Dolende ziel

Tom Rooduijn ,

De ware identiteit van Nadja, het personage uit de gelijknamige roman van surrealist André Breton, is achterhaald door een Nederlandse: Hester Albach. Hoe dat ging is te beluisteren in Radio doc: ‘Nadja’s nalatenschap’.

Radio doc
Uitzending: zondag 10 januari, NPO Radio 1, 21.00 uur

‘Op 4 oktober jongstleden, aan het eind van een van die volstrekt werkeloze en zeer droefgeestige middagen waarvan ik het geheim schijn te bezitten, bevond ik me in de Rue Lafayette...’ Nadja van André Breton (1896–1966) begint met een rondgang langs bevriende surrealisten, door wie de auteur als voorman en ideoloog wordt beschouwd. Daarna volgt een negen dagen durende liefdesgeschiedenis, die in oktober 1926 op het trottoir van Rue Lafayette een aanvang neemt. Het boek is, in de woorden van Nadja-vertaler Laurens van Krevelen, ‘in feite een soort gedicht; het geeft ervaringen en overdenkingen weer die behoren tot een wijze van dichterlijk en hartstochtelijk leven’. Breton besluit zijn bekendste boek met een adagium: ‘De schoonheid zal CONVULSIEF zijn of zal niet zijn.’
Nadja baarde meteen na verschijning in 1928 opzien – mede door de destijds ongebruikelijke, autobiografische en met foto’s en tekeningen verluchtigde vorm. Nog altijd wordt Nadja in Frankrijk op scholen gelezen en behoort het volgens Le Monde tot de honderd belangrijkste boeken van de vorige eeuw. Het langste, tweede deel van het driedelige boek gaat over de fascinatie van de auteur voor de vrouw naar wie het boek is genoemd.
‘Plotseling zie ik, misschien nog op tien passen van mij af’, vervolgt Breton, ‘uit de tegenovergestelde richting een jonge, heel armoedig geklede vrouw komen, die mij ook ziet of gezien heeft. Zij loopt met opgeheven hoofd, in tegenstelling tot alle andere voorbijgangers. Zo tenger, dat ze bij het lopen de grond nauwelijks schijnt te raken.’
Meteen bij de eerste ontmoeting kent de auteur ‘Nadja’, zoals ze zich voorstelt, aan het surrealisme verwante kwaliteiten toe. Ze spreken de volgende acht dagen op straathoeken en in cafés af, maken nauwgezet beschreven wandelingen door Parijs, de auteur stelt haar voor aan zijn bentgenoten en zelfs overweegt hij of Max Ernst bereid zal zijn haar portret te schilderen. En ze delen een hotelbed, al verwijderde Breton de verwijzingen daarnaar in 1963 in een gekuiste editie. Uit de gesprekken in Nadja rijzen de contouren op van een tragisch leven: de vrouw vertrok als jonge moeder uit een arbeiderswijk van Lille, liet haar dochter bij haar ouders achter, werd in Parijs door welgestelde mannen onderhouden en zat even in de gevangenis op verdenking van cocaïnesmokkel uit Nederland.

Ze liet haar dochter bij haar ouders achter, werd in Parijs door welgestelde mannen onderhouden en zat even in de gevangenis op verdenking van cocaïnesmokkel uit Nederland.

gemodelleerd

Hoe onmiskenbaar autobiografisch dit boek ook is, Nadja is een romanfiguur die niet precies hoeft samen te vallen met juist die buitenechtelijke relatie – waarvan Breton er wel meer op nahield. Dat vinden althans de puristen onder Breton-exegeten. Niettemin is er sinds de publicatie veel onderzoek gedaan naar dit wonderlijke werk – óók naar de identiteit van het titelpersonage. Breton publiceerde in het boek immers ook tekeningen en brieven die ‘Nadja’ hem had gestuurd. Het was uitgerekend de Nederlandse Hester Albach (schrijfster van onder meer Het Debuut uit 1975), die er door uitputtend archiefonderzoek achter kwam dat de Nadja van Breton grotendeels naar het leven is getekend. Albach publiceerde bij de Franse uitgeverij Actes Sud Léona, héroïne du surréalisme (2009), waarin wordt onthuld dat Nadja is gemodelleerd naar Léona Delcourt (1902–1941). Deze uit Saint-André-lez-Lille afkomstige jonge moeder beproefde, met achterlating van haar kind, in Parijs onder de naam Nadja (‘Het begin van het Russische woord hoop’, legt ze Breton uit) haar geluk.
Als Breton de verhouding met Nadja na negen dagen voor gezien houdt, ontstaat een correspondentie waarvan slechts de helft bewaard is gebleven: de brieven van Nadja (met die naam zijn ze ondertekend), ofwel van Léona Delcourt. De brieven van Breton zijn er niet meer; aannemelijk is dat de familie Delcourt die uit wrok heeft vernietigd. Nadja schrijft achtereenvolgens vol ongeloof, verdriet en woede en wil niets liever dan het contact herstellen, waarschijnlijk uit een combinatie van verliefdheid, bewondering en financiële nood. Maar Breton houdt de deur dicht, met als gevolg groeiende wanhoop in de brieven die Nadja gedurende vier maanden aan Breton stuurde.

vondsten

In Alkmaar wordt door de surrealisme-verzamelaar Her de Vries (1930) gewerkt aan een heruitgave van de tekeningen en de 34 brieven van Nadja, waarvan een eerste versie in 2010 in Frankrijk verscheen. De Vries ontmoette de surrealisten en hun leidsman in de jaren vijftig in Parijs, introduceerde de schilder Joop Moesman bij Breton en correspondeert nog wekelijks met verwanten en kenners van de groep. Met collega-onderzoeker Pieter Schermer deed hij vondsten die deze onfortuinlijke liefdesgeschiedenis inkleuren.
Tekeningen die Nadja aan Breton stuurde zijn, ter illustratie van haar vermeende surrealistische vermogens, in Nadja opgenomen en voorzien van een uitleg door de auteur. Uit het speurwerk van De Vries en Schermer rijst een bezeten Breton op, die Nadja tot een surrealistisch instituut bombardeert. Maar de maakster van de tekeningen en naamgeefster van het boek heeft de publicatie waarschijnlijk nooit onder ogen gekregen.
‘Een paar maanden geleden is men mij komen meedelen dat Nadja krankzinnig was’, schrijft Breton in Nadja, na een verhandeling over ‘onbetwijfelbare liefde’ die hij even bij Nadja meende te vinden. ‘Na allerlei excentriciteiten waaraan ze zich naar het schijnt te buiten is gegaan in de gangen van haar hotel’, vervolgt Breton, ‘was het noodzakelijk geweest haar op te nemen in het gesticht van Vaucluse. (...) Het voornaamste is dat ik niet denk dat er voor Nadja zo veel verschil kan zijn tussen de binnenkant van een gesticht en de buitenkant.’
Breton, die geneeskunde had gestudeerd en psychiatrisch verpleegkundige was geweest, heeft voor zover bekend Léona niet opgezocht in het gesticht, noch heeft hij zijn relaties in de medische wereld gebruikt om haar lot te verbeteren.

Hester Albach in de Rue Lafayette, waar Léona/Nadja en Breton elkaar ontmoetten

goudmijn

Nadja gaat over veel meer dan een particuliere, tragisch verlopen liefdesgeschiedenis, maken zowel Hester Albach, Her de Vries als Laurens van Krevelen in deze documentaire duidelijk. Het boek is voor onderzoekers naar het surrealisme een goudmijn. Dat geldt concreet de beschrijving van de leden van de groep en hun specifieke kwaliteiten. Breton voert Nadja op als een medium dat, ondanks haar eenvoudige komaf, meteen begrip en enthousiasme toont voor surrealistisch geïnspireerde teksten en ideeën. Breton schrijft haar voorspellende gaven, visioenen en een vrije, oorspronkelijk geest toe. Op Bretons vraag, de eerste dag gesteld: ‘Wie bent u?’, antwoordt Nadja bijvoorbeeld zonder aarzeling: ‘Ik ben de dolende ziel.’
Zo leest Nadja als een combinatie van ideeënroman, beginselverklaring, geïllustreerd dagboek en grabbelton vol surrealistische en alchemistische anekdotiek en symboliek. Dit alles komt zondag 10 januari aan bod in de radiodocumentaire ‘Nadja’s nalatenschap’, maar de affaire tussen Nadja en Breton, zoals door de auteur beschreven, vormt de rode draad. Ik wandel met Hester Albach in Bretons voetsporen door Parijs, sta voor de huizen waar Nadja en Breton woonden, bezoek de cafés waar ze elkaar ontmoetten en besluit mijn queeste in het gesticht voor geestelijk gestoorde vrouwen te Bailleul waar Léona Delcourt haar laatste jaren doorbracht.
Het enorme gebouwencomplex herbergt nog altijd ‘verstandelijk gehandicapten’, zij het aanzienlijk minder dan de ruim tweeduizend vrouwen die de nonnen er in de jaren dertig verzorgden. In een zaaltje is een tentoonstelling over het 150 jaar oude gesticht ingericht. Een  massieve deur laat de toegang tot een isoleercel zien, inclusief het gat waardoor de patiënte kon worden bekeken. Er staat een bed met leren riemen waarop de vrouwen konden worden vastgebonden. Een vierkante uitsparing in het spiraal, met een emmer eronder, voorzag in ontlasting ter plaatse.

Breton, die geneeskunde had gestudeerd en psychiatrisch verpleegkundige was geweest, heeft Léona niet opgezocht in het gesticht, noch heeft hij zijn relaties gebruikt om haar lot te verbeteren.

gesticht

Uit de documenten die Hester Albach in de archieven van het gesticht vond, blijkt dat Léona geregeld hallucineerde, paranoïde was of in de isoleercel verbleef na agressief gedrag. In 1934 bezocht haar dochter Marthe – toen veertien – het gesticht met haar grootouders. Omdat Léona niet op haar kamer was, zwierven haar dochter en ouders door het gebouw. Ze gingen een kamer binnen waar gegil uit opklonk. Daar trof de familie Léona een tiental vrouwen aan in badkuipen, de hoofden gestoken door uitsparingen in met  hangsloten vergrendelde deksels. Geen personeel te bekennen, de patiëntes schreeuwden om verlost te worden uit het koud geworden water. Dochter Marthe weigerde sindsdien haar moeder te bezoeken, Léonav’s smeekbrieven ten spijt.
Toen in 1940 de Duitsers het nabij de Belgische grens gelegen gebied rond Bailleul bezetten, vluchtte een deel van de nonnen. De voorraden werden geplunderd, de patiëntes verzwakten door een gebrek aan verzorging, voedsel en medicijnen en er braken besmettelijke ziektes uit. Léona behoorde tot de vele patiënten die in de oorlog in het gesticht van Bailleul stierven. Cachexie néoplasique luidde de officiële doodsoorzaak. Maar waarschijnlijker is dat Léona Delcourt, 38 jaar oud, op 15 januari 1941 – volgende week op de kop af 75 jaar geleden – de hongerdood stierf.
Kun je de rol van André Breton in deze droevige geschiedenis veroordelen? Dat is een van de vele vragen die ik de geïnterviewden voorlegde, nadat ze hun fascinatie voor Nadja ontvouwden. Nee, was unaniem het antwoord. Met uiteenlopende argumenten: moralisme is bij de beoordeling van een kunstwerk en de maker niet op zijn plaats; we weten onvoldoende van de werkelijke gang van zaken; Léona Delcourt was, getuige Bretons karakterschets, tóch wel in een inrichting beland; hoe ver strekt de verantwoordelijkheid na het beëindigen van een zo kortstondige relatie?
Toch rust dit verhaal nog altijd als een schandvlek op de familie Delcourt, concludeerde Hester Albach, en heeft de naam André Breton daar bepaald niet het aanzien dat hij in Frankrijk nog altijd geniet.