigerde ze te geloven, hij vertrouwde ze niet. Uiteindelijk zijn ze gepakt en vermoord. Ze gaven hun leven, voor niks. Een diepe tragedie.’
Hastings schudt z’n hoofd. ‘En dan te bedenken,’ zegt hij, ‘dat een slimme, goed ingevoerde diplomaat die de kranten las en hooggeplaatste mensen sprak even waardevolle informatie kon leveren over de intenties van de vijand als alle spionnen bij elkaar. Zoals de Britse ambassadeur in Stockholm die in 1942 op basis van gesprekken en gewone bronnen een heel slim en accuraat beeld schetste hoe Duitsland er voor stond.’

Een slimme, goed ingevoerde diplomaat die de kranten las en hooggeplaatste mensen sprak, kon even waardevolle informatie leveren over de intenties van de vijand als alle spionnen bij elkaar.

Max Hastings

fascinatie

De Tweede Wereldoorlog was de geboorte- en bloeitijd van een nieuwe vorm van spionage: het opvangen en decoderen van radiocommunicatie (bij de Britten heette die informatie: Ultra). De verhalen daarover zijn een stuk minder avontuurlijk en romantisch, maar het was wel de vorm van spionage die de traditionele geheim agent uit het centrum zou verdringen. Hastings: ‘Plotseling konden de diensten, of het nou in Engeland, Rusland of Japan was, de eigen en dus authentieke woorden van de vijand afluisteren. Aan het begin van de oorlog was er niemand die de berichtgeving van geheime diensten serieus nam. Naarmate de oorlog vorderde veranderde dat. Bill Williams, de chef van de geheime dienst van Montgomery, schreef aan het eind van de oorlog dat het nu voor iedereen duidelijk moest zijn dat het Ultra was die de geheime dienst relevant had gemaakt. Aan het eind van de oorlog besteedde Amerika een half miljard dollar aan het afluisteren en ontcijferen van het radioverkeer van de vijand.’
Er valt even een stilte in het vertrek. Hastings is historicus genoeg om in zijn boek ook de rol van Bletchley Park op de uitkomst van de oorlog weer te relativeren. Uiteindelijk kwam het er op aan de vijand op het slagveld te verslaan. ‘Ook al weet je wat de vijand van plan is, dat maakt hem nog niet minder sterk.’
Maar wat altijd blijft, is die Britse fascinatie voor de geheime diensten, die niet belast lijkt te zijn met de slechte reputatie die spionnen op het Europese vasteland altijd hebben gehad. Ook al somt hij meermalen alle karakterzwaktes op die een spion moreel gezien tot een mens van twijfelachtig allooi maken, ze zijn oneindig fascinerender dan hun code-krakende vakgenoten. Spionnen leven spannende, overspelige levens. De afluisterende collega’s leidden heel andere levens. Je kan heel goed overdag radioboodschappen ontcijferen, en toch door het leven gaan als oprecht huisvader die iedere avond opnieuw in het bijzijn van zijn wettige echtgenote aan tafel onder de lamp zijn aardappels prakt en de kinderen met hun huiswerk helpt.

duister

De geheime oorlog (oorspr. The Secret War, uitgeverij Hollands Diep)

Hastings buigt zich even naar me toe, alsof hij een roddel wil delen. Het verhaal gaat over Ronald Seth, die zich in 1941 uit verveling aanbood om boven Estland te worden geparachuteerd om daar een ondergrondse op te zetten. ‘Engeland wilde dolgraag iemand in Estland,’ zegt Hastings met glanzende ogen, ‘dus ze begonnen hem te trainen. Al gauw ontstonden er twijfels over zijn psychische gezondheid. Alle seinen stonden op rood. Toch wierpen ze hem af boven Estland om vervolgens niets meer van hem te vernemen tot in 1943 een Duits vliegtuig neerstortte in Zwitserland. Tussen de documenten aan boord bevond zich een verhoor van Seth, die onmiddellijk nadat hij geland was, was ingerekend door de Duitsers. Daaruit bleek dat hij zijn ondervragers overtuigend op de mouw had gespeld dat hij een geridderde vriend van de koninklijke familie was die door mi6 met het pistool tegen het hoofd gedwongen was tot spionagewerk. Toen werd het weer stil rond Seth tot 1944, toen een Fransman bij de bevrijding van Parijs een envelop overhandigde aan een Britse officier. De envelop, geadresseerd aan het War Office in Londen, bevatte 74 handgeschreven pagina’s van Seth, waarin hij uit de doeken deed dat hij weliswaar in Duitse dienst was, maar nog steeds de Britse zaak was toegedaan. Onderhand wist niemand meer aan welke kant hij stond. Na de oorlog bleek het ondoenlijk hem te veroordelen, omdat de ware toedracht van wat er gebeurd was duister bleef. Nadat hij vergeefs probeerde politiechef te worden, maakte hij carrière als auteur van handleidingen in erotische technieken.’
Het mag duidelijk zijn dat Seth niets aan de loop van de de geschiedenis heeft veranderd. Maar de gretigheid waarmee Hastings het verhaal vertelt, doet vermoeden dat de traditionele spion nooit verloren zal gaan.