Hagenaar blijf je

Lokien de Bie ,

Wim Noordhoek schreef een boek over zijn Haagse jeugdjaren. In gesprek met toenmalige buurjongen Wim de Bie gaat het over trams, duinen, de vloedlijn en oneindigheid. Over hoe Haags je kunt zijn.

Wim Noordhoek schreef Muzenstraat en andere Haagse verhalen, met Haagse tekeningen van Marcel van Eeden. Zowel in de verhalen als in de tekeningen spelen trams een grote rol. Reden waarom de presentatie van het met zorg vormgegeven boek – de inhoudsopgave oogt als een tramroute – plaatsvond in een rijdende Haagse tram. In pcc-car 1022 om precies te zijn, de in 1952 ongehoord moderne ‘Amerikaanse’ tram waaraan Wim Noordhoek (1943) en toenmalige buurjongen Wim de Bie (1939) zich hadden vergaapt op het Savornin Lohmanplein. Tijdens de rit vanuit het Haags Trammuseum langs plaatsen die in het boek voorkomen, Kijkduin, de wijk rond Meer en Bos, Statenkwartier, nam De Bie, die opgroeide in datzelfde deel van Den Haag, het eerste exemplaar in ontvangst.

Voorafgaand aan de feestelijke boekpresentatie vragen we schrijver/radiomaker Wim Noordhoek – co-auteur Marcel van Eeden is voor een expositie in het buitenland – om aan de hand van een fictieve tramrit-terug-in-de-tijd meer te vertellen over invloed en betekenis van zijn Haagse jeugdjaren.

lijn 2

Noordhoek: ‘Als kind had ik twee mogelijkheden om in gedachten weg te vluchten: de radio en de tram. De radio was “de wereld”en met de tram ging je “naar de stad”. Zo noemden alle bewoners van onze buitenwijk dat: naar de stad gaan.’
Radio- en televisiemaker/schrijver Wim de Bie: ‘Ja, wij kenden elkaar toen niet, maar ik woonde een straat verder dan jij en dat was de rand van de stad. Het einde van de Laan van Meerdervoort, “de langste laan van Europa” werd daar altijd bij vermeld, daar hield Den Haag echt op.’
Noordhoek: ‘En de stad was iets geheimzinnigs. Ik ging met mijn moeder twee keer per jaar: een broek kopen voor de zomer en een broek kopen voor de winter. Bij Peek & Cloppen- burg.’
De Bie: ‘De tram reed niet verder, bij ons was het eindpunt van lijn 2. En beginpunt, waardoor er iets magisch plaatsvond: wat eerst de voorkant van de tramwagen was, veranderde in de achterkant. En de zitrichting transformeerde compleet, daar ging het om.’
Noordhoek: ‘De conducteur kon met een zwiep aan de koperen handgrepen alle banken de andere kant op zetten, je hoorde beng, beng, beng. Dan liep de bestuurder van achteren naar voren en stelde de stuurhendel aan die kant in gebruik.’
De Bie: ‘Met je vriendjes stond je urenlang te kijken. Het waren speciale trams, de Ombouwers. Het zal filosofisch te duiden zijn, en dat doen we nu niet, maar een eindpunt dat beginpunt wordt, stoelen en banken 180 graden gedraaid: het is een mooie gebeurtenis.’

lijn 7 en lijn 14

Noordhoek: ‘Er was nog een andere eindhalte in de wijk. Op een kaal zandlandje, eind Savornin Lohmanplein, eindigden twee trams, lijn 7 en lijn 14. Op een dag verscheen daar de nieuwe tram, die opzien baarde in heel Den Haag. De pcc-car, een Amerikaans ontwerp.’
De Bie: ‘Ik moet de eerste proefrit in 1949 gezien hebben, op de Laan van Meerdervoort. Daar vormden zich opstootjes bij elke halte, zo bijzonder was die tram. Begrijpelijk, hij is nog steeds bijzonder, een spacecar!’
Noordhoek: ‘Een raket, een ruimtevaartuig! Met de vering van een Pontiac of Cadillac. Veel passagiers werden misselijk, ik ook hoor. Dat ding deinde over de rails. Later is die vering bijgesteld.’
De Bie: ‘Je was gewend aan trams uit 1920. Met houtwerk, koper, conducteurs. Dit waren strakke eenmanswagens, heel erg Amerikaans en nieuw. Den Haag is helemaal overgegaan op pcc-cars, tot 1993 hebben er honderden gereden. Voor mij het symbool voor een veranderende wereld, de nieuwe tijd die aanbreekt.’
Noordhoek: ‘Als kind zag ik de tram als vluchtmiddel. Ik voelde overal gevaar loeren, was altijd bezig met vluchtroutes. Dat zit ook in deze verhalen, een merkwaardige dreiging. Nu weet ik: het was bij mij thuis niet veilig. Mijn vader keerde uit Indië terug met een ongelooflijk slecht humeur. Ik was als de dood voor die man. Als ik uit school kwam vroeg ik in de keuken aan mijn moeder is ie thuis? Bij bevestiging ging ik snel de straat op. Ik wilde al vroeg maar één ding: weg uit Den Haag. Moest eerst het gymnasium afmaken, wat met veel onvoldoendes en buitensporig veel bijlessen zowaar in zes jaar lukte. Toen meteen op mijn achttiende naar Amsterdam verhuisd en heel lang, wel dertig jaar, nooit meer terug gegaan. Ik had er echt schrik van.’

kijkduin

Noordhoek: ‘Door mijn vriendschap met de schrijver Willem Brakman, Hagenaar bij uitstek, durfde ik langzaam aan weer in de stad te komen. Reden we op ns-fietsen richting Nieboerweg, zijn vroegere buurtje, hij woonde zelf inmiddels in Boekelo. Brakman heeft veel geschreven over zijn jaren in Duindorp, à la Proust. Willems idee was dat hij zijn jeugd, zijn verhaal, zelf moest maken. Niet reconstrueren, maar herscheppen. Brakman bepaalde hoe het verleden geweest was. En dat heb ik met dit boekje ook geprobeerd. Je leert wat je kunt gebruiken en wat niet. Al schrijvende kom je erachter wat je verhaal is. Of wat jij wilt dat het is.
Mijn vader was een verschrikking, dus laat ik in het eerste verhaal mijn moeder van Kijkduin over de Sportlaan komen fietsen op weg naar haar verloofde. Dat fietsen, die wind en dat Kijkduin. Ze weet het nog niet, maar de oorlog nadert. De tankgracht van de Atlantikwall zal gegraven worden, langs de Sportlaan, dwars door het kaalgeslagen Sperrgebiet tussen Den Haag en het ontvolkte Scheveningen. Alle vier mijn grootouders zullen in 1942 moeten verhuizen.’
De Bie: ‘De geheimzinnigheid van de Atlantikwall, de bunkers in de duinen. Wij hebben toch vooral gezien wat er van overbleef. Nog niet zo lang geleden zijn we gezamenlijk in een bunker ondergronds gegaan. Veel duinbunkers worden hersteld, het zijn unieke bouwwerken. Duinen en trams, het is zó Haags.’

bezuidenhout

Noordhoek: ‘Ja, dat is het hè, met de tram naar zee. Ik loop graag langs de vloedlijn en de oneindigheid die daar is. Al schrijvende komt het voor mij toch neer op een bezoek aan het dodenrijk. De meeste mensen uit de verhalen zijn al dood.
Dit boek is misschien wel een afsluiting. Een requiem voor mijn ouders, de buurt. Het drama van de grootouders en alle mensen die in de jaren veertig uit hun huis werden verdreven. En dat vaak niet overleefden. Het waren er 140.000, dat is veel. Hagenaars praten daar niet over. In Amsterdam zouden wel tien monumenten staan.’
De Bie: ‘Het was een van de zwaarst getroffen steden. Dat wordt een beetje onder de pet gehouden. Tegelijk met die gedwongen verhuizingen waren er wel duizend aanvallen van geallieerde kant om de lanceerplekken van de v2-raketten, laatste troef van de Duitsers, te vernietigen. Achter ons huis stond Duits afweergeschut opgesteld, gewoon tussen de burgers, moderne oorlogsvoering toen.
Die v2’s mislukten vaak, ze werden gericht op Londen, maar vielen terug op de stad. Dat kon je horen aan het geluid. Ik was vijf jaar, mijn ouders hebben zoveel angsten gehad.’
Noordhoek: ‘Over het vergissingsbombardement door de geallieerden op het Bezuidenhout heb ik nog een verhaal. Oom Bob, de broer van mijn moeder, was vlieger bij de raf. Toen de vliegtuigen over het Bezuidenhout vlogen, zat daar oom Bob in. Hij had in Den Haag gewoond en merkte dat ze fout zaten met hun richtingsbepalingen. Hij heeft nog geprobeerd te corrigeren, maar het was te laat.’
De Bie: ‘Een kaart-kwadrant was verkeerd geprint. De bommen moesten vallen op het Haagse Bos maar vernietigden een woonwijk. Honderden doden, vlak voor het einde van de oorlog.’
Noordhoek: ‘Van dat dodenrijk is niet zo raar, toch? In het boek zitten twee vragen. Wie ben je, en het nauw samenhangende: waar kom je vandaan. Dus: hoe Haags ben ik. Ik woon vijftig jaar in Amsterdam, maar ik ben geen Amsterdammer. Ik logeer daar nog altijd. In Den Haag ben ik op een rare manier thuis. Niet helemaal aangenaam thuis, pijnlijk, maar wel thuis. Hagenaar blijf je. Ook al verlaat je de stad, hij laat je niet los. Ik sta op gespannen voet met het verleden. Hoe dat komt heb ik geprobeerd te achterhalen door het schrijven van dit boek.’
De Bie: ‘Dat gaat verder dan nostalgie.’
Noordhoek: ‘Het heeft te maken met de gedachte die ik nog vaak krijg: ik heb het overleefd. Echt hoor. Ik keek als jongetje in de spiegel en dacht: dit wordt niks, geen beginnen aan.’
De Bie: ‘Goh, jouw particuliere omstandigheden, jouw familie heeft zich meegedeeld aan de hele omgeving, heeft heel Den Haag vijandig gemaakt.’
Noordhoek: ‘Dat is goed gezegd. Wat mij thuis overkwam, heeft zich als een olievlek over heel die stad, aan elke gevel, iedere tram vastgezet.’