Hout voor het vuur

Maarten 't Hart ,

De man & het hout, een Noorse bestseller over hout hakken, stapelen en stoken - dat leek ons nou echt een titel om voor te leggen aan schrijver Maarten 't Hart. Hij schreef een vlammend stuk.

Heb je op koude winteravonden de tekenclub op bezoek, dan doet zich het volgende voor. De dames van de club komen de woonkamer binnen en roemen om strijd de warmte van de houtkachel. Ze gaan ervoor staan, warmen hun handen en zeggen: wat een heerlijke warmte toch, heel anders dan de warmte van de centrale verwarming. Je wijst op de manden met houtblokken links en rechts van de kachel en verzoekt de dames om er zo af en toe een houtblok in te werpen. Ze beloven je plechtig dat te zullen doen, gaan aan een grote tafel zitten en beginnen te tekenen, onderwijl onophoudelijk met elkaar pratend. Kom je dan na pakweg drie kwartier de kamer even binnen om te zien of de kachel nog goed brandt, dan blijkt hij al zowat te zijn uitgegaan en wel om de simpele reden dat niet één van de vier dames van de tekenclub de moeite heeft genomen om een houtblok in de kachel te gooien.

Ook mijn buurman die een paardenpension drijft en in de bar daarvan een houtkachel heeft staan, moet keer op keer constateren dat zijn kachel, ook al zit de bar vol met dames die even uitblazen na het paardrijden, uitdooft, omdat niet één van de paardrijdsters op het idee komt dat zo’n kachel, wil hij blijven branden, af en toe van een houtblok moet worden voorzien. ‘Vrouwen,’ aldus mijn buurman, ‘kunnen geen vuur onderhouden.’ ‘Nee,’ zeg ik dan, ‘ze kunnen het wel, maar ze doen het niet.’ De juiste formulering is: vrouwen laten het afweten als een vuur onderhouden moet worden.

Het eigenaardige is: van onwil is geen sprake, noch ook van onvermogen. In het vrouwelijk brein komt eenvoudig niet op dat een vuur slechts onderhouden kan worden door er af en toe hout bij te werpen. Dus hebben mijn buurman en ik een partij afgedankte houten aanlegsteigers opgekocht, omdat ze voor het vervaardigen van die steigers destijds merantihout hebben gebruikt. Een flink blok meranti brandt makkelijk anderhalf à twee uur lang, dus kun je je kachel daarmee voeden als je dames op bezoek hebt en zelf vanwege andere werkzaamheden het vuur niet kunt onderhouden.

Het is spijtig dat in het grandioze boek De man & het hout van de Noorse schrijver Lars Mytting niet gerept wordt over onderhoud van het vuur. Dus ontbreken ook mededelingen over de vrouw en de vlam. Is het ook zijn ervaring dat vrouwen een kachel uit laten gaan? Graag had ik er iets over gehoord.

Maar de vrouw speelt hoegenaamd geen rol in dit boek, ze komt maar een keer uitgebreid ter sprake en wel op pagina 184. Daar vertelt Mytting: ‘Het is gebruikelijk dat de man des huizes erop uit wordt gestuurd om een kachel te vinden. Wanneer hij thuis zijn keus presenteert, wordt die verworpen door de estheet in huis. De echtgenote stapt in de auto en de keuze valt op een andere kachel. Uit onderzoek blijkt dat in negen van de tien gevallen de vrouw beslist.’

Hout voor het vuur lijkt een exclusieve mannenaangelegenheid. Wel komen in dit boek alle aspecten van brandhout ter sprake. Wat is het beste brandhout, welk gereedschap heb ik nodig om hout te winnen, wat is de beste kettingzaag, aan welke eisen dient een hakblok te voldoen, wat is de effectiefste manier van hakken,
hoe en hoe lang moet hout drogen voor het in de kachel kan, hoe moet het hout gestapeld worden, wat is de beste houtkachel, hoe maak ik de kachel aan?

De vraag wat het beste brandhout is, wordt in geval van Mytting erg bepaald door het aanbod van brandhout in Scandinavië. Je hebt daar relatief weinig eikenbomen en ook beukenbomen zijn tamelijk zeldzaam. De berk daarentegen komt overal in grote hoeveelheden voor, en sparrenbomen, daar struikel je over. Berkenhout is duidelijk favoriet bij Mytting en daar kan ik inkomen. Het is fijn hout om mee te werken. Het brandt goed, het spat weinig, het is niet al te zwaar. Toch is mijn ervaring dat beukenhout de top is voor in de houtkachel. Dat spat helemaal niet en brandt reuze stabiel. Eikenhout is ook erg goed, maar brandt toch minder evenwichtig dan beukenhout. Met sparrenhout heb ik weinig ervaring. Het is doorgaans keihard en brandt niet altijd even goed. Bij Mytting is het ook een zorgenkind, maar hij maakt er het beste van. Jammer dat kastanjes kennelijk in Scandinavië zo weinig voorkomen dat ze geen rol spelen bij Mytting. In zijn brandwaardentabel ontbreekt de kastanje, terwijl daarin toch 22 verschillende boomsoorten zijn opgenomen. Kastanjehout is namelijk superieure brandstof.

Je hoort altijd dat hout minstens twee jaar moet drogen voor het in de kachel kan. Daar valt veel op af te dingen en gelukkig zegt Mytting dat het erop aan komt het hout zo effectief mogelijk te drogen. Dat is belangrijker dan de tijdsduur van drogen. Hout moet zoveel mogelijk op de wind staan, maar mag niet nat worden. Over het drogen van hout heb ik veel opgestoken uit dit boek en ik heb mij voorgenomen alle raadgevingen van Mytting in praktijk te brengen. Wie hout stookt, weet namelijk hoe ongelofelijk belangrijk het is dat hout goed droog is. Niet kurkdroog, dat kan niet, zoals Mytting laat zien, maar wel zo droog mogelijk. Nat hout brandt slecht en geeft geen warmte.

Wie hout stookt, stoot kooldioxide uit. Dat is onvermijdelijk. Daarom zijn in verschillende Duitse deelstaten houtkachels inmiddels verboden en ik knijp hem al jaren dat hier in Nederland houtkachels ook verboden worden, vanwege de uitstoot van kooldioxide. Terecht stelt Mytting dat je als je bossen hebt waar van tijd tot tijd bomen in omwaaien, die omgewaaide bomen als je ze laat liggen, gaan wegrotten en dat er bij dat rottingsproces ook grote hoeveelheden kooldioxide vrijkomen, dus waarom wel rotten en niet verbranden ? Onderhoud een bos, zegt Mytting, plant voortdurend jonge bomen aan. Die halen veel co2 uit de lucht, dus dat compenseert ruimschoots voor de uitstoot bij verbranding van hout. In feite is het een gesloten systeem: wat je aan co2 uitstoot, wordt weer gebruikt door jonge aanplant. Er is dus geen reden om het stoken van hout te verbieden.

Over de beste manieren van stapelen schrijft Mytting uitgebreider dan over enig ander aspect van houtverwerking. Hij behandelt allerlei soorten stapels, de zonnewandstapel, de ronde stapel, de gesloten vierkantstapel, de open vierkantstapel, de ringstapel, de staande stapel, de sculptuurstapel en nog allerlei andere stapelvormen. Het is een wetenschap op zich, ik wist niet dat er zoveel mogelijkheden waren om hout te stapelen en dat al die vormen van stapelen hun eigen voor- en nadelen hebben. Al mijn stapels zijn simpele wandstapels, maar ik ga toch ook eens andere stapelvormen proberen. Vooral die ringstapel spreekt me erg aan.

Eco-Barbas kachel

Welke kachel is nu de beste? Een kachel van gietijzer? Een speksteenkachel? Een tegelkachel? Een etagekachel? Op dat punt laat Mytting het een beetje afweten. De kachel zelf komt uiteraard wel ter sprake, maar welke je nu het beste nemen kunt, daar is hij toch niet erg duidelijk over. Ik heb lange tijd een gietijzeren Deense Morso kachel gehad. Een fantastisch kacheltje, maar niet groot genoeg voor mijn woonkamer van zes bij tien meter. Daarna heb ik een Harry Leenders gehad, een Boxer. Een geweldige kachel, met twee keramische wanden die de warmte opsloegen en weer uitstraalden. Die kachel heb ik volledig naar de donder gestookt, dus toen overwoog ik een nieuwe Harry Leenders te nemen, maar hij was inmiddels erg opgeschoven in de richting van prachtige designkachels die mij toch wat minder effectief leken. Dus toen heb ik een Eco-Barbas kachel gekocht en die stook ik nog steeds. Het heette een speksteenkachel te zijn, maar ik kwam er al gauw achter dat het stenen omhulsel van mijn kachel niet uit echte speksteen bestond, maar uit een goedkopere steensoort. Toch is het een effectieve kachel en voorlopig kan ik er nog wel even mee vooruit. Ik heb daarnaast nog, in een andere kamer, een Altech kachel, nu wel met echte speksteen bekleed. Het is een bijzonder mooie kachel, maar hij is nogal lastig te stoken. Het liefst zou ik zo’n echte Tulukivi speksteenkachel neerzetten, maar die zijn zo zwaar dat ze bij mij door de vloer heen zouden zakken. Dan zet u er toch onder uw huis een paar heipalen bij, zei de vertegenwoordiger van deze kachel toen hij een offerte deed. Maar ja, heipalen erbij zetten, dat is, voorzover al mogelijk, een uiterst dure aangelegenheid. Dus die oplossing komt niet in aanmerking. Mytting geeft op pagina 183 van zijn boek een foto van de speksteenkachel Kuba 5. Die oogt niet zo zwaar, die kan ik misschien, als mijn Barbas op is, wel plaatsen. Dat lijkt me een prachtige kachel. Enfin, de techniek schrijdt voort en wie weet wat voor superieure kachels ons nog te wachten staan. 

Hoe het ook zij, dit boek van Mytting is een aanrader voor iedereen die hout stookt. Het is helder geschreven. Geen woord te veel. Het bevat een schat aan informatie die je nergens anders kunt vinden. Door de wat stugge manier van schrijven is het vaak onbedoeld humoristisch. Het geeft ook een mooie kijk op de Scandinavische mannen en hun eigenaardige voorliefde voor kettingzagen. Dit is de bijbel van de houtstoker.

Ik heb overigens niet veel op met de kettingzaag. Het zijn enge dingen. Maar een kloofmachine kan ik iedereen aanraden. Wat heb je daar een plezier van. En wat een feest om ermee te werken. Onlustgevoelens, wrok, nijd, frustratie, het verdwijnt in een ommezien als je hout klooft met zo’n prachtige machine.

Wie is Lars Mytting?

De schrijver kan het zelf eigenlijk niet geloven, maar toch is het zo: van De man & het hout zijn meer exemplaren gedrukt dan van het laatste Knausgard-deel. Er kan geen Noors huishouden meer zijn waar geen exemplaar van deze houtbijbel te vinden is. Het boek betekende de redding voor Lars Mytting (1968), die na een tamelijk succesvolle debuutroman zag hoe zijn tweede roman flopte. De financiële nood was hoog, maar dankzij zijn houtbestseller kan hij weer tijden vooruit.

Dat uitgeverij Atlas/Contact de moeite heeft genomen dit curieuze boek te laten vertalen, is bijzonder aardig voor houtstokers, maar voor wie zich met centrale verwarming moet behelpen, is er een prima alternatief. Myttings roman De vlamberken, waarvoor hij in 2014 de Noorse boekhandelsprijs kreeg, is een bijzonder fijne roman – waarin de liefde voor hout overigens ook een rol(letje) speelt. Edvard groeit op bij zijn grootvader nadat zijn ouders op raadselachtige wijze om het leven zijn gekomen. Van zijn opa leert hij vissen, houthakken en naar Wagner luisteren. Samen bestieren ze de boerderij tot de dag waarop Edvard zijn opa dood op de bank aantreft. Als blijkt dat er voor zijn grootvader al jaren een schitterende kist, gemaakt van vlamberkenhout, klaarstaat, begint Edvard aan een zoektocht naar de familiegeheimen die zijn opa altijd voor hem heeft verzwegen. De vlamberken is een rijke, spannende roman die ondanks allerlei dramatische gebeurtenissen geloofwaardig blijft door de onderkoelde toon. Ontdek deze Lars Mytting, hij is het waard.

Lars Mytting: De man & het hout (oorspr. Hel ved, vertaling Angélique de Kroon, uitgever AtlasContact)

 

 

Lars Mytting: De vlamberken (oorspr. Svøm med dem som drukner, vertaling Paula Stevens, uitgever AtlasContact)