Het echte verhaal is onkenbaar

Dirk-Jan Arensman ,

In Zo begint het slechte van Javier Marías werpt de Spaanse Burgeroorlog anno 1980 alsnog een schaduw op een huwelijk. ‘Ik heb geen eenduidige mening over de vraag of we ons het verleden permanent moeten blijven herinneren.’

‘Kijk, daar staat de cavalerie,’ zegt Javier Marías (1951), gevraagd naar de vele tientallen tinnen soldaatjes in zijn appartement aan een plein in het centrum van Madrid, op een gespierde steenworp van de Plaza Mayor. Ouderwets speelgoed in een kamer waarin alleen een forse flatscreen-tv verraadt dat het ook hier wel degelijk 2015 is.

Bij het raam een oud faxapparaat. Twee veelvuldig gebruikte asbakken op de salontafel. Op zijn bureau de elektrische typemachine waarop hij nog altijd werkt, omringd door overvolle boekenwanden, ingelijste foto’s en genoemde verzameling miniatuurmilitairen, al dan niet te paard, kameel of, in één geval, olifant. ‘Ik heb ze altijd leuk gevonden, al had ik als jongetje plástic soldaatjes, omdat die niet zo makkelijk kapotgingen. En voor een romanschrijver is het volgens mij normaal om dat soort dingen te hebben; een parallelle wereld van kleine wezentjes bij wie je complete levens kunt verzinnen. Bovendien bewaken ze mijn bibliotheek,’ glimlacht hij. ‘Het leger van mijn boekenkast.’

Het is verleidelijk om in die soldaatjes symbolen te zien, nu we een paar weken voor het verschijnen van de vertaling van zijn nieuwe, veertiende roman, Zo begint het slechte, bij de schrijver op bezoek zijn. Een boek dat speelt in 1980, en draait om ‘de lange lijdensweg’ die het ‘onontbindbare huwelijk’ is van filmregisseur Eduardo Muriel en zijn vrouw Beatriz, gezien door de ogen van zijn jonge assistent Juan de Vere.

Ze zouden een symbool kunnen zijn voor de Spaanse Burgeroorlog en het schrikbewind van dictator generaal Francisco Franco (1892-1975) die er een voorname rol in spelen. Of voor Marías’ jeugdige fantasie, die al vroeg zijn weg vond naar het papier en hem uiteindelijk tot een van de meest geliefde en gelauwerde auteurs van Europa maakte.

Andere Franco

In de bundel Terwijl zij slapen (2014) staat een kort verhaal dat hij al op zijn veertiende schreef. En, vertelt hij, aan zijn debuutroman Los domonios del lobo (1971) begon hij op zijn zeventiende. ‘Een pastiche van en hommage aan de klassieke Amerikaanse films van de jaren veertig en vijftig was dat. Ironisch en snel. Heel anders dan het werk uit mijn volwassen jaren, maar ik denk er met sympatía aan terug. De eerste hoofdstukken schreef ik toen ik een zomer in de flat van een oom in Parijs logeerde. Ik was straatarm, maar woonde wel op een prachtige plek, met een grote witte vleugel in de huiskamer, vlakbij de Champs-Élysées...’

Aardig toeval in dit verband: die oom was Jesús Franco, de twee jaren geleden overleden regisseur van B-films die een cultstatus kreeg als de Ed Wood van Spanje. ‘He was quite crazy,’ lacht zijn neef. Een handige scharrelaar ook. ‘Ik heb ergens gelezen dat Christopher Lee, met wie hij verschillende horrorfilms maakte, ooit heel kwaad op hem is geworden, omdat er in Soho een erotische film werd vertoond waar hij in voorkwam zonder dat hij daar iets van wist. Bleek Jess restmateriaal van een andere film te hebben versneden met opnames van blote dames!’

Knetter of niet, Franco bezorgde hem wel zijn eerste betaalde schrijfbaan: het vertalen van Dracula-scenario’s. ‘En al is Eduardo Muriel een totaal andere man, voor de beschrijvingen van de filmwereld putte ik wel uit mijn ervaringen met hem. Sterker: twee acteurs die ik kleine rolletjes in de roman gaf, Herbert Lom en Jack Palance, heb ik als jongen inderdaad bij hem op de set gezien.’

Luchtige intermezzo’s zijn dat, maar voor het merendeel is de thematiek in Zo begint het slechte dat allerminst. Wat uiteraard alles te maken heeft met die ándere Franco.

In de twee belangrijkste verhaallijnen probeert verteller Juan de Vere namelijk te achterhalen welk ‘verraad’ van Beatriz het huwelijk van het echtpaar waarvoor hij werkt heeft verzuurd, en tegelijkertijd gaat hij, aanvankelijk op verzoek van zijn baas, de gangen na van een familievriend, de kinderarts Van Vechten, over wie akelige geruchten de ronde doen.

Amnestie

Tipje van de sluier: de man die vijf jaar na Franco’s dood wordt geroemd omdat hij gezinnen van de linkse oppositie medisch bijstond, lijkt tijdens de dictatuur én daarna eerder een schurk dan een verzetsheld geweest. Iets waarvoor de verteller hem gestraft c.q. ontmaskerd wil zien, terwijl Muriel besluit niets van diens eventuele wandaden te willen weten.

‘Wat ik me ben gaan realiseren,’ zegt Marías over die tegenstelling, ‘is dat ik geen eenduidige mening heb over de vraag of we ons het verleden permanent moeten blijven herinneren. Natuurlijk is het ergerlijk dat mensen die in die periode afgrijselijke dingen hebben gedaan daarmee “wegkwamen” toen ze officieel amnestie kregen. En nog erger waren de franquisten die later beweerden dat ze altijd aan de goede kant hadden gestaan. Leugens die een belediging waren voor de echte republikeinen, die voor hun overtuigingen hebben moeten lijden.’

Iemand als zijn vader, beaamt de schrijver aarzelend, de filosoof Julián Marías die onder Franco een beroepsverbod kreeg en korte tijd in de gevangenis zat. ‘Al had mijn vader relatief gezien geluk: veel mensen werden jarenlang vastgezet of geëxecuteerd. Vooral jongeren zeggen nu dat die amnestie van de beulen verraad was, een vorm van lafheid. Maar misschien was het eerder wijs, voorkwam het nieuwe spanningen en onrust. Als je in een democratie geboren bent, besef je niet wat Spanje al die tijd niet had gehad: politieke partijen, verkiezingen, vrijheid van meningsuiting… Al die dingen waren na veertig jaar dictatuur wonderen, waarvan je kunt zeggen dat ze die prijs waard waren.’

Een ander element is dat het echte verhaal van Van Vechten (of van wie dan ook) volgens Marías uiteindelijk onkenbaar is: ‘Bijna alles wat we van de wereld denken te weten, is gebaseerd op wat anderen beweren. Hearsay. Wat we zelf hebben gedaan en meegemaakt weten we min of meer. Maar van de gangen en beweegredenen van anderen zul je nooit een volledig beeld hebben.’

Het is een vast thema in zijn werk. Zoals er meer aan Zo begint het slechte vintage Marías is. De uit Hamlet afkomstige titel, bijvoorbeeld: sinds zijn doorbraak met Corazón tan blanco (Een hart zo blank, 1992) waren de titels van op één na al zijn romans aan Shakespeare ontleend. De detectiveachtige structuur die hij opnieuw hanteert. En bovenal zijn herkenbaar elegante proza; lange, meanderende zinnen vol overpeinzingen en terzijdes.

‘Die worden tegenwoordig steeds verrassender en opmerkelijker gevonden. Zeker in Amerika, waar ze dan direct vergelijkingen trekken met Marcel Proust, wat ik een vorm van heiligschennis vind. Terwijl ze daarin zelf toch ook een traditie hadden, met schrijvers als Henry James en William Faulkner.’ Van wie hij trouwens veel leerde door, voor zijn literaire doorbraak, werk van hen te vertalen, naast dat van onder anderen Nabokov, Conrad en Kipling en Lawrence Sternes Tristam Shandy.

Glimlachend: ‘Toen Faulkner ooit werd gevraagd waarom hij zulke lange zinnen maakte, antwoordde hij: “Omdat ik nooit zeker weet of ik lang genoeg zal leven om een volgende te schrijven.”’

Uitweidingen

Marías staat op, en laat een stapeltje manuscriptpagina’s van zijn volgende boek zien. Fragmenten vol doorhalingen en handgeschreven toevoegingen die hij telkens weer overtypt om er ‘fysiek vertrouwd mee te raken’, als een dichter te werken aan het ritme van zijn proza.

‘De plot lijkt soms bijna het enige dat in hedendaagse romans belangrijk wordt gevonden. Maar hoe je die ook nodig hebt en je kan meeslepen, in mijn ervaring is de intrige iets vluchtigs. Zelfs bij een thriller vergeet ik na de laatste bladzijde vrijwel direct wat er precies is gebeurd of wie de moordenaar was. Net als mijn vader, een groot fan van Georges Simenon die diens boeken eindeloos kon herlezen. “Ik herinner me de zaken nooit,” zei hij dan. “Ik geniet van de sfeer, de personages…”’

‘Misschien zullen ongeduldige lezers bij mijn boeken soms denken: kom op, vertel gewoon wat er hierna gebeurt! Maar ik hoop dat al die onderbrekingen en uitweidingen op zichzelf boeiend genoeg zijn om door te lezen. Omdat de essentie van een roman voor mij zit in een scène waarbij je denkt: daar heb ik nooit over nagedacht. Een zin die je wilt onderstrepen omdat er iets staat wat je wist en tegelijk níét wist, of niet onder woorden kon brengen. Iets wat je herkent als een waarheid.’

Javier Marías bereikte er een opmerkelijk groot publiek mee, blijkt ook als we de dag na het interview tijdens een gezamenlijke lunch even voor het restaurant staan (‘Na de koffie móet ik een sigaret’), en twee afzonderlijke bewonderaars met hem op de foto willen. ‘Dat verrast me nog steeds, want ik realiseer me goed dat het helemaal net vreemd zou zijn als er van het soort romans dat ik schrijf in mijn eigen land hooguit tienduizend waren verkocht. Dat het er nu wereldwijd zo’n acht miljoen zijn, is verbijsterend.’

‘Als ik erg ijdel was, zou ik zeggen dat dat bewijst dat je lezers geen rommel hoeft voor te schotelen om succes te hebben. Maar misschien komt het wel omdat ik een heel gewoon iemand ben, en de dingen waarover ik graag schrijf dus veel mensen bezighouden. Wie heeft er geen geheimen? Wie heeft zich nooit door een geliefde verraden gevoeld of heeft iemand anders verraden?’

Hij neemt nog een trekje, en lacht. ‘Trouwens, je begrijp toch dat ik die mensen van zo-even heb omgekocht?’   

Javier Marias: Zo begint het slechte (vertaling Aline Glastra van Loon, uitgeverij Meulenhoff)